Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201307144/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:4256, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] afgewezen om een preventieve last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het achterstallig onderhoud van het perceel op de hoek van de [locaties] te Beek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307144/1/A1.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Beek,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 17 juli 2013 in zaak nrs. 13/1020 en 13/1919 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beek.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het college het verzoek van [appellante] afgewezen om een preventieve last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het achterstallig onderhoud van het perceel op de hoek van de [locaties] te Beek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter het door Janssen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Janssen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.M.W. Mesters, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.S. Verjans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 22 maart 2010 heeft [appellante] het college verzocht om een preventieve last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het achterstallig onderhoud van het perceel.

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 21 januari 2013 heeft [appellante] het college opnieuw verzocht om een preventieve last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het achterstallig onderhoud van het perceel.

2. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het besluit van 4 mei 2010 en het besluit van 6 maart 2013 in materieel opzicht van dezelfde strekking zijn. Gelet daarop is de aan het besluit van 6 maart 2013 ten grondslag liggende aanvraag een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, aldus de voorzieningenrechter.

3. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter de besluiten van 4 mei 2010 en 6 maart 2013 ten onrechte met elkaar heeft vergeleken. Zij voert daartoe aan dat het besluit van 4 mei 2010 nietig is, nu er geen rechtsmiddelenclausule in was opgenomen.

3.1. Dit betoog faalt. De omstandigheid dat er in het besluit van 4 mei 2010 geen rechtsmiddelenclausule was opgenomen betekent niet dat dit besluit nietig is.

4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek van 21 januari 2013 in vergelijking met het verzoek van 22 maart 2010 geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Zij voert daartoe aan dat er voor haar geen reden was om op te komen tegen dat besluit, nu het perceel naar aanleiding van haar verzoek om handhaving van 22 maart 2010 is gemaaid en bespoten met gif.

Verder voert [appellante] aan dat de situatie op het perceel in vergelijking met de situatie op grond waarvan het besluit van 22 maart 2010 is genomen, zodanig is verergerd dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om op grond van artikel 7.21 en artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012, artikel 7.3.2. van de Bouwverordening 2012, artikel 17 van de Woningwet en het bestemmingsplan preventief handhavend op te treden. Volgens [appellante] is dat niet zozeer te zien aan het onkruid op het perceel, dat in het algemeen ’s winters verdwijnt, maar aan de houtopstanden en andere houtachtige planten die elk jaar gestaag groeien. [appellante] verwijst bij haar betoog naar de foto’s die zij bij brief van 4 juli 2013 in beroep heeft overgelegd.

Voorts voert [appellante] aan dat het college voor een beoordeling van de vraag of er sprake is van overlast ten onrechte uitgaat van de situatie in februari in plaats van ten tijde van het hoogtepunt van de overlast in augustus.

4.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4.2. [appellante] betoogt tevergeefs dat er voor haar geen reden was om op te komen tegen het besluit van 4 mei 2010, nu het perceel naar aanleiding van haar verzoek om handhaving van 22 maart 2010 is gemaaid en bespoten met gif. Deze omstandigheid is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in 4.1.

4.3. Verder betoogt [appellante] dat zich een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid voordoet als bedoeld in overweging 4.1, nu de situatie op het perceel in vergelijking met de situatie op grond waarvan het besluit van 22 maart 2010 is genomen, zodanig is verergerd dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren daartegen preventief handhavend op te treden.

Gemeentelijke toezichthouders hebben de situatie van het perceel geïnspecteerd op 7 februari 2013 en 4 maart 2013. De conclusies van deze inspecties en de daarbij gemaakte foto’s zijn neergelegd in twee notities die ten grondslag zijn gelegd aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 maart 2013. Noch uit deze notities en de daarvan deel uitmakende foto’s, noch anderszins is gebleken dat een overtreding van artikel 7.21 en artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012, artikel 17 van de Woningwet of artikel 7.3.2. van de bouwverordening 2012 van de gemeente Beek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Verder is evenmin gebleken dat het perceel werd gebruikt in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Beek" op het perceel rustende woonbestemming, althans dat zo’n gebruik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. De situatie van het perceel is derhalve sinds het nemen van het besluit van 22 maart 2010 niet zodanig verergerd dat zich een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid voordoet als bedoeld in overweging 4.1.

De door [appellante] overgelegde foto die is genomen in augustus 2012, leidt niet tot een ander oordeel, nu daarop uitsluitend is te zien dat het perceel, dat is afgeschermd door hekken, is begroeid met hoge groene gewassen. De overige door [appellante] overgelegde foto’s leiden evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat deze zijn genomen na het besluit van 6 maart 2013.

Het betoog van [appellante] dat de gemeentelijke toezichthouders het perceel niet hebben bezocht in augustus als de overlast op zijn hoogtepunt is, leidt ook niet tot een ander oordeel. [appellante] heeft immers gesteld dat de verergering van de overlast niet zozeer wordt veroorzaakt door de groei van onkruid, maar door houtopstanden en andere houtachtige planten die het hele jaar door groeien. Deze houtachtige planten bevonden zich derhalve, naar ook blijkt uit de foto’s die deel uitmaken van de notities, op het perceel op het moment dat de toezichthouders het perceel hebben bezocht.

4.4. Gezien het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die een rechterlijke toetsing van het besluit van 25 juni 2013 rechtvaardigen. Dat, naar [appellante] betoogt, het besluit van 4 mei 2010 niet is getoetst door een bestuursrechter, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze omstandigheid niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die een rechterlijke toetsing van het besluit van 25 juni 2013 rechtvaardigen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

543.