Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201304607/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het college zijn beslissing om op 4 maart 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellant] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304607/1/A4.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het college zijn beslissing om op 4 maart 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellant] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.

Bij besluit van 15 maart 2013 heeft het college beslist dat de kosten van voormelde toepassing van bestuursdwang (€ 91,00) voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft het college het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.S. Staijen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier en A.I. Duivenvoorde, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

In het bij de Afvalstoffenverordening behorende Uitvoeringsbesluit is, voor zover hier van belang, een ondergrondse container aangewezen als inzamelvoorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid.

2. Het college heeft op 4 maart 2013 spoedeisende bestuursdwang toegepast met betrekking tot vier huisvuilzakken die op die dag op de openbare weg zijn aangetroffen ter hoogte van de ondergrondse container met nummers 1005-2 en 1005-1 aan de Stromarkt te Deventer. Volgens het college is één van die huisvuilzakken, blijkens de daarin aangetroffen brief met adresgegevens van [appellant], afkomstig van hem en heeft hij deze in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling aangeboden. Het college heeft beslist dat de kosten van toepassing van spoedeisende bestuursdwang met betrekking tot deze huisvuilzak voor rekening van [appellant] komen.

2.1. [appellant] voert aan dat hij de overtreding niet heeft begaan, zodat de kosten van toepassing van spoedeisende bestuursdwang niet op hem kunnen worden verhaald. Daartoe stelt hij dat hij op 3 maart 2013 heeft geprobeerd om een huisvuilzak in de desbetreffende container aan de Stromarkt te deponeren, maar dat hij daarin niet was geslaagd omdat de klep ervan niet openging. Hij stelt vervolgens die huisvuilzak te hebben meegenomen en tevergeefs te hebben geprobeerd om deze te deponeren in een container aan de Nieuwe Markt te Deventer. Vervolgens heeft hij, naar zijn stellen, de huisvuilzak gedeponeerd in een afvalcontainer van een bedrijf in Twello waar hij werkzaam is. Voorts kunnen volgens hem niet alle huisvuilzakken die op 4 maart 2013 op de desbetreffende locatie zijn aangetroffen van hem afkomstig zijn, gelet op de kleine huishouding die hij voert. Wat betreft de brief die in één van de op 4 maart 2013 aangetroffen huisvuilzakken is aangetroffen voert hij aan dat deze niet aan hem persoonlijk is gericht en dat hij deze nooit eerder heeft gezien.

2.2. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat vanwege de kleine huishouding die hij voert niet alle huisvuilzakken die op 4 maart 2013 op de desbetreffende locatie zijn aangetroffen van hem afkomstig kunnen zijn, overweegt de Afdeling dat het college hem ook niet met betrekking tot alle huisvuilzakken die daar op die datum zijn aangetroffen als overtreder heeft aangemerkt. Nu de in desbetreffende huisvuilzak aangetroffen brief was gericht aan het adres van [appellant], kan deze zak tot hem worden herleid. Dit betekent dat hij kan worden geacht artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening te hebben overtreden, tenzij hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. [appellant] heeft met zijn stellingen over hetgeen op 3 maart 2013 is verricht ter zake van het deponeren van een huisvuilzak niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de op 4 maart 2013 aangetroffen huisvuilzak, die het college tot hem heeft kunnen herleiden, verkeerd ter inzameling heeft aangeboden. Het college heeft [appellant] met betrekking tot die huisvuilzak terecht aangemerkt als overtreder.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

402.