Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201305667/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om uitbetaling over 2011 van een op grond van de SNL verleende subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305667/1/A2.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013 in zaak nr. 12/2585 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om uitbetaling over 2011 van een op grond van de SNL verleende subsidie afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de door [wederpartij] gevraagde subsidie toegekend en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4.1.1.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2011 van de provincie Fryslân (hierna: SNL) kan het college op aanvraag een subsidie agrarisch natuurbeheer verstrekken.

Ingevolge artikel 4.1.2.2, aanhef en onder a, is, onverminderd artikel 4.1.1.6, een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer gehouden elk beheerjaar het beheer uit te voeren overeenkomstig het door gedeputeerde staten vastgestelde collectief beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de datum waarop in het desbetreffende beheerjaar de in artikel 4.1.1.6, tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan worden ingediend, luidt.

Ingevolge artikel 9.1 kan gebiedscoördinator bij gedeputeerde staten een aanvraag indienen tot vaststelling van:

a. een collectief beheerplan;

b. een wijziging van een op grond van artikel 9.2 vastgesteld collectief beheerplan.

2. [wederpartij] is eigenaar van landbouwgrond aan de [locatie] in [plaats], waarvoor hij gedurende twaalf jaar op individuele basis subsidie ten behoeve van agrarisch natuurbeheer heeft ontvangen. Met ingang van 2011 zou hij onder het nieuwe natuurbeheerplan slechts ingeval van collectief beheer aanspraak op subsidie hebben. Hij heeft zich daarom aangesloten bij de Agrarische Natuurvereniging Om ‘e Koaien (hierna: de vereniging).

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft het college het collectief beheerplan van de vereniging vastgesteld. De beheereenheid van [wederpartij] is daarin niet opgenomen. [wederpartij] heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, waardoor het in rechte is komen vast te staan.

Bij besluit van 18 april 2011 heeft het college op grond van de SNL aan [wederpartij] voor een periode van zes jaar subsidie verleend voor collectief agrarisch landschapsbeheer, verhoogd met een toeslag voor het uitrijden van ruige stalmest, onder voorbehoud van goedkeuring van het collectief beheerplan van de vereniging. In het besluit is vermeld dat [wederpartij] jaarlijks via de Gecombineerde Opgave om uitbetaling van de jaarvergoeding dient te vragen.

Op 13 mei 2011 heeft [wederpartij] voor het beheerjaar 2011 een betaalverzoek gedaan.

Aan het besluit van 26 juni 2012, gehandhaafd bij het besluit van 20 september 2012, heeft het college ten grondslag gelegd dat [wederpartij] geen aanspraak op de jaarvergoeding heeft, omdat zijn beheereenheid niet op de topografische kaart van het collectief beheerplan staat.

3. De rechtbank heeft overwogen dat het collectief beheerplan in rechte is komen vast te staan, nu daartegen geen bezwaar is gemaakt. Zij is evenwel van oordeel dat de omstandigheid dat de beheereenheid van [wederpartij] daarin niet op de topografische kaart van het collectief beheerplan staat, niet voor rekening en risico van [wederpartij] dient te komen. Daartoe heeft zij overwogen dat de beheereenheid niet kon worden ingetekend, omdat deze ten onrechte niet in de basisregistratie percelen (hierna: BRP) was aangemeld en de gebiedscoördinator door een fout in het aanmeldsysteem ook niet in staat was de aanmelding in de BRP zelfstandig te doen. Dat een schriftelijk verzoek tot aanmelding eerst op 20 december 2010 is verstuurd, en daarmee te laat voor een tijdige verwerking door de Dienst Regelingen, die namens het college de SNL uitvoert, kan niet aan [wederpartij] worden tegengeworpen, omdat de Dienst Regelingen van het probleem met het aanmeldsysteem op de hoogte was en de beheereenheid eenvoudig zelf in de BRP had kunnen aanmelden. Indien zij dat had gedaan, had de gebiedscoördinator de beheereenheid van [wederpartij] tijdig kunnen intekenen op de topografische kaart bij het collectief beheerplan.

4. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat van de rechtmatigheid van het collectief beheerplan moet worden uitgegaan, nu [wederpartij] tegen de vaststelling ervan geen bezwaar heeft gemaakt. De problemen met het aanmeldsysteem die de rechtbank bij haar oordeelsvorming in aanmerking heeft genomen, hadden juist in een bezwaarprocedure aan de orde kunnen en moeten worden gesteld, aldus het college.

4.1. Niet in geschil is dat [wederpartij] tegen de vaststelling van het collectief beheerplan geen bezwaar heeft gemaakt, hoewel hij er wel belang bij had daartegen op te komen en van hem mocht worden verwacht dat te doen, nu zijn beheereenheid niet op de topografische kaart van het collectief beheerplan was ingetekend. Onder deze omstandigheden kan in deze procedure de juistheid van het collectief beheerplan niet meer ter discussie worden gesteld.

De omstandigheid dat de gebiedscoördinator door een fout in het aanmeldsysteem niet in staat was de beheereenheid digitaal aan te melden en de Dienst Regelingen die mogelijkheid wel had, leidt niet tot het oordeel dat [wederpartij] niet kan worden aangerekend dat hij tegen de vaststelling van het collectief beheerplan, waarin zijn beheergebied immers niet was ingetekend, geen bezwaar heeft gemaakt.

Dat geldt evenzeer voor het verweer van [wederpartij] dat hij ervan uitging dat zijn beheereenheid in het BRP was aangemeld, omdat het college de door hem gevraagde subsidie bij besluit van 18 april 2011 had verleend. Daar mocht hij niet van uitgaan, nu in dat besluit is vermeld dat de subsidie onder voorbehoud van de vaststelling van het collectief beheerplan wordt verleend en [wederpartij] had geconstateerd dat zijn beheereenheid niet op de daarbij behorende topografische kaart was ingetekend. Dat het totaalbudget voor het collectief beheerplan het subsidiebedrag omvatte dat [wederpartij] zou toekomen en ook de oppervlakte van zijn beheereenheid in de totaaloppervlakte van het collectief beheerplan was meegerekend, zoals hij ter zitting heeft verklaard, doet daar niet aan af.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 september 2012 van het college alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2013 in zaak nr. 12/2585;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Krokké

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

686.