Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201304289/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten, Romienendiek 2A" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304289/1/R2.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Aalten,

2. de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten, gevestigd te Aalten,

en

de raad van de gemeente Aalten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Aalten, Romienendiek 2A" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en de stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en een aanvulling daarop ingediend.

[appellant sub 1] en anderen en de stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], de stichting, vertegenwoordigd door G.J.W. Krajenbrink, en de raad, vertegenwoordigd door G.H. Scheffer en S. Lammers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door B. van Asselt, bijgestaan door mr. F. Voerman, advocaat te Doetinchem.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de uitbreiding van het uitvaartcentrum Berkenhove aan de Romienendiek 2a te Aalten met een strooiveld ten behoeve van asverstrooiing, een terrein specifiek bedoeld voor columbaria, inclusief een dependance met kantoor- en ontvangstruimte voor kleine groepen nabestaanden en een parkeerplaats voor rouwauto’s en auto’s van personeel. Voorts voorziet het plan in een parkeerterrein tegenover het reeds bestaande uitvaartcentrum aan de Romienendiek.

Ontvankelijkheid

3. De raad betoogt dat [appellant sub 1] en anderen niet in beroep kunnen worden ontvangen nu zij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. In dit verband wijst de raad erop dat [appellant sub 1] en anderen op grote afstand van het plangebied wonen en door het tussenliggend groen en het glooiende landschap geen zicht hebben op het plangebied.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1 Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 Awb en artikel 2 van bijlage 2 van de Awb, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

3.2. Over de ontvankelijkheid van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1 A]) wordt als volgt overwogen. [appellant sub 1 A] is eigenaar van gronden in de directe nabijheid van het plangebied. Gelet hierop en mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die het plan vanwege de directe nabijheid van zijn gronden op zijn leefomgeving heeft, wordt het belang van [appellant sub 1 A] rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt.

Over de ontvankelijkheid van [appellant sub 1] en [appellante sub 1 C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]) en [appellant sub 1 D] en [appellante sub 1 E] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1 D]) wordt als volgt overwogen. De raad heeft ter zitting niet bestreden dat [appellant sub 1] en [appellant sub 1 D] vanuit hun woningen vanwege het oplopend talud zicht hebben op het in het plan voorziene strooiveld. Gelet hierop en mede gelet op de ruimtelijke uitstraling die het plan op hun leefomgeving heeft, worden de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 1 D] rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1] en [appellant sub 1 D], is derhalve ontvankelijk.

3.3. [appellant sub 1 F] en [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H] en [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K], [appellant sub 1 L] en [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N] en [appellant sub 1 O] en [appellant sub 1 P] en [appellante sub 1 Q] wonen op een afstand van ten minste 190 meter van het plangebied. De raad heeft onweersproken gesteld dat het zicht vanuit de dichtstbij gelegen woning op het plangebied beperkt wordt door bosschages en houtwallen. Voorts bestaat door de tien tot dertien meter lagere ligging van de woningen ten opzichte van het plangebied geen zicht op het voorziene strooiveld en de kantoor- en ontvangstruimte. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, is een afstand van ten minste 190 meter, bij de afwezigheid van zicht op het plangebied, naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellant sub 1] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van de genoemde personen rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1 F] en [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H] en [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K], [appellant sub 1 L] en [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N] en [appellant sub 1 O] en [appellant sub 1 P] en [appellante sub 1 Q] geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 1 F] en [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H] en [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K], [appellant sub 1 L] en [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N] en [appellant sub 1 O] en [appellant sub 1 P] en [appellante sub 1 Q], is niet-ontvankelijk.

In het vervolg van de overwegingen wordt het beroep van [appellant sub 1] en anderen behandeld voor zover dit is ingediend namens [appellant sub 1], [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 D].

Publicatie aanvraag om ontheffing

4. [appellant sub 1] en anderen en de stichting stellen dat de raad onderscheidelijk het college van gedeputeerde staten, de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 2.5 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland, zoals die luidde ten tijde van de aanvraag, ten onrechte niet hebben gepubliceerd, zodat hun de mogelijkheid tot inspraak over het verlenen van die ontheffing is onthouden.

4.1. De ontheffing is door de raad aangevraagd omdat deze ten tijde van de ontwerpfase van het plan ingevolge het toen geldende artikel 2.5 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland vereist was. Ten tijde van de vaststelling van het plan gold deze verplichting niet langer. Wat er ook zij van de door [appellant sub 1] en anderen en de stichting aangevoerde gebrekkige publicatie van de aanvraag van de ontheffing, nu de ontheffing ten tijde van de vaststelling van het plan niet meer was vereist, behoeft het betoog omtrent de publicatie van de aanvraag om ontheffing geen verdere bespreking.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan onvoldoende maatschappelijk draagvlak heeft nu het plan tot grote weerstand bij omwonenden leidt en het vaststellingbesluit niet unaniem genomen is.

5.1. Ten aanzien van het betoog dat er voor het plan geen maatschappelijk draagvlak bestaat, overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting volgt dat met betrekking tot het plan inspraak heeft plaatsgevonden en dat reacties waar mogelijk zijn verwerkt in het plan. Hiermee heeft de raad voldaan aan de in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) opgenomen verplichting dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving is opgenomen van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken. Nu de meerderheid van de raad bij het bestreden besluit heeft ingestemd met het plan en de raad bij de vaststelling van het plan beleidsvrijheid toekomt, maken de omstandigheid dat door omwonenden zienswijzen naar voren zijn gebracht en de mogelijke afwezigheid van maatschappelijk draagvlak voor de in het plan voorziene ontwikkelingen bij de plaatselijke bevolking het voorgaande niet anders. Dat de raad een andere keuze heeft gemaakt dan overeenkomt met de wens van een deel van de omwonenden, betekent immers niet dat de raad het plan niet had mogen vaststellen.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] en anderen en de stichting stellen dat het plan leidt tot aantasting van het open essenlandschap. In dit verband wijzen zij erop dat het plan voorziet in een kantoor- en ontvangstruimte, columbaria en de mogelijkheid tot het plaatsen van tien meter hoge lantaarnpalen. Volgens [appellant sub 1] en anderen en de stichting is het plan vanwege de aantasting van de es vastgesteld in strijd met de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten waardevolle landschappen", die op 16 mei 2006 is vastgesteld door het college van gedeputeerde staten, en het Landschapsontwikkelingsplan, dat de raad heeft vastgesteld op 20 november 2007 (hierna: LOP).

6.1. De raad betoogt dat het plangebied is gelegen in het gebied dat volgens de toelichting bij de ten tijde van de vaststelling van het plan geldende Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: RVG) kan worden gecategoriseerd als "Waardevol landschap, geen EHS - geen Waardevol open gebied". Volgens de raad is daardoor het ‘ja, mits’-regime van toepassing, op grond waarvan aantasting van kernkwaliteiten aanvaardbaar kan zijn mits er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten. De raad wijst er in dit verband op dat door de verdiepte aanleg de verstorende invloed van de parkeerplaats en de kantoor- en ontvangstruimte wordt geminimaliseerd, waardoor de openheid van de es niet in het geding komt en aldus de kernkwaliteiten niet wezenlijk worden aangetast. Voorts betoogt de raad dat het LOP niet bindend is nu het een visiedocument betreft.

6.2. In de verbeelding behorende bij de RVG zijn de in het plangebied gelegen gronden aangeduid als "Besluit-subvlak Nationaal landschap" en "Besluit-subvlak Waardevol landschap binnen nationaal landschap".

Ingevolge artikel 20.2 van de RVG kunnen in gebieden binnen een nationaal landschap, met de aanduiding waardevol landschap, slechts bestemmingen worden toegestaan, voor zover deze de kernkwaliteiten van het gebied, zoals vastgelegd in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten waardevolle landschappen" behouden of versterken. De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVRVGcons2-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Waardevol open gebied en nationaal landschap.

In de toelichting bij de RVG is vermeld dat provinciale staten hebben besloten om in de Streekplanuitwerking Nationale landschappen voor de Nationale landschappen geen eigen planologisch beleid vast te stellen. Binnen de Nationale landschappen geldt de afweging uit de Streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten waardevolle landschappen" (hierna: Streekplanuitwerking). Voor de verschillende beleidscategorieën binnen een nationaal landschap heeft dat onderstaande afwegingsformules tot gevolg:

A. Waardevol landschap (geen EHS, geen waardevol open gebied) ja, mits de kernkwaliteiten worden behouden en versterkt.

B. Waardevol landschap (samenvallend met EHS): nee, tenzij.

C. Waardevol open gebied (valt altijd binnen waardevol landschap) nee voor nieuwe bouwlocaties, tenzij voor overige ruimtelijke ingrepen.

D. Multifunctioneel gebied in Nationaal landschap, landschappelijke versterking.

6.3. De raad heeft in de plantoelichting uiteengezet dat het plangebied in categorie A valt nu het plangebied niet tot de EHS behoort of is aangewezen als Waardevol open gebied. Voor categorie A is in de Streekplanuitwerking opgenomen dat indien het ‘ja-mits’-regime geldt, activiteiten zijn toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. In de Streekplanuitwerking is aangegeven dat dit betekent dat ontwikkelingen van allerlei aard mogelijk zijn, waarbij geldt dat deze landschappen zich niet lenen voor grootschalige verstedelijking. Wanneer een van de in het geding zijnde kernkwaliteiten wordt aangetast, maar andere kernkwaliteiten worden versterkt, en er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten, kan dit acceptabel zijn. Bij toepassing van deze benadering kan het nodig zijn om het plangebied te vergroten om tot een acceptabele uitkomst te kunnen komen, volgens de Streekplanuitwerking.

Uit de bij de Streekplanuitwerking gevoegde kaart blijkt dat het plangebied is gelegen in het Waardevol landschap "Winterswijk". Blijkens pagina’s 13 en 14 van de Streekplanuitwerking kenmerkt dit Waardevol landschap zich door de kernkwaliteiten zoals kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft, rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand, meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; overstromingsvlaktes in laagtes, fraaie, open essen en bijzondere broekgebieden, historische nederzettingspatronen, vervlochten in het landschap: oude boerderijplaatsen, vele gehuchten en grotere nederzettingen.

6.4. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het plan leidt tot strijdigheid met de kernkwaliteiten zoals deze zijn geformuleerd in de Streekplanuitwerking, nu enige aantasting plaatsvindt van de openheid van het essengebied. Om deze aantasting te beperken heeft de raad de invloed van het plan op de openheid van het essenlandschap geminimaliseerd door de verdiepte aanleg van de in het plan toegelaten bouwwerken en de bijbehorende parkeerplaatsen. Hierdoor is het gebouw visueel minder hoog en worden de geparkeerde auto’s aan het zicht onttrokken. De raad heeft het gebouw bewust gesitueerd aan de oostrand van de bestaande begraafplaats, tegen een bestaande groensingel. De aantasting van openheid van de huidige es wordt hierdoor beperkt, aldus de raad.

De raad heeft ter zitting voorts toegelicht dat de natuurakkers en houtwallen waarin het plan voorziet dienen ter versterking van de kernkwaliteiten in het plangebied. Verder heeft de raad erop gewezen dat de in het vorige bestemmingsplan bestaande bebouwingsmogelijkheden ter plaatse van de natuurakkers in het plan zijn uitgesloten.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kernkwaliteiten binnen het plangebied worden behouden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 20.2 van de RVG is vastgesteld.

6.5. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] en anderen en de stichting aangevoerde strijd met het LOP, overweegt de Afdeling dat het LOP volgens de raad is bedoeld als visie- en ideeënboek voor de ontwikkeling en het beheer van het landschap. Gelet op de aard van het LOP heeft de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan ruimte om van het LOP af te wijken.

Uit de plantoelichting blijkt dat de raad het plan heeft getoetst aan de uitgangspunten van het LOP. Hoewel de raad de verdichting van de essengordel in algemene zin niet in overeenstemming acht met het LOP, heeft de raad het plan niettemin aanvaardbaar geacht.

De Afdeling is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verdichting van de openheid van de es als gevolg van het plan beperkt blijft.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht welke gevolgen het plan heeft voor de luchtkwaliteit.

7.1. De raad betoogt dat geen aanleiding bestond voor een onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit nu het plan niet zal leiden tot extra verkeersbewegingen.

7.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: besluit NIBM) draagt de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij, als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wm, indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide (NO2) niet de 3%-grens overschrijdt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het besluit NIBM kunnen bij ministeriële regeling categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijke voorschriften in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: regeling NIBM) worden aangewezen krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit, de in bijlage 3A genoemde categorieën van gevallen waarin de uitoefening van een of meer bevoegdheden of toepassing van een of meer wettelijk voorschriften betrekking heeft op een kantoorlocatie, woningbouwlocatie of combinatie daarvan.

Ingevolge bijlage 3A van de regeling NIBM worden aangewezen ingevolge artikel 4, eerste lid, kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2 omvat.

Indien de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt, vindt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels bedraagt het bebouwingsoppervlak voor gebouwen en overkappingen maximaal 750 m2.

7.3. Het plan voorziet in de aanleg van een strooiveld en een gebouw met een kantoor- en ontvangstfunctie. Met de aanleg van het strooiveld wordt de capaciteit voor het aantal crematies niet uitgebreid nu de capaciteit van het uitvaartcentrum ten behoeve waarvan het strooiveld wordt aangelegd, niet eveneens wordt uitgebreid. De raad heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een capaciteitstoename en een daarmee samenhangende toename van het aantal verkeersbewegingen, zodat evenmin aannemelijk is dat het plan in zoverre gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit.

Uit de planregels volgt dat de kantoor- en ontvangstruimte maximaal 750 m2 groot mag zijn. De kantoor- en ontvangstruimte draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit kon worden afgezien.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] en anderen vrezen voor hinder door afspoelend as van het strooiveld na een regenbui.

8.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels mag het strooiveld niet worden gebruikt, indien niet aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. ter voorkoming van afstromend water wordt de in de toelichting beschreven voorziening ten behoeve van de opvang van hemelwater met een capaciteit van 57 m3 aangelegd en in stand gehouden;

b. ter voorkoming van verontreiniging van de bodem mag het aantal asverstrooiingen per jaar niet meer bedragen dan 90 per hectare.

8.2. Uit de aan het plan ten grondslag gelegde notitie van Ecopart B.V., van 25 juni 2012 blijkt dat een extreme regenbui, die gemiddeld eens in de tien jaar plaatsvindt, voor overlast zou kunnen zorgen. De overlast kan blijkens de notitie worden voorkomen door het treffen van maatregelen, waaronder het aanleggen van een wadi en een terreinverhoging aan de westelijke perceelsgrens van het plangebied. Nu de raad het treffen van deze maatregelen in artikel 3, lid 3.5.2, aanhef en onder a van de planregels als verplichting voor de ingebruikname van het strooiveld heeft verbonden, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onevenredige hinder vanwege afspoelend as niet aannemelijk is.

Het betoog faalt.

9. [appellant sub 1] en anderen stellen dat de masten en lantaarnplanen op de twee voorziene parkeerterreinen te hoog worden zodat lichthinder ontstaat. Voorts stellen zij dat nu [belanghebbende] na de inwerkingtreding van het plan geen uitbreidingsbehoefte meer heeft, de raad had moeten afzien van het vaststellen van planregels die de mogelijkheid bieden tot het afwijken van bouwmaten.

9.1. Ter zitting heeft de raad betoogd dat voor wat betreft de hoogte van masten en lantaarnpalen, aangesloten is bij de bestaande maten van de in de omgeving reeds aanwezige lantaarnpalen. Ter voorkoming van lichthinder heeft de raad in het plan voorzien in een regeling waaruit volgt dat het aan te leggen parkeerterrein uitsluitend verlicht mag zijn in geval van een bijeenkomst in het uitvaartcentrum. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige lichthinder.

Ten aanzien van de mogelijkheid om af te wijken van de bouwmaten overweegt de Afdeling dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad de afwijkingsmogelijkheden niet in het plan heeft kunnen opnemen, nu de raad in redelijkheid gewicht heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het relatief geringe afwijkingsmogelijkheden betreft en deze afwijkingsmogelijkheden bijdragen aan de door hem gewenste flexibiliteit van het plan.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1] en anderen stellen dat dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende alternatieve locaties zijn betrokken.

10.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Uit de plantoelichting blijkt dat de raad vijf locaties voor het strooiveld met bijbehorende bebouwing heeft onderzocht. De locatie ten noorden van de begraafplaats aan de Barloseweg, de locatie tegenover het uitvaartcentrum aan de Romienendiek, de locatie westelijk van de begraafplaats aan de Romienendiek, de locatie ten zuidwesten van de reeds bestaande begraafplaats aan de Romienendiek en de locatie bij de reeds bestaande begraafplaats. De raad heeft voor de locatie westelijk van de Romienendiek gekozen nu deze locatie de mogelijkheid biedt tot een verlaagde aanleg van de voorziene bebouwing waardoor de aantasting van de openheid van de es beperkt blijft. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieve locaties onvoldoende in de belangafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 1] en anderen en de stichting betogen dat het plan onvoldoende inzicht geeft in de financiële uitvoerbaarheid van de daarin voorziene ontwikkelingen.

11.1. In de plantoelichting staat vermeld dat de gronden in eigendom zijn van [belanghebbende] en dat [belanghebbende] de financiële middelen heeft gereserveerd voor de realisatie van de plannen, zodat de raad niet twijfelt aan de economische uitvoerbaarheid van de plannen. Voorts blijkt uit de plantoelichting dat tussen [belanghebbende] en de gemeente Aalten een overeenkomst is gesloten aangaande het verhaal van kosten ten gevolge van mogelijke planschade. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende heeft toegelicht.

Het betoog faalt.

12. Voor het overige hebben [appellant sub 1] en anderen en de stichting zich in het beroepschrift beperkt tot een herhaling van de inhoud van hun zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1] en anderen en de stichting hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

13. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en de stichting zijn ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 1 F] en [appellante sub 1 G], [appellant sub 1 H] en [appellante sub 1 I], [appellant sub 1 J] en [appellante sub 1 K], [appellant sub 1 L] en [appellante sub 1 M], [appellant sub 1 N] en [appellant sub 1 O] en [appellant sub 1 P] en [appellante sub 1 Q] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor het overige, en het beroep van de stichting Stichting Natuur en Milieu Aalten ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

12-779.