Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201307923/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/88 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

201307923/1/R3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Katwijk, gemeente Cuijk,

en

de raad van de gemeente Cuijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, en de raad, vertegenwoordigd door M.W.C. Brugman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant], die woont aan de [locatie] in Katwijk, komt in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Groen - Recreatie" voor een deel van zijn perceel. Hij voert aan dat het bouwen van gebouwen op de gronden met deze bestemming ten onrechte niet is toegestaan en dat het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, vergaand is beperkt. Ook het gebruik is volgens hem vergaand beperkt. Deze beperkingen zijn volgens [appellant] onredelijk, nu deze ertoe leiden dat zijn perceel niet efficiënt te benutten is. De raad heeft deze beperkingen volgens hem ondeugdelijk gemotiveerd. Voorts is de toegekende bestemming volgens [appellant] niet in overeenstemming met de feitelijke situatie op zijn perceel en hetgeen over de bestemming staat vermeld in de plantoelichting. [appellant] voert aan dat de raad dan ook de bestemming "Wonen - Buitengebied" aan zijn hele perceel had moeten toekennen. [appellant] voert aan dat de gronden van zijn perceel waar wel de bestemming "Wonen - Buitengebied" aan is toegekend thans, gelet op de vorm van dit plandeel, niet efficiënt te benutten zijn.

2.1. Aan het perceel van [appellant] is deels de bestemming "Groen - Recreatie" en deels de bestemming "Wonen - Buitengebied" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Groen - Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor de in dat artikel genoemde doeleinden.

Ingevolge lid 10.3, aanhef en onder c, wordt onder een gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval het gebruik van gronden verstaan voor het inrichten en gebruiken van gronden als erf bij een woning of als volkstuin.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen - Buitengebied" aangewezen gronden bestemd voor de huisvesting van een huishouden, waarbij maximaal één woning aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak.

2.2. Over de verwijzing van [appellant] naar de plantoelichting waarin staat dat aan de hoofdzakelijk landschappelijk ingerichte oevers en het gebied parallel aan de rijksweg A73 de bestemming "Groen - Recreatie" is toegekend, overweegt de Afdeling dat deze omschrijving geen limitatieve opsomming bevat. De raad heeft in redelijkheid de bestemming "Groen - Recreatie" kunnen toekennen aan een deel van de gronden van [appellant]. Daartoe is van belang dat volgens de raad de bestaande landschappelijke inrichting van de gronden binnen het plandeel met de bestemming "Groen - Recreatie" is toegestaan. Het tegendeel heeft [appellant] weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt. Van de bestaande inrichting is de raad voor de vaststelling van dit plandeel ook uitgegaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de delen van het perceel die worden gebruikt ten behoeve van wonen en erf en het deel van het perceel dat van oudsher en planologisch tot het buitengebied behoorde. De raad acht het niet wenselijk dat percelen van een aanzienlijke omvang, zoals hier aan de orde, volledig en onbeperkt kunnen worden benut ten behoeve van de daaraan deels toegekende woonbestemming. Voornoemde uitgangspunten acht de Afdeling niet onredelijk. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Groen - Recreatie" onredelijk beperkend is voor het gebruik van de gronden van [appellant].

Voorts heeft de raad het plandeel met de bestemming "Wonen - Buitengebied" naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] zodanig aangepast dat deze bestemming in westelijke richting is uitgebreid. Daarbij is het bouwvlak in het voorgaande bestemmingsplan "Heeswijkse Kampen, fase III", de bestaande tuin en het bestaande erf als uitgangspunt genomen. Vast staat dat de bestaande tuin zich bevindt in het plandeel met de bestemming "Wonen - Buitengebied". [appellant] heeft bovendien niet onderbouwd welke door hem gewenste uitvoering op zijn perceel niet mogelijk zou zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de bestemming "Wonen - Buitengebied" aan het hele perceel van [appellant] toe te kennen.

Het betoog faalt.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, van de planregels. Het gebruik van zijn gronden wordt door deze planregels volgens [appellant] ten onrechte beperkt, nu het plaatsen van kampeermiddelen voor overnachtingen door familie en kennissen hiermee niet is toegestaan.

3.1. De raad stelt dat het plaatsen van kampeermiddelen voor overnachtingen door familie en kennissen, gelet op de definitie van verblijfsrecreatie in artikel 1 van de planregels, uitdrukkelijk niet is aangemerkt als verblijfsrecreatie en derhalve binnen de bestemming "Groen - Recreatie" is toegestaan.

3.2. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder verblijfsrecreatie verstaan: het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten het hoofdverblijf, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen, in de vorm van:

- extensieve verblijfsrecreatie welke in hoofdzaak is gericht op natuurbeleving en landschapsbeleving zoals een natuurkampeerterrein en dergelijke;

- intensieve verblijfsrecreatie welke in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van verblijf en recreatieve voorzieningen op een vaste locatie, zoals recreatiewoningen, bungalowparken, campings en dergelijke.

Ingevolge lid 10.3 wordt onder een gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval het gebruik van gronden verstaan voor:

a. het plaatsen van kampeermiddelen, andere onderkomens of als dagcamping;

(…)

d. het recreatief nachtverblijf;

(…).

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor:

(…)

g. het recreatief nachtverblijf;

h. het plaatsen van kampeermiddelen, andere onderkomens of als dagcamping;

(…);

tenzij dit gebruik in de regels uitdrukkelijk is toegestaan.

3.3. Anders dan de raad kennelijk heeft beoogd volgt uit artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, van de planregels niet dat het plaatsen van kampeermiddelen voor overnachtingen bij familie en kennissen is toegestaan. Weliswaar wordt ingevolge artikel 1 van de planregels onder verblijfsrecreatie het plaatsen van kampeermiddelen voor overnachtingen bij familie en kennissen niet verstaan, maar in artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, is niet verblijfsrecreatie, maar het plaatsen van kampeermiddelen aangemerkt als strijdig gebruik. Voor het plaatsen van kampeermiddelen volgt uit artikel 1, noch enige andere planregel, niet dat het plaatsen van kampeermiddelen voor overnachtingen bij familie en kennissen hieronder niet wordt verstaan. Bovendien is ingevolge artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder d, van de planregels recreatief nachtverblijf aangemerkt als strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Groen - Recreatie". Voorts zijn recreatief nachtverblijf en het plaatsen van kampeermiddelen, ingevolge artikel 34, lid 34.1, onder g en h, van de planregels aangemerkt als strijdig gebruik. Gelet op het vorenstaande is artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin overnachtingen bij familie en kennissen in kampeermiddelen niet zijn uitgezonderd van het strijdige gebruik, vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

4. [appellant] kan zich er niet mee verenigen dat het bestaande ooievaarsnest op de gronden van zijn perceel waaraan de bestemming "Groen - Recreatie" is toegekend, niet als zodanig is bestemd. De raad heeft volgens [appellant] geen rekening gehouden met zijn belangen en de feitelijke situatie op zijn perceel. Volgens [appellant] valt niet in te zien waarom ooievaarsnesten wel binnen de bestemmingen "Wonen - Buitengebied" en "Natuur" zijn toegestaan. Voorts stelt [appellant] dat een maximale bouwhoogte van ooievaarsnesten van 7 m, zoals opgenomen in de planregels voor de bestemming "Wonen - Buitengebied", onredelijk is.

4.1. Ter zitting is vast komen te staan dat het bestaande ooievaarsnest op het perceel van [appellant] zich bevindt in het plandeel met de bestemming "Groen - Recreatie".

Ingevolge artikel 10, lid 10.2, onder 10.2.2, aanhef en sub a, is het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan, onder voorwaarde dat:

a. de bouwhoogte maximaal 3,5 m mag zijn, met uitzondering van:

1. erf- en perceelsafscheidingen waarvan de bouwhoogte maximaal 2 m mag zijn;

2. lichtmasten, verlichtingsarmaturen en vlaggenmasten waarvan de bouwhoogte maximaal 10 m mag zijn;

b. de inhoud maximaal 25 m³ mag zijn.

4.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ooievaarsnesten binnen de bestemming "Natuur" wel zijn toegestaan, omdat hiermee natuurwaarden worden gestimuleerd. Voorts zijn ooievaarsnesten binnen de bestemming "Wonen - Buitengebied" toegestaan, omdat deze vaak voorkomen bij woningen. Deze standpunten acht de Afdeling niet onredelijk. Wat betreft het bestaande ooievaarsnest op het perceel van [appellant] heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hiervoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning kan worden verleend. Nu de raad gelet op dit standpunt het bestaande ooievaarsnest ruimtelijk niet onaanvaardbaar vindt, had het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van de raad gelegen te bezien of het als zodanig kan worden bestemd en daarvoor indien mogelijk een passende planregeling vast te stellen. Door dit na te laten heeft de raad het bestreden besluit ook in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Voor zover [appellant] een maximale bouwhoogte van 7 m voor ooievaarsnesten onredelijk vindt, overweegt de Afdeling als volgt. De raad stelt dat voor de maximale bouwhoogte van 7 m is aangesloten bij de maximale bouwhoogte die geldt voor ooievaarsnesten in het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Voor een hogere bouwhoogte moet een aparte afweging worden gemaakt bij het eventueel toepassen van de afwijkingsbevoegdheid. Voorts wijst de raad erop dat volgens de Stichting Ooievaars Reserach & Knowhow een ooievaarsnest, afhankelijk van de aanvliegroute, met een hoogte vanaf 4 m tot 8 m voldoende is. De maximale bouwhoogte van 7 m is volgens de raad dan ook gangbaar voor ooievaarsnesten. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk.

Het betoog slaagt.

5. [appellant] komt in beroep tegen de vaststelling van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" voor zijn perceel. De raad heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarop de archeologische verwachtingswaarde is gebaseerd. In artikel 31, lid 31.2, onder 31.2.1, van de planregels is volgens hem dan ook ten onrechte bepaald dat ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken een archeologisch rapport dient te worden overgelegd, hetgeen kosten meebrengt. Voorts is dit artikel volgens [appellant] niet noodzakelijk voor zijn gronden, nu daar geen bouwwerken als genoemd in dit artikel zijn toegestaan.

5.1. Ingevolge artikel 31, lid 31.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 5" aangewezen gronden, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

Ingevolge lid 31.2, onder 31.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

5.2. Op het gemeentebestuur rust ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting staat dat volgens het Archeologisch Beleidsplan Cuijk (hierna: het beleidsplan) in de gemeente Cuijk archeologische waarden te verwachten zijn uit de Romeinse tijd, de Prehistorie en de late Middeleeuwen. In het beleidsplan staat voorts hoe in het kader van bestemmingsplannen met deze waarden dient te worden omgegaan. De raad heeft zich voor het bestemmen van bepaalde gebieden als "Waarde - Archeologie 5" gebaseerd op de bij het beleidsplan behorende archeologische kaart. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze archeologische kaart zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet op heeft mogen baseren. Gelet hierop is de noodzaak tot het bestemmen van bepaalde gebieden als "Waarde - Archeologie 5" voldoende gemotiveerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" heeft kunnen toekennen aan het perceel.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid artikel 31, lid 31.2, onder 31.2.1, van de planregels heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het overleggen van een rapport niet noodzakelijk is voor bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m² en minder diep dan 0,5 m. Dat bouwwerken met deze oppervlakte thans niet kunnen worden gebouwd op de gronden van [appellant], betekent niet dat deze planregel zinledig is. De bestemming "Waarde - Archeologie 5" is tevens toegekend aan gronden waar bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m wel kunnen worden opgericht. Voorts valt niet uit te sluiten dat bij gewijzigde eigendomsverhoudingen dergelijke bouwwerken in de toekomst wel mogelijk zijn.

Het betoog faalt.

6. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met artikel 34, lid 34.1, aanhef en onder i, en lid 34.4, onder 34.4.1, aanhef en sub c, van de planregels. Volgens hem wordt het gebruik van zijn gronden door deze bepalingen onevenredig beperkt. De raad heeft de noodzaak voor deze beperking onvoldoende gemotiveerd. Voorts voert hij aan dat artikel 36, aanhef en onder f, sub 1, van de planregels onevenredig beperkend is.

6.1. Ingevolge artikel 34, lid 34.1, aanhef en onder i, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor paardenbakken, tenzij dit gebruik in de regels uitdrukkelijk is toegestaan.

Ingevolge lid 34.4, onder 34.4.1, aanhef en sub c, is in de bestemmingen waarin een woning is toegestaan of na een omgevingsvergunning mogelijk kan worden gemaakt, ondergeschikt aan deze bestemmingen de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis toegestaan als medegebruik toegestaan, onder voorwaarde dat het medegebruik niet is toegestaan in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk.

Ingevolge artikel 36, aanhef en onder f, sub 1, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels en de verbeelding en toestaan dat een paardenbak wordt gebouwd en gebruikt, onder de voorwaarde dat de paardenbak wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak waarbij de paardenbak wordt gerealiseerd.

6.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat een paardenbak in ruimtelijke opzicht bij de betrokken woning hoort. De raad kent meer gewicht toe aan het belang bij concentratie van aan het wonen gerelateerde activiteiten bij de woning zelf om verrommeling van het buitengebied te voorkomen, dan de wens van [appellant] om een paardenbak op afstand van het plandeel met de bestemming "Wonen - Buitengebied" voor zijn gronden te realiseren. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

Over de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis als medegebruik stelt de raad zich op het standpunt dat het beroep en bedrijf van zodanige aard moeten zijn dat ze in de woning zelf uitgeoefend moeten worden om een te grote impact op de woonomgeving, hetgeen de raad onwenselijk acht, te voorkomen. De raad vreest dat de uitoefening van een beroep of bedrijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot een zelfstandige activiteit uitgroeit. Ook dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Dat, zoals [appellant] betoogt, de uitoefening van een bedrijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet zonder meer leidt tot een grote impact op de woonomgeving doet hier niet aan af. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze planregeling voor alle bestemmingsplannen in de gemeente Cuijk dezelfde is en de raad wil hiervoor dan ook een uniform beleid, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk is.

Het betoog faalt.

7. [appellant] komt voorts in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Natuur" voor de gronden die grenzen aan zijn perceel. Deze bestemming komt volgens hem niet overeen met de feitelijke situatie ter plaatse. De raad heeft het bestreden besluit op dit punt volgens hem onvoldoende gemotiveerd.

7.1. De raad stelt dat de toegekende bestemming "Natuur" in overeenstemming is met de inrichting van de gronden binnen dit plandeel als landschapsgebied.

7.2. Aan een deel van de gronden grenzend aan het perceel van [appellant] is de bestemming "Natuur" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden;

b. het behoud, herstel en versterking van de biotoop van de das in het bijzonder;

c. extensieve beweiding;

(…).

7.3. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij vreest voor het verlies van uitzicht op de Kraaijenbergse Plassen vanaf zijn perceel. De raad heeft ter zitting toegelicht dat een groot deel van de noordoever van de Kraaijenbergse Plassen is bestemd als Recreatie strand. Het overige deel van de oever, waar de gronden met de bestemming "Natuur" liggen die grenzen aan het perceel van [appellant], is aangewezen als natuurstrook. Dit is volgens de raad gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals neergelegd in de notitie Kraaijenbergse Plassen. Hierin staat het voornemen de gronden aan de oever van de Kraaijenbergse Plassen te ontwikkelen ten behoeve van natuur. [appellant] heeft deze toelichting van de raad ter zitting niet bestreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de uitgangspunten in voornoemd gemeentelijk beleid dan aan het belang van [appellant] bij het behoud van zijn huidige uitzicht op de Kraaijenbergse Plassen. De stelling van [appellant] ter zitting dat ter plaatse alleen zand en stenen liggen, doet daar, wat hier ook van zij, niet aan af. Daartoe is van belang dat de raad zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de bestemming "Natuur", naast het behoud en herstel, mede is gericht op de ontwikkeling van natuur- en landschappelijke waarden. Het betoog faalt.

8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin overnachtingen bij familie en kennissen in kampeermiddelen niet zijn uitgezonderd van het strijdige gebruik, en voor zover het bestaande ooievaarsnest op het perceel [locatie] niet als zodanig is bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 10 juni 2013 van de raad van de gemeente Cuijk tot vaststelling van het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen" voor zover:

a. het betreft artikel 10, lid 10.3, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover daarin overnachtingen bij familie en kennissen in kampeermiddelen niet zijn uitgezonderd van het strijdige gebruik;

b. het bestaande ooievaarsnest op het perceel [locatie] in Katwijk, gemeente Cuijk, niet als zodanig is bestemd;

III. draagt de raad van de gemeente Cuijk op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van de onder II genoemde planonderdelen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Cuijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.021,34 (zegge: duizendeenentwintig euro en vierendertig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Cuijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

429-653.