Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201306958/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel [locatie] te Wijk aan Zee (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306958/1/A1.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2013 in zaak nr. 12/5411 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning op het perceel [locatie] te Wijk aan Zee (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wijk aan Zee 1979" rust op het perceel de bestemming "Eengezinshuizen categorie III".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bouw van eengezinshuizen, de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken, tuinen en achtererven, met dien verstande dat de goot- en boeiboordhoogte van de woningen van categorie III niet minder dan 3 m en nergens meer dan 6,50 m bedraagt.

2. Het bouwplan heeft betrekking op de bouw van een dakopbouw op de woning op het perceel (hierna: de woning). Vanwege deze dakopbouw neemt de goothoogte van de woning toe van 5,50 m tot 8,25 m. Het bouwplan is derhalve in strijd met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften.

Om deze strijdigheid op te heffen heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en vierde lid, van de bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) behorende Bijlage II, omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan.

3. In het besluit van 28 maart 2012 is het volgende vermeld:

"Onderhavige aanvraag is niet in overeenstemming met de bij deze bestemming behorende voorschriften, aangezien de toegestane goothoogte van 4 meter met 1,40 meter wordt overschreden."

[appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit deze overweging moet worden afgeleid dat voor het bouwplan geen omgevingsvergunning is verleend, nu ten gevolge van de realisering daarvan de goothoogte 8,25 m wordt.

3.1. Dit betoog faalt. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 maart 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw volgens de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bouwtekeningen. Volgens die bouwtekeningen krijgt de woning na realisering van de beoogde dakopbouw een goothoogte van 8,25 m. Gelet hierop heeft het college voor die dakopbouw met een goothoogte van 8,25 m bij besluit van 28 maart 2012 omgevingsvergunning verleend.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beoogde dakopbouw in strijd is met de gemeentelijke beleidsregel als neergelegd in de notitie "Beleidsregels van burgemeester en wethouders van Beverwijk" (hierna: de notitie).

4.1. Dit betoog faalt. Volgens hoofdstuk 2 van de notitie is deze onder meer van toepassing op de bouw van een dakopbouw als bedoeld in artikel 4, aanhef en vierde lid, van de bij het Bor behorende Bijlage II. In de notitie is echter niets bepaald over een dergelijke dakopbouw. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de beoogde dakopbouw niet in strijd is met de beleidsregel als neergelegd in de notitie.

5. [appellant] betoogt voorts dat het college bij een afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Hij voert daartoe aan dat door de realisering van het bouwplan de lichtinval op zijn naastgelegen woning zal verminderen en het bouwplan tot een inbreuk op zijn privacy in de woning en de tuin zal leiden.

5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbreuk die de realisering van het bouwplan, gelet op de aard en omvang ervan, veroorzaakt ten aanzien van de privacy en de lichtinval op de naast het perceel gelegen woning en tuin van [appellant] niet van zodanige aard moet worden geacht dat de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid moest worden geweigerd. Het college heeft daartoe, naar het oordeel van de Afdeling met juistheid, overwogen dat de nokhoogte van de woning door de realisering van de beoogde dakopbouw minder hoog wordt dan ingevolge de planvoorschriften maximaal is toegestaan. Ingevolge het bestemmingsplan is het bouwen van een puntdak toegestaan, terwijl het bouwplan voorziet in de bouw van een plat dak. De realisering van het bouwplan zal daarom leiden tot een minder grote inbreuk op de privacy en de zonlichtinval in de woning van [appellant] dan het geval was geweest indien een dakopbouw met een puntdak was beoogd die voldoet aan de maximaal in het bestemmingsplan toegestane nokhoogte, aldus het college. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dit standpunt van het college terecht niet onredelijk geacht. Daarbij geldt dat het college bij de verlening van deze omgevingsvergunning een aanzienlijke beslissingsruimte toekomt en de bestuursrechter derhalve een besluit ter zake terughoudend heeft te toetsen. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de adviezen van de Adviescommissie voor bouwontwerpen (hierna: de welstandscommissie) van 30 november 2011 en 14 december 2011 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

[appellant] voert daartoe aan dat de welstandscommissie het bouwplan niet heeft getoetst aan een aantal in de welstandsnota Beverwijk (hierna: de welstandsnota) neergelegde criteria, geldend voor het gebied Wijk aan Zee (hierna: de gebiedsgerichte criteria) waarin het bouwplan is voorzien.

Verder voert hij aan dat hij er gezien de gebiedsgerichte criteria vanuit mocht gaan dat hij beschermd zou worden tegen te drastische uitbreidingsplannen als voorzien in het bouwplan.

Voorts voert [appellant] aan dat voormelde adviezen van de welstandscommissie zien op andere tekeningen dan de bouwtekeningen waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

6.1. Volgens [appellant] heeft de welstandscommissie het bouwplan niet getoetst aan de volgende gebiedsgerichte criteria.

- "De cultuurhistorisch waardevolle elementen in het gebied moeten worden gerespecteerd door eventuele nieuwbouw."

- "(…) De bebouwing is enerzijds kwetsbaar voor ingrepen, anderzijds kunnen moderne invullingen vrij gemakkelijk worden opgenomen in de structuur. De kwaliteit van de bebouwing mag echter niet door relatief kleine ingrepen teniet worden gedaan."

- "Het in stand houden van de kwaliteit van de historische kern is belangrijk voor de uitstraling van het dorp. Het beleid is er daarom op gericht de kleinschaligheid en diversiteit van de bebouwing met karakteristieken zoals veranda’s, erkers en terrassen te behouden. Om de samenhang te bewaren zal het beleid ook gericht zijn op het verwezenlijken van onderlinge eenheid bij kleine ingrepen aan individuele gebouwen."

6.2. Bij advies van 14 februari 2013 heeft de welstandscommissie de eerder uitgebrachte adviezen van 30 november 2011 en 14 december 2011 nader toegelicht. In deze toelichting staat onder meer het volgende. "De oorspronkelijke twee-eenheid is ondanks de toevoeging uitermate goed afleesbaar. In de nieuwe toevoeging zijn de stijlkenmerken van de bestaande situatie, zijnde het origineel, goed verwerkt en waardoor er een nieuw acceptabel ensemble is ontstaan. De gekozen oplossing staat een toevoeging op of aan het naburig pand niet in de weg. De woningen zijn geen monumenten en ook geen toekomstige monumenten, zijn niet beeldbepalend en vallen niet onder een beschermd dorpsgezicht. De panden zijn wel karakteristiek, maar dit rechtvaardigt de toevoeging."

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college hiermee deugdelijk gemotiveerd dat zich geen situatie voordoet waarbij cultuurhistorisch waardevolle elementen niet worden gerespecteerd als bedoeld in de gebiedsgerichte criteria.

De overige criteria uit de Welstandsnota waar [appellant] naar verwijst maken geen deel uit van de gebiedsgerichte criteria, maar van de in de welstandsnota neergelegde beschrijving van het deelgebied Wijk aan Zee. Uit de welstandsnota volgt niet dat hieraan moet worden getoetst. [appellant] betoogt daarom tevergeefs dat het bouwplan niet aan deze gebiedsbeschrijving voldoet.

6.3. Verder faalt het betoog van [appellant] dat hij er gezien de gebiedsgerichte criteria vanuit mocht gaan dat hij beschermd zou worden tegen te drastische uitbreidingsplannen als het onderhavige. Dit betoog heeft uitsluitend betrekking op de maatvoering van het bouwplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 14 december 2011 in zaak nr. 201107145/1/H1) toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan het college planologische medewerking wenst te verlenen. Gelet op de bereidheid van het college om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen voor de gekozen maatvoering van het bouwplan, dient deze bij de welstandstoets te worden gerespecteerd en kan daarin, anders dan [appellant] betoogt, geen grond zijn gelegen voor een negatief welstandsoordeel.

6.4. Voorts heeft [appellant] ter zitting verklaard dat hij niet langer betwist dat voormelde adviezen van de welstandscommissie geen betrekking hebben op het bouwplan.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

543.