Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1306

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201304552/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2012, kenmerk C2067574/3074425, heeft het college de door [appellant] verzochte saldering op basis van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) voor een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats], geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304552/1/R2.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2012, kenmerk C2067574/3074425, heeft het college de door [appellant] verzochte saldering op basis van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) voor een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats], geweigerd.

Bij besluit van 9 april 2013, kenmerk C2094570/3384949, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Met de stikstofverordening wordt beoogd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant terug te dringen, onder meer door het stellen van technische eisen aan stallen en door het stellen van stikstofdepositie-eisen aan agrarische bedrijven. De stikstofverordening voorziet verder in de oprichting van een depositiebank. Daarin zijn stikstofdeposities opgenomen van milieuvergunningen die na 7 december 2004 zijn ingetrokken, van agrarische bedrijven die op 7 december 2004 nog aantoonbaar in werking waren.

De bouw van nieuwe stallen dient te worden gemeld bij het college. Het college beoordeelt of de stal aan de gestelde technische eisen voldoet, stelt een zogenoemd gecorrigeerd emissieplafond vast en beoordeelt of de stal leidt tot een toename van ammoniakemissie ten opzichte van het gecorrigeerd emissieplafond. Het gecorrigeerd emissieplafond is in de meeste gevallen de ammoniakemissie die voortvloeit uit de milieuvergunning die op 7 december 2004 gold, gecorrigeerd op basis van de eisen uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (AMvB Huisvesting).

Als de ammoniakemissie niet hoger is dan het gecorrigeerd emissieplafond dan wordt de melding voor kennisgeving aangenomen. Is de ammoniakemissie hoger dan het gecorrigeerd emissieplafond en neemt daardoor de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied toe, dan wordt bezien of de toename gesaldeerd kan worden door het onttrekken van saldo uit de depositiebank. Als het saldo aanwezig is, wordt dit voor één jaar gereserveerd. De onttrekking wordt definitief als de omgevingsvergunning voor bouwen in werking treedt. Het gecorrigeerd emissieplafond voor het bedrijf wordt vervolgens aangepast aan de emissie na saldering.

2. [appellant] kan zich niet verenigen met het besluit van het college zijn bezwaar tegen de weigering saldering op basis van de stikstofverordening toe te passen voor de melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats], ongegrond te verklaren. Hiertoe voert hij het volgende aan.

[appellant] betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtsgelijkheid. Volgens hem is onduidelijk waarom zogeheten interimuitbreiders, die tussen 7 december 2004 en 25 mei 2010 een bedrijfsuitbreiding hebben gerealiseerd, geen gebruik mogen maken van de stikstofdepositiebank. Op deze wijze worden interimuitbreiders ten onrechte anders behandeld dan andere bedrijven, aldus [appellant]. Hierbij wijst hij erop dat saldering met de depositiebank voor zijn bedrijfsuitbreiding mogelijk zou zijn als zijn bedrijf niet zou worden aangemerkt als interimuitbreider.

Voorts betoogt [appellant] dat voor hem al jaren sprake is van een rechtsonzekere situatie, nu geen voorziening is getroffen voor interimuitbreiders en een dergelijke voorziening ook niet meer zal worden getroffen. In dit verband voert hij aan dat hij aan artikel 36 van de stikstofverordening het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat een voorziening voor interimuitbreiders zou worden getroffen.

[appellant] betoogt dat de verwijzing door het college naar de Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: de PAS) dit niet anders maakt, omdat onzeker is of de PAS daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Verder is volgens hem niet duidelijk of de PAS het gewenste resultaat zal hebben, waardoor onduidelijk is of de PAS kan dienen als basis voor een voorziening voor interimuitbreiders.

Verder betoogt [appellant] dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu er in het bestreden besluit ten onrechte van wordt uitgegaan dat een voorziening zal worden getroffen voor interimuitbreiders. In dit verband wijst [appellant] op het advies van de hoor- en adviescommissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften.

2.1. Het college stelt dat niet alleen interimuitbreiders zijn uitgesloten van saldering met de depositiebank en dat deze bedrijven een kleine minderheid van de totale hoeveelheid bestaande bedrijven vormen. Volgens het college onderscheiden de interimuitbreiders zich van andere bedrijven, waardoor de uitsluiting van saldering met de depositiebank gerechtvaardigd is. Verder wijst het college erop dat op individueel niveau op het gebied van de technische staleisen al is tegemoetgekomen aan de interimuitbreiders.

Het college stelt verder dat een voorziening voor interimuitbreiders vooralsnog niet onredelijk lang is uitgebleven en dat aan de stikstofverordening niet het vertrouwen kan worden ontleend dat voor de interimuitbreiders een voorziening zou worden getroffen. Het college wijst er verder op dat [appellant] zich ten aanzien van verdere uitbreidingsmogelijkheden zelf in een onzekere positie heeft gebracht door zijn bedrijf uit te breiden in de interimperiode.

2.2. Zowel het besluit van 14 augustus 2012 als het bestreden besluit op bezwaar van 9 april 2013 zijn gebaseerd op de stikstofverordening. Op 29 maart 2013 is echter de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 (hierna: de stikstofverordening 2013) in werking getreden. De stikstofverordening 2013 bevat overgangsbepalingen, maar voorziet niet in overgangsbepalingen met betrekking tot ten tijde van de inwerkingtreding van de stikstofverordening 2013 aanhangige bezwaarschriften. De stikstofverordening 2013 heeft voor de op het moment van inwerkingtreding van die verordening aanhangige bezwaarschriften dan ook onmiddellijke werking. De stikstofverordening 2013 was ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar het toepasselijke recht. Gelet op het voorgaande heeft het college het bestreden besluit gebaseerd op een op dat moment niet meer geldende verordening en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

Een nieuw te nemen besluit zal moeten worden genomen op grond van de stikstofverordening 2013, die een andere beoordelingssystematiek kent voor de bouw van nieuwe stallen en voor saldering dan de stikstofverordening. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of op andere wijze het geschil definitief te beslechten.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit op bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 april 2013, kenmerk C2094570/3384949;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

579-726.