Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201301918/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:1004, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301918/1/A2.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 6 februari 2013 in zaak nr. 12/242 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 januari 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., en het college, vertegenwoordigd door C. van Bart, werkzaam bij de gemeente Rijssen-Holten, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

3. [appellant] is eigenaar van het perceel met woning plaatselijk bekend [locatie] te Holten (hierna: het perceel). Hij heeft bij aanvraagformulier, met als datum 28 september 2010, verzocht om vergoeding van planschade en daarop als oorzaak van de gestelde schade "bouw multifunctionele zaal van het Kulturhus Holten" vermeld.

4. Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 augustus 2011 een door de planschadeadviescommissie (hierna: de schadecommissie) opgesteld advies van 21 juni 2011 ten grondslag gelegd, waarin het volgende is vermeld.

De gemeenteraad heeft op 26 maart 2009 het bestemmingsplan "Kulturhus Holten" vastgesteld, op grond waarvan het voormalige gemeentehuis van Holten als Kulturhus kan worden gebruikt en aan de westzijde van dat gemeentehuis (hierna: het bouwterrein), tegenover het perceel van [appellant], een aanbouw kan worden gebouwd voor de vestiging van de theaterzaal van het Kulturhus. Ingevolge dat bestemmingsplan zijn het voormalige gemeentehuis en het bouwterrein bestemd als "Maatschappelijk", op grond waarvan ter plaatse binnen een op de plankaart aangeduid bouwvlak gebouwen ten behoeve van de bestemming met een maximale bouwhoogte van 9 m mogen worden gebouwd. Voorheen was ingevolge het op 27 juni 1978 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Holten" het voormalige gemeentehuis bestemd als "Bijzondere doeleinden" categorie "OB (openbare en/of bijzondere voorzieningen)" en het bouwterrein als "Doeleinden van handel en bedrijf I" categorie "W (winkels)" en "Verkeersdoeleinden" categorie "OE (openbaar erf)". Binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak in het bestemmingsvlak "Doeleinden van handel en bedrijf I" categorie "W, winkels" mocht bebouwing met een goothoogte van 4 m en een dakhelling van niet minder dan 40˚ worden opgericht. Buiten het bebouwingsvlak mochten tevens bijgebouwen worden opgericht, zij het op afstand van de Kerkstraat. Op gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" categorie "Openbaar erf" mochten alleen vitrines met een maximale oppervlakte van 3 m2 en een maximale hoogte van 2,75 m, worden gebouwd, alsook andere bouwwerken, zoals straatmeubilair, met een maximale hoogte van 3 m.

Volgens de schadecommissie kan onder het nieuwe planologische regime bebouwing met een grotere breedte worden gerealiseerd dan voorheen was toegestaan, waardoor [appellant] een beperkt planologisch nadeel lijdt door enige aantasting van uitzicht. De schadecommissie heeft de waarde van het perceel van [appellant] voorafgaande aan de planologische verandering getaxeerd op ongeveer € 320.000,00 en het planologisch nadeel bepaald op € 5.000,00. Nu het planologisch nadeel minder bedraagt dan twee procent van de waarde van het perceel voorafgaande aan de planologische verandering, dient dat nadeel, gelet op artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, voor rekening van [appellant] te blijven, aldus het advies.

In het advies van de schadecommissie is in reactie op de zienswijze van [appellant] vermeld, dat de verslechtering van uitzicht de bepalende schadefactor is. Daarnaast zou volgens de schadecommissie ten gevolge van de planologische verandering enig verlies van bezonning kunnen optreden. Volgens het advies leidt het bestemmingsplan "Kulturhus Holten" niet tot meer parkeeroverlast voor [appellant].

5. De rechtbank heeft volgens het proces-verbaal van het onderzoek van de zaak ter zitting op 24 oktober 2012 vastgesteld dat aan het besluit van 25 januari 2012 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, omdat lijkt dat in het advies van de schadecommissie niet alle ingevolge het bestemmingsplan "Kom Holten" voor het bouwterrein geldende bestemmingen zijn betrokken, waardoor niet van de maximale mogelijkheden van dat plan is uitgegaan. Volgens dat proces-verbaal is ter zitting afgesproken dat een bestuurlijke lus wordt toegepast, waarbij het college binnen vier weken laat weten of en op welke wijze het college het gebrek wil herstellen. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.

Het college heeft bij brief van 15 november 2012 een nader advies van de schadecommissie van 5 november 2012 overgelegd. Daarin is vermeld dat de schadecommissie in haar eerdere advies alle ingevolge het bestemmingsplan "Kom Holten" voor het bouwterrein geldende bestemmingen bij de planvergelijking heeft betrokken. Het college heeft zich in voormelde brief op grond van dit nader advies op het standpunt gesteld dat het op het oorspronkelijke advies van de schadecommissie mocht afgaan.

[appellant] heeft hierop bij brief van 21 december 2012 een zienswijze ingediend.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat, nu aan het advies van de schadecommissie van 21 juni 2011 een gebrek kleeft, het college daarop niet mocht afgaan. Hij voert aan dat dit gebrek niet met een nadere motivering kon worden hersteld. Volgens [appellant] had de rechtbank in het kader van definitieve geschilbeslechting een eigen deskundige moeten benoemen en zelf in de zaak moeten voorzien.

6.1. Het betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Daartoe wordt overwogen dat de rechtbank geen tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrechtspraak heeft gedaan. Blijkens het proces-verbaal heeft zij het college op de zitting van 24 oktober 2012 verzocht een nadere toelichting te geven op de door de schadecommissie verrichte planvergelijking. De rechtbank heeft daartoe het onderzoek ter zitting geschorst. Het college heeft deze nadere toelichting bij de brief van 15 november 2012 gegeven. De rechtbank heeft [appellant] de gelegenheid geboden daarop te reageren, waarvan hij gebruik heeft gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt, bestond er voor de rechtbank geen verplichting een adviseur te benoemen. De rechtbank heeft voorts het geschil definitief beslecht door te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 januari 2012 in stand blijven.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen van het besluit van 25 januari 2012 in stand te laten, heeft miskend dat het college bij dat besluit van een onvolledige en onjuiste planvergelijking is uitgegaan. Hij voert aan dat het bouwterrein ingevolge het bestemmingsplan "Kom Holten" voor een groot gedeelte is bestemd voor "Verkeersdoeleinden OE" en "Parkeerstrook", waarop volgens hem niet mag worden gebouwd, en voor een klein gedeelte voor "Bijgebouwen toegestaan" en dat deze bestemmingen ten onrechte niet bij de planvergelijking zijn betrokken.

[appellant] voert verder aan dat de schadecommissie bij de planvergelijking ten onrechte is uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 15 m op het gedeelte van het bouwterrein met voorheen de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf I". Volgens [appellant] was bebouwing met een dergelijke bouwhoogte ter plaatse met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten, omdat de bebouwing in strijd zou zijn met de gemeentelijke welstandsnota, waarin is vermeld dat ter plaatse moet worden gestreefd naar een kleinschalig bebouwingsbeeld, en een dergelijke bouwhoogte financieel niet rendabel zou zijn.

7.1. Ingevolge de plankaart van het bestemmingsplan "Kern Holten" zijn de gronden ten westen van het voormalige gemeentehuis aan de Kerkstraat bestemd voor "Verkeersdoeleinden", categorie "OE (openbaar erf)" en voor "Doeleinden van handel en bedrijf I", categorie "W (winkels)". Volgens het renvooi kent het bestemmingplan niet de bestemmingen "Parkeerstrook" en "Bijgebouwen toegestaan". Evenmin bevatten de planvoorschriften hiervoor voorschriften. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] dan ook aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat in het advies van de schadecommissie van 21 juni 2011 uitsluitend rekening is gehouden met hetgeen onder het oude planologische regime maximaal mogelijk was op het bebouwingsvlak dat is gelegen binnen het bestemmingsvlak "Doeleinden van handel en bedrijf I" categorie "W (winkels)" en ten onrechte geen rekening is gehouden met hetgeen maximaal mogelijk was buiten het bebouwingsvlak en op het bestemmingsvlak "Verkeersdoeleinden" categorie "OE (openbaar erf)".

In het advies van de schadecommissie van 21 juni 2011 zijn de bestemmingen "Doeleinden van handel en bedrijf I" en "Verkeersdoeleinden" beschreven. Bij de planbeoordeling is naar deze bestemmingen verwezen, waarbij is vermeld dat ter plaatse waren toegelaten een winkel met bijgebouwen en een inrichting en gebruik conform de voorschriften voor de bestemming verkeersdoeleinden, categorie openbaar erf beschrevene. Voorts is vermeld dat voorheen over een geringere breedte bebouwing mocht worden opgericht dan onder het nieuwe bestemmingsplan. Gelet hierop zijn, naar ook de rechtbank heeft geoordeeld, alle ingevolge het bestemmingsplan "Kern Holten" voor het bouwterrein geldende bestemmingen betrokken bij de planvergelijking. Het betoog mist dan ook feitelijke grondslag en faalt in zoverre.

7.2. Ingevolge de voorschriften van het bestemmingsplan "Kern Holten" mocht op gronden met de bestemming "Doeleinden van handel en bedrijf I", categorie "W (winkels)" bebouwing met een maximale goothoogte van 4 m en dakhelling van minimaal 40˚ worden gebouwd. In bezwaar heeft het college het standpunt dat de bouwverordening aanvullende werking heeft laten vallen. De vraag of op deze gronden bebouwing tot 15 m hoog was toegestaan kan in het midden worden gelaten, omdat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, uitgaande van een maximale goothoogte van 4 m en dakhelling van minimaal 40˚, daar in ieder geval bebouwing tot een hoogte van 9 m was toegestaan, zoals onder het nieuwe bestemmingsplan ter plaatse ook is toegestaan. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat realisering van bebouwing met een bouwhoogte van 9 m op het bouwterrein voorheen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Niet is gebleken dat voor die realisering juridische of feitelijke belemmeringen bestaan. Dat in de gemeentelijke welstandsnota is vermeld dat de bebouwing in maat, schaal en vorm dient aan te sluiten bij de gewenste bebouwingskarakteristiek en dat gestreefd wordt naar een kleinschalig bebouwingsbeeld, betekent, naar de rechtbank evenzeer met juistheid heeft overwogen, niet dat die bebouwing met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. Op voorhand valt niet uit te sluiten dat bebouwing met goot- en bouwhoogten van 4 m onderscheidenlijk 9 m aan dit beleid kan voldoen. Het betoog faalt ook voor het overige.

8. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat het schadebedrag niet inzichtelijk en op een te laag bedrag is bepaald. Hij voert aan dat de schadecommissie het bedrag niet heeft onderbouwd. Verder voert hij aan dat bij het bepalen van het planologisch nadeel ten onrechte de schadefactoren ‘verminderde zonlichttoetreding’ en ‘toename van parkeeroverlast’ niet zijn betrokken.

8.1. In het advies van de schadecommissie, in reactie op de zienswijze van [appellant], alsook in het nader advies van 5 november 2012, is vermeld dat bij de beoordeling van de schade de verslechtering van het uitzicht de bepalende schadefactor is en dat enig verlies van bezonning zou kunnen optreden, maar dit van zeer beperkte omvang zal zijn. Vermeld is voorts dat het verlies van bezonning een aan het verlies van uitzicht ondergeschikte factor is. Ook is in het advies van de schadecommissie vermeld dat het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot extra parkeeroverlast. Gelet hierop bestaat geen grond om [appellant] te volgen in het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de schadecommissie de onder 8 vermelde schadefactoren niet in zijn oordeel heeft betrokken. Door enkel te stellen dat de nieuwe planologische situatie leidt tot verlies van zonlichttoetreding in de woning en toename van de parkeerdruk heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de schadecommissie over van deze schadefactoren onjuist is. Nu [appellant] voorts niets heeft aangevoerd tegen de wijze waarop de schadecommissie de waardevermindering van het pand heeft berekend, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat het schadebedrag niet inzichtelijk en op een te laag bedrag is bepaald. Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

507/502.