Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201311599/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft het college van gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan de gemeente Venlo voor het ontgronden van een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Arcen, sectie D, nummer 2227.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 16
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/68 met annotatie van H.S. de Vries
JBO 2014/77 met annotatie van D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6781
Milieurecht Totaal 2014/498

Uitspraak

201311599/2/R4.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) in het geding tussen:

de stichting Stichting Dorp en Erfgoed Arcen, gevestigd te Arcen, gemeente Venlo,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft het college van gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan de gemeente Venlo voor het ontgronden van een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Arcen, sectie D, nummer 2227.

Tegen dit besluit heeft Stichting Dorp en Erfgoed Arcen beroep ingesteld.

Stichting Dorp en Erfgoed Arcen heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 20 februari 2014 heeft het college van gedeputeerde staten het eerdergenoemde besluit van 3 oktober 2013 gewijzigd.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting Dorp en Erfgoed Arcen en het college van burgemeester en wethouders van Venlo hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar Stichting Dorp en Erfgoed Arcen, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en R.A. Kaanen, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door D.A.L. Jongen-Trienekens zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Venlo, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en mr. L.G.M.H. Bohnen, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De vergunning voorziet in het ontgronden van voornoemd perceel tot maximaal 30 cm diepte ten behoeve van de realisatie van een waterberging om te voldoen aan de waterberging compensatie, zoals is voorgeschreven in de door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu verleende watervergunning van 3 augustus 2012. De waterberging is noodzakelijk, omdat de gemeente Venlo over wil gaan tot de bouw van een Multifunctionele Accommodatie in het inundatiegebied van de Maas, in Arcen.

3. Het college van gedeputeerde staten heeft het besluit van 3 oktober 2013 gewijzigd bij besluit van 20 februari 2014, in die zin dat bijlage 3 van het besluit van 3 oktober 2013 is vervangen door de bij het besluit van 20 februari 2014 behorende bijlage 1. Het college van gedeputeerde staten stelt mede naar aanleiding van het door Stichting Dorp en Erfgoed Arcen ingestelde beroep en verzoek om voorlopige voorziening te hebben geconstateerd dat abusievelijk een onjuiste kaart was opgenomen bij het besluit van 3 oktober 2013. Op deze kaart ontbrak de aanduiding Witfelder Dijk op dwarsprofiel C:C, waardoor volgens het college van gedeputeerde staten de bescherming van de dijk onvoldoende zeker was gesteld.

3.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge het vierde lid is artikel 6:19 van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

3.2. Het besluit van 20 februari 2014 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Niet in geschil is dat Stichting Dorp en Erfgoed Arcen belang heeft bij een beoordeling van dit besluit. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het besluit van 20 februari 2014.

4. Het college van burgemeester en wethouders stelt een spoedeisend belang te hebben om zo snel mogelijk met de voorgenomen ontgronding te kunnen beginnen.

4.1. Stichting Dorp en Erfgoed Arcen betoogt dat het spoedeisend belang is komen te vervallen, aangezien geen machtiging als bedoeld in artikel 12 van de Ontgrondingenwet is verleend en de gemeente, gelet op onder meer de uitspraak van de voorzitter van 19 september 1994, in zaak nr. F01.94.0098 (KG 1994, 446) pas met de ontgronding mag beginnen wanneer de Afdeling in de bodemprocedure uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van de verleende ontgrondingsvergunning. Volgens Stichting Dorp en Erfgoed Arcen handelt de gemeente in strijd met artikel 12 van de Ontgrondingenwet indien de gemeente direct na de uitspraak van de voorzitter met de ontgronding wil beginnen.

4.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Ontgrondingenwet kan, indien naar het oordeel van het ingevolge artikel 8, bevoegde gezag met de uitvoering van een ontgronding niet kan worden gewacht, dat gezag machtiging verlenen, om zolang op de aanvrage niet onherroepelijk is beslist, de uitvoering aan te vangen. Deze machtiging wordt niet verleend, zolang de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bedoelde termijn niet is verstreken.

Ingevolge artikel 16 treedt een beschikking op grond van hoofdstuk II van deze wet tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn afloopt voor het indienen van een bezwaarschrift, dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d of e van de Awb geen bezwaar kan worden gemaakt, van een beroepschrift. Indien gedurende de termijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

4.3. Vaststaat dat geen machtiging, als bedoeld in artikel 12 van de Ontgrondingenwet, is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 16 van de Ontgrondingenwet treedt de beschikking tot verlening van een vergunning in werking met ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn dan wel de beroepstermijn afloopt. Indien, zoals in dit geval, gedurende deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de beschikking niet in werking voordat op dat verzoek is beslist en het verzoek wordt afgewezen. Op het moment dat de vergunning in werking treedt, kan de gemeente Venlo van deze vergunning gebruik maken, ook al is deze vergunning nog niet onherroepelijk. Anders dan Stichting Dorp en Erfgoed Arcen betoogt, is daarvoor geen machtiging, als bedoeld in artikel 12 van de Ontgrondingenwet nodig.

Voor zover Stichting Dorp en Erfgoed Arcen aanvoert dat dit volgt uit de door haar genoemde uitspraak van de voorzitter, overweegt de voorzitter dat toen een andere regime van inwerkingtreding van ontgrondingsvergunningen gold. In artikel 16 van de Ontgrondingenwet, zoals deze destijds luidde, was bepaald dat de werking van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning werd opgeschort totdat de beroepstermijn was verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep was beslist. Door een machtiging als bedoeld in artikel 12 van de Ontgrondingenwet te verlenen kon worden bewerkstelligd dat al voor de uitspraak in de hoofdzaak met de ontgronding kon worden begonnen. Met het thans geldende artikel 16 van de Ontgrondingenwet is dit niet meer nodig. Nu bij afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening een machtiging als bedoeld in artikel 12 van de Ontgrondingenwet niet is vereist, is er geen reden om te concluderen dat het spoedeisend belang thans niet aanwezig is.

5. Het verzoek strekt ertoe de voornoemde besluiten van het college van gedeputeerde staten te schorsen ten einde een onomkeerbare situatie te voorkomen. Het verzoek is ingegeven door de vrees dat archeologische waarden door de ontgronding worden aangetast.

Stichting Dorp en Erfgoed Arcen voert daartoe aan dat bij de vergunningverlening onvoldoende ermee rekening is gehouden dat het te ontgronden perceel een archeologisch rijksmonument is in de zin van de Monumentenwet 1988 en dat het op grond van artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1998 verboden is zonder een monumentenvergunning een beschermd archeologisch monument te slopen, verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Er is volgens Stichting Dorp en Erfgoed Arcen geen monumentenvergunning verleend en er is geen advies gevraagd aan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Verder voert Stichting Dorp en Erfgoed Arcen aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de mogelijke samenhang tussen de archeologische monumenten Witfelder Dijk en het Aldt Huys. Met betrekking tot de onomkeerbaarheid betoogt Stichting Dorp en Erfgoed Arcen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet toereikend zijn, nu daarin ten onrechte niets is voorgeschreven over het herstellen in de huidige toestand. Volgens Stichting Dorp en Erfgoed Arcen staat niet vast dat de huidige toestand kan worden hersteld door de dekgrond weer terug aan te brengen op het perceel en dit in te zaaien met gras.

5.1. Het college van gedeputeerde staten stelt dat de voorgenomen ontgronding tot ongeveer 30 cm onder het maaiveld de Witfelder Dijk niet zal aantasten. Ter bescherming van deze weg is volgens het college van gedeputeerde staten in vergunningvoorschrift 3.4 in samenhang bezien met bijlage 1 bij het besluit van 20 februari 2014 opgenomen dat ter plaatse van de Witfelder Dijk niet of minder diep mag worden gegraven dan in het overige gedeelte van het te ontgronden perceel. Voorts stelt het college van gedeputeerde staten dat met de ontgrondingswerkzaamheden geen onomkeerbare situatie zal ontstaan. De te verwijderen laag bestaat volgens het college van gedeputeerde staten uit gras en dekgrond. De oorspronkelijke situatie kan volgens het college van gedeputeerde staten hersteld worden door de dekgrond weer aan te brengen en vervolgens gras in te zaaien.

5.2. Ten behoeve van de aanvraag om de ontgrondingsvergunning is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het te ontgronden gebied. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het door ARC B.V. opgestelde rapport "Een bureau-onderzoek en een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de Sijzenbroek te Arcen, gemeente Venlo" van 10 oktober 2012. Uit dit rapport volgt dat archeologische sporen aanwezig kunnen zijn en dat daarom wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Dit proefsleuvenonderzoek is verricht. Het college van gedeputeerde staten stelt dat uit de notitie "Beoordeling evaluatieverslag IVO-P Sijzenbroek te Arcen" van 25 februari 2013, met betrekking tot de onderzoeksresultaten van het proefsleuvenonderzoek, volgt dat het te ontgronden gebied een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevat in de vorm van de goed bewaarde en historisch bekende weg genaamd de Witfelder Dijk, maar dat voor het overige het gebied niet behoudenswaardig is en archeologisch kan worden vrijgegeven. Hetgeen Stichting Dorp en Erfgoed Arcen in het kader van onderhavige procedure heeft aangevoerd, geeft de voorzitter onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek.

5.3. Ter bescherming van de Witfelder Dijk is in de vergunning voorgeschreven dat ter plaatse van deze weg niet of minder diep gegraven mag worden. Ter zitting is door het college van gedeputeerde staten toegelicht dat weliswaar een deel van het perceel sectie D 2227, waarin het zogenoemde Aldt Huys is gelegen, is aangewezen als rijksmonument, maar dat de ontgronding plaatsvindt buiten de grenzen van dit voor het rijksmonument aangewezen deel van het desbetreffende perceel. Dit komt de voorzitter niet onaannemelijk voor.

5.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen Stichting Dorp en Erfgoed Arcen heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het verlenen van de ontgrondingsvergunning de archeologische waarden onvoldoende in de afweging zijn betrokken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is, voor zover archeologische waarden aanwezig zijn ter plaatse van het te ontgronden gebied, niet aannemelijk dat een onomkeerbare situatie zal ontstaan, nu het hier gaat om een geringe ontgronding tot ongeveer 30 cm onder het maaiveld en de deklaag weer opnieuw aangebracht kan worden.

6. De voorzitter ziet gelet op het vorenstaande, en na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Nu het college van gedeputeerde staten het besluit van 20 februari 2014 mede naar aanleiding van het door Stichting Dorp en Erfgoed Arcen ingestelde beroep en verzoek om voorlopige voorziening heeft genomen, is de voorzitter van oordeel dat het college van gedeputeerde staten op na te melden wijze in de proceskosten dient te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de stichting Stichting Dorp en Erfgoed Arcen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Alderlieste

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

590.