Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201308206/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8991, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om hem een tegemoetkoming in de adoptiekosten toe te kennen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308206/1/A2.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kranenburg, Duitsland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2013 in zaak nr. 13/1394 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om hem een tegemoetkoming in de adoptiekosten toe te kennen afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2014, waar [appellant] in persoon en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.E. Sipos, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het heropend en [appellant] in de gelegenheid gesteld om aanvullende opmerkingen te maken naar aanleiding van een door de Afdeling, voorafgaand aan de zitting, aan partijen verzonden, maar door hem nog niet ontvangen brief.

Bij brief van 18 maart 2014 heeft [appellant] zodanige opmerkingen gemaakt.

Bij brief van 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris, daartoe in de gelegenheid gesteld, daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen is de zaak niet opnieuw ter zitting behandeld.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: de Wobka) wordt verstaan onder

(…)

buitenlands kind: een buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarige in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke wordt of zal worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers in feite de plaats van de ouders innemen;

(…)

adoptiefouders: echtgenoten of een persoon die een buitenlands kind hebben geadopteerd;

(…).

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, aanhef en onder c, verleent de minister adoptiefouders op hun verzoek een tegemoetkoming in de kosten die zij gemaakt hebben in verband met de interlandelijke adoptie van een kind, indien de adoptie in overeenstemming met deze wet is afgerond.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende - in hoger beroep niet bestreden - feiten. [appellant] is sinds 30 juni 2008 woonachtig in Duitsland. Hij is werkzaam in Nederland en daar ook belastingplichtig. In de periode 2008 tot en met 2011 heeft hij een uit Thailand afkomstig meisje geadopteerd. De adoptieprocedure heeft plaatsgevonden in Duitsland. De adoptie is in Nederland erkend en de adoptief dochter heeft de Nederlandse nationaliteit. Het afgewezen verzoek betreft de kosten van deze adoptie.

3. De staatssecretaris heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat de adoptie niet in overeenstemming met de Wobka is afgerond, aangezien [appellant] ten tijde van de procedure niet in Nederland woonachtig was en hem dientengevolge geen beginseltoestemming is verleend, geen bemiddeling door een vergunninghouder heeft plaatsgevonden en zijn dochter niet in Nederland ter adoptie is opgenomen. Dit betekent dat artikel 9a, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet aan toekenning van een tegemoetkoming in de weg staat.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat, nu niet in geschil is dat hij niet aan de in de Wobka voor toekenning van een tegemoetkoming in de adoptiekosten gestelde eisen heeft voldaan, in het midden kan worden gelaten of een dergelijke tegemoetkoming een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, tweede lid, van Verordening nr. 492/2011, heeft miskend dat het vereiste dat de adoptie in overeenstemming met de Wobka is afgerond discriminatoir is, nu daaraan uitsluitend kan worden voldaan, indien de verzoeker om een tegemoetkoming in Nederland woonachtig is. Dit betekent dat iemand zoals hij, die weliswaar de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland werkzaam is, maar in een andere lidstaat woonachtig, nimmer voor een tegemoetkoming in de adoptiekosten in aanmerking kan komen, aldus [appellant].

4.1. De Wobka regelt uitsluitend de opneming van een buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende, minderjarige in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke wordt of zal worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden, dat de verzorgers in feite de plaats van de ouders innemen. Het meisje, waar het in deze zaak om gaat, is de biologische dochter van de Thaise echtgenote van [appellant] en zij is samen met haar moeder naar Duitsland is gekomen en bij [appellant] ingetrokken. Het meisje is aldus naar Duitsland gekomen om bij haar moeder te blijven en niet met het oog op adoptie. Voorts gaat het niet om opname in een ander gezin dan het ouderlijke, nu het meisje, voorafgaand aan de procedure die tot de adoptie heeft geleid, werd verzorgd en opgevoed in het gezin dat zij samen met [appellant] en zijn echtgenote vormde. Uit het vorenstaande volgt dat, nog daargelaten dat het meisje niet in Nederland ter adoptie is opgenomen, zij geen buitenlands kind in de zin van de Wobka is en derhalve [appellant] geen adoptiefouder in de zin van die wet. Nu ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Wobka een tegemoetkoming uitsluitend aan adoptiefouders in de zin van die wet kan worden toegekend, komt [appellant] reeds om die reden niet in aanmerking voor de gevraagde tegemoetkoming. Aan de vraag of het in artikel 9a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wobka gestelde vereiste dat de adoptie in overeenstemming met de wet is afgerond discriminatoir is, komt de Afdeling dan ook niet toe.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. R.F.B. van Zutphen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

502.