Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201307932/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] - 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307932/1/R3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Boekel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] - 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de erven [belanghebbende], belanghebbenden, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door drs. A.A.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn de erven [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Den Bosch, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een woonbestemming van een voormalige agrarische bedrijfswoning ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Venhorst.

3. [appellante] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat opnieuw onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de woning niet langer vanuit planologisch oogpunt moet worden aangemerkt als de agrarische bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijfsperceel aan de [locatie 2]. Voorts maakt een privaatrechtelijke splitsing volgens haar niet dat de woning planologisch niet meer als agrarische bedrijfswoning kan worden aangemerkt. Zij verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 5 maart 2008 in zaak nr. 200609279/1 en van 25 juli 2012 in zaak nr. 201109073/1/R3, waarin de woonbestemming van het perceel tweemaal is vernietigd. Het onherroepelijk worden van de bestemming "Agrarisch bouwvlak" met bedrijfswoning voor het perceel [locatie 2] leidde niet tot een ander oordeel. Voorts heeft de raad niet onderbouwd waarom, ondanks dat de woning sinds 2002 niet meer is bewoond, een woonbestemming moet worden toegekend. Het plan is volgens [appellante] verder in strijd met de provinciale Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening 2012), nu een extra burgerwoning in het buitengebied wordt bestemd, daar waar een noodzakelijke bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf niet langer wordt toegestaan. Voorts wordt overtollige bebouwing niet gesloopt.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat hij, onder meer in hoofdstuk 5 van de plantoelichting en de nota van zienswijzen, nader heeft gemotiveerd waarom geen planologische relatie meer bestaat tussen de woning aan de [locatie 1] en het agrarische bedrijf aan de [locatie 2] en waarom het gebruik als burgerwoning ter plaatse wordt toegestaan. De omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning is volgens de raad in dit geval niet in strijd met de Verordening 2012.

5. Gelet op het kaartmateriaal van de Verordening 2012 ligt het perceel in agrarisch gebied.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

Ingevolge het vierde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat:

a. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

b. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

6. Over het bestemmingsplan "[locatie 1]", waarin aan het perceel een woonbestemming was toegekend, heeft de Afdeling in de voornoemde uitspraak van 25 juli 2012 onder meer het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad opnieuw onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de woning aan de [locatie 1] niet langer vanuit planologisch oogpunt moet worden aangemerkt als de agrarische bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2]. Het standpunt van de raad dat hij de woning in overeenstemming met de feitelijke situatie als burgerwoning heeft bestemd, is daartoe onvoldoende, reeds omdat ter zitting is gebleken dat de woning sinds de beëindiging van de bewoning door de voormalige agrariërs in 2002 niet bewoond is. Ook de omstandigheid dat de woning reeds sinds 1962 een andere eigenaar heeft dan het perceel [locatie 2] is daartoe onvoldoende […]. Daarbij wijst de Afdeling er tevens op dat […] de raad zich in 1988 bij het toestaan van de tijdelijke bewoning van een agrarisch gebouw op [locatie 2] op het standpunt heeft gesteld dat de woning aan de [locatie 1] na beëindiging van het gebruik door de voormalige agrariërs, weer als bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 2] in gebruik zou moeten worden genomen. De door de raad aangevoerde omstandigheid dat ten aanzien van het agrarisch perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch bouwvlak" in het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" wel is goedgekeurd en in rechte onaantastbaar is geworden, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de eveneens agrarische bestemming van het perceel [locatie 1]."

Nu in voornoemde uitspraak het bestemmingsplan "[locatie 1]" is vernietigd, gold ter plaatse wederom het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 1987", waarin het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden A" had.

7. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hoofdstuk 5 van de plantoelichting bevat een nadere onderbouwing van het bestemmingsplan, onder meer wat betreft het standpunt van de raad dat de woning niet langer als agrarische bedrijfswoning bij het perceel [locatie 2] moet worden aangemerkt. De raad wijst erop dat de privaatrechtelijke afspraken waar in de vorige uitspraken van de Afdeling naar is verwezen, en die ten grondslag lagen aan de destijds verwachte toekomstige ingebruikname van de woning op het perceel [locatie 1] als agrarische bedrijfswoning, niet meer gelden. Voorts geldt voor het perceel [locatie 2] een in rechte onaantastbare agrarische bestemming en bouwtitel voor een bedrijfswoning. Voorts is een deel van de oorspronkelijke woning aan de [locatie 1] reeds in 1967 afgesplitst en in het bestemmingsplan "Buitengebied 2005" is dit deel bestemd als niet-agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. Er bestaat dan ook in zoverre geen noodzaak meer om de oorspronkelijke planologische status van de woning aan de [locatie 1] als agrarische bedrijfswoning te handhaven, aldus de plantoelichting. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het voorgaande, zijn gewijzigde standpunt dat de woning uit planologisch oogpunt niet langer als bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 2] moet worden aangemerkt, voldoende gemotiveerd. Voorts is de woonbestemming in de plantoelichting voldoende onderbouwd. Zo acht de raad het perceel [locatie 1] geen goede locatie voor een agrarisch bedrijf, nu gelet op de naastgelegen percelen ter plaatse geen duurzame ontwikkeling van een agrarisch bedrijf mogelijk is. Voorts wijst de raad erop dat de erven [belanghebbende], die het perceel [locatie 1] in eigendom hebben, geen agrarisch bedrijf ter plaatse wensen uit te oefenen. Voor zover [appellante] ter zitting heeft gesteld te vrezen in haar toekomstige bedrijfsuitvoering te worden beperkt overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting staat dat de woonbestemming voor het perceel [locatie 1] niet leidt tot een beperking van de huidige bedrijfsvoering van [appellante]. [appellante] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voorts is niet gebleken dat [appellante] concrete plannen tot uitbreiding kenbaar heeft gemaakt bij de raad, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden.

Voor zover [appellante] betoogt dat het plan in strijd is met de Verordening ruimte 2012 is van belang dat, anders dan [appellante] stelt, de woning niet langer noodzakelijk is als bedrijfswoning voor het bedrijf op het perceel [locatie 2]. Voorts wordt voldaan aan artikel 11.1, vierde lid, van de Verordening 2012. Er vindt geen splitsing in meerdere wooneenheden plaats in dit plan en niet is gebleken van overtollige bebouwing op het perceel [locatie 1] die dient te worden gesloopt. De bebouwing waar [appellante] op doelt, staat, zo heeft de raad ter zitting onweersproken toegelicht, op het perceel [locatie 2] en het daarop betrekking hebbend agrarisch bedrijf op dit perceel is in een onherroepelijk bestemmingsplan als zodanig bestemd.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Nu de beroepsgronden niet slagen, hoeft de Afdeling zich niet uit te spreken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb op deze beroepsgronden van toepassing is.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

429-653.