Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201307431/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:1571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] omgevingsvergunning te verlenen voor het vellen van twee coniferen op het perceel [locatie] te Apeldoorn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307431/1/A1.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2013 in zaak nr. 12/852 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] omgevingsvergunning te verlenen voor het vellen van twee coniferen op het perceel [locatie] te Apeldoorn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 mei 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 december 2013 heeft het college opnieuw het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2011 ongegrond verklaard.

[wederpartij] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.M. van de Zedde en A. Dekker, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door R.A. Spreeuw, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g en slot, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning.

Ingevolge artikel 4.5.5, eerste lid, kan het bevoegd gezag de vergunning zoals bedoeld in artikel 4.5.2 weigeren dan wel onder voorschriften verlenen, in het belang van de handhaving van

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- waarden voor recreatie en leefbaarheid.

2. Op 3 januari 2008 heeft het college de beleidsnota "Bomen over bomen, bomen en de APV" (hierna: de beleidsnota) vastgesteld. De beleidsnota is op 15 januari 2008 bekendgemaakt. Het perceel is gelegen in een gebied dat in de beleidsnota is aangeduid als "Boomrijke buurt" en is onderdeel van de bomenstructuur. Volgens de beleidsnota worden bomen die deel uitmaken van de bomenstructuur in principe niet gekapt. Het beleid is gericht op instandhouding van de bomenstructuur. In dit kader wordt in de beleidsnota verwezen naar de APV.

3. Vast staat dat ingevolge de APV voor het vellen van de twee coniferen op het perceel een omgevingsvergunning is vereist. Het college heeft bij besluit van 18 oktober 2011, gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2012, omgevingsvergunning geweigerd voor het vellen van de coniferen op het perceel. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend in het belang van de handhaving van natuur- en milieuwaarden en in het belang van de handhaving van waarden van stads- en dorpsschoon. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de coniferen veel nest- en schuilgelegenheid bieden en dat zij onderdeel uitmaken van de ecologische structuur, nu het perceel is gelegen in een bos- en boomrijk gebied. Daarnaast hebben de coniferen een levensverwachting van meer dan twintig jaar en een omlooptijd van tachtig jaar, aldus het college. De natuur- en milieuwaarden zullen worden aangetast door het vellen van de twee coniferen, aldus het college. Verder worden volgens het college de waarden van stads- en dorpsschoon onevenredig aangetast, indien de coniferen worden geveld, omdat zij voor meer dan vijftig procent zichtbaar zijn vanaf het openbare terrein en daardoor beeldbepalend zijn.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 3 mei 2012 onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe voert het aan dat de rechtbank dit besluit ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst. Het college voert verder aan dat, zelfs indien de bomen geen onderdeel uitmaken van de ecologische structuur, de waarden van stads- en dorpsschoon, gelet op de beeldbepalendheid van de bomen, in het geding komen, waardoor de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd dient te worden.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen door [wederpartij] in bezwaar naar voren is gebracht. De bezwarencommissie van de gemeente Apeldoorn heeft in haar op 15 maart 2012 vastgestelde advies aangegeven dat met de kap van de coniferen weliswaar de nest- en schuilgelegenheid van de dieren wordt verkleind, maar dat een mogelijk significant negatief effect van de kap op de kwaliteit van de leefomgeving voor planten en dieren geenszins is aangetoond. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college vervolgens in zijn besluit van 3 mei 2012 niet nader toegelicht dat door het vellen van de twee coniferen de nest- en schuilgelegenheid wordt verminderd, waardoor een vermindering van de kwaliteit van de leefomgeving voor planten en dieren plaatsvindt en daardoor natuur- en milieuwaarden worden aangetast. Door het college is evenmin gemotiveerd waarom de coniferen onderdeel uitmaken van de ecologische structuur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de daarvoor door het college gegeven motivering dat alle bomen tot de ecologische structuur behoren, omdat het een bos- en boomrijke omgeving is, onvoldoende is.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de coniferen beeldbepalend zijn. Het college heeft onvoldoende inzicht gegeven in het namens hem verrichte onderzoek ter plaatse, nu onder meer niet duidelijk is geworden welk onderzoek is verricht en welke resultaten dat heeft opgeleverd. Voor zover het college betoogt dat de rechtbank het besluit van 3 mei 2012 te indringend heeft getoetst, wordt overwogen dat de rechtbank uitsluitend heeft overwogen dat de door het college aan het besluit van 3 mei 2012 ten grondslag gelegde motivering onvoldoende is voor het oordeel dat de coniferen in het belang van de handhaving van natuur- en milieuwaarden en waarden van stads- en dorpsschoon niet gekapt mogen worden. Het college heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 7:12, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor het oordeel dat de rechtbank aldus het besluit van 3 mei 2012 te indringend heeft getoetst, bestaat geen grond.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Bij besluit van 31 december 2013 heeft het college opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2011 en dat bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

7. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd in het belang van de handhaving van waarden van stads- en dorpsschoon. Het college heeft zich bij dit besluit gebaseerd op een advies van bomendeskundige A. Dekker. Volgens Dekker zijn de coniferen Cipressen die solitair in de achtertuin dicht tegen de bomenstructuur van de wijk Berg en Bos staan. De Cipressen, die takvrije stammen hebben van enkele meters, zijn vanuit de openbare ruimte, de Wildernislaan en de 2e Beukenlaan, in twee richtingen goed zichtbaar. De bomen hebben een goede habitus, goede gezondheid, een lange levensverwachting, een lange omlooptijd en scoren op zichtbaarheid en zijn daarom beeldbepalend voor het stadsschoon. In de beoordeling van de Cipres is de ecologische betekenis van ondergeschikt belang. Dekker concludeert dat de Cipressen uit overweging van voornamelijk stadschoon moeten blijven gehandhaafd. Het college heeft het belang van de handhaving van natuur- en milieuwaarden niet meer aan het besluit van 31 december 2013 ten grondslag gelegd.

8. [wederpartij] betoogt dat het college ten onrechte heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen in het belang van de handhaving van waarden van stads- en dorpsschoon. Zij voert daartoe aan dat de bomen vanaf de kruising tussen de Wildernislaan en de 2e Beukenlaan weliswaar voor vijftig procent zichtbaar zijn, maar dit nog niet betekent dat de bomen beeldbepalend zijn en dat met de kap daarvan afbreuk wordt gedaan aan waarden van stads- en dorpsschoon. [wederpartij] wijst op eerder verleende omgevingsvergunningen voor de kap van bomen in de wijk Berg- en Bos, terwijl die bomen ook voor meer dan vijftig procent zichtbaar waren vanuit de openbare ruimte.

8.1. Volgens de beleidsnota mogen de coniferen in beginsel niet worden gekapt, omdat zij deel uitmaken van de bomenstructuur. Het op instandhouding gerichte beleid is uitgewerkt in de APV. Ingevolge artikel 4.5.5., eerste lid, kan het college omgevingsvergunning weigeren in het belang van de handhaving van waarden van stads- en dorpsschoon. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het gebruik maakt van een interne, door de Afdeling Groen van de gemeente Apeldoorn opgestelde, puntenlijst met criteria ter objectivering van de in artikel 4.5.5., eerste lid, van de APV bedoelde waarden. Ter zitting is gebleken dat de coniferen vanuit de kruising tussen de Wildernislaan en de 2e Beukenlaan voor meer dan vijftig procent zichtbaar zijn. Het college heeft voorts ter zitting toegelicht dat de omstandigheid dat de coniferen vanuit de openbare ruimte voor meer dan vijftig procent zichtbaar zijn, nog niet betekent dat zij ook beeldbepalend zijn. Of een boom al dan niet beeldbepalend is, wordt niet alleen bepaald door de zichtbaarheid daarvan, maar ook door factoren als levensverwachting, gezondheid en de omstandigheid of hij solitair of in groepsverband staat, aldus het college. In dit geval zijn de coniferen beeldbepalend vanwege hun hoge levensverwachting en omlooptijd, aldus het college. Gelet op het voorgaande heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het omgevingsvergunning voor de kap van de coniferen heeft geweigerd in het belang van de handhaving van waarden van stads- en dorpsschoon.

In het door [wederpartij] gestelde wordt voorts geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. [wederpartij] heeft eerst ter zitting van de Afdeling gesteld dat de coniferen de lichtinval op het perceel beperken, zodat het college dit niet bij zijn in het kader van de besluitvorming te maken de belangenafweging kon betrekken. In het door [wederpartij] naar voren gebrachte dat het college wel omgevingsvergunning heeft verleend voor de kap van andere bomen in de wijk Berg- en Bos, terwijl die bomen ook voor meer dan vijftig procent zichtbaar waren vanuit de openbare ruimte, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het in die gevallen ging om bomen die geen hoge levensverwachting meer hadden of sprake was een bijzonder geval als brandgevaar.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 31 december 2013 is ongegrond.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 31 december 2013, kenmerk PD/JAV/WZ 2013-523740, ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 43,14 (zegge: drieënveertig euro en veertien cent);

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

531-789.