Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201307939/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2013, kenmerk 77-2013, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord-Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/429

Uitspraak

201307939/1/R2.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Apeldoorn,

2. [appellant sub 2], wonend te Apeldoorn,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Apeldoorn,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Apeldoorn,

en

de raad van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013, kenmerk 77-2013, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Noord-Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 4], bijgestaan door T.H.J. Evers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Kelderhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door K.A.P.J.E. Weren, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan is een hoofdzakelijk conserverend plan voor het buitengebied ten noordoosten van Apeldoorn. Enige reeds voorziene ontwikkelingen in dit gebied zijn eveneens opgenomen in dit plan.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de aanduiding "karakteristiek" die in het plan is toegekend aan de gronden aan de [locatie a], te [plaats] Hij stelt dat een dergelijke aanduiding een aantasting vormt van zijn eigendomsrecht en een onevenredige beperking legt op de gebruiks- en verbouwmogelijkheden van het pand dat hier staat. Verder stelt [appellant sub 1] dat het pand niet langer authentiek of beeldbepalend is voor de omgeving. In verband hiermee wijst hij op twee moderne woningen in de directe nabijheid van het pand. Volgens hem is geen rekening gehouden met de woning ten zuiden van het pand die nog niet was opgericht ten tijde van de beoordeling van het pand als "karakteristiek".

3.1. De raad stelt dat in het plan panden zijn aangewezen als karakteristiek met het oogmerk om cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken tegen sloop te beschermen. Gelet op dit doel acht de raad enige inperking van het eigendomsrecht aanvaardbaar. Verder stelt de raad dat het pand voldoet aan de criteria waardoor het pand beschermenswaardig is.

3.2. Blijkens de plantoelichting is met het plan onder meer beoogd om panden met een aanzienlijke cultuurhistorische en ruimtelijke waarde te beschermen. Hiertoe is in het plan een vergunningplicht opgenomen voor het geheel of gedeeltelijk slopen van als "karakteristiek" aangeduide cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Bij de voorbereiding van het plan is in opdracht van de raad een inventarisatie en waardering gemaakt van de panden in het plangebied die voor bescherming middels de aanduiding "karakteristiek" in aanmerking komen. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen hebben locatiebezoeken plaatsgevonden en is voor zover nodig de inventarisatie aangepast. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Ruimtelijke en cultuurhistorische waardering van de karakteristieke bebouwing van het bestemmingsplangebied ‘Buitengebied Noordoost’, Apeldoorn", opgesteld door het bureau Van Meijel - adviseurs in cultuurhistorie (hierna: het rapport) uit 2013. Blijkens de plantoelichting beschouwt de raad panden met een hoge totaalwaarde, die is samengesteld uit de ruimtelijke waarde, de historische waarde en de objectwaarde, als zodanig cultuurhistorisch waardevol dat deze in aanmerking komen voor de aanduiding "karakteristiek".

3.3. De Afdeling overweegt dat in het rapport staat dat het pand aan de [locatie a] een hoge totaalwaarde heeft. Bij de waardering in het rapport is rekening gehouden met de omstandigheid dat het pand niet langer volledig authentiek is. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van het locatiebezoek op 14 maart 2013, toen de woning ten zuiden van het pand reeds was opgericht, het rapport is aangepast met het oog op de aanwezige bebouwing in de omgeving. Gelet hierop is uit hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat de waardering die in het rapport is gegeven aan dit pand onjuist is. De raad heeft zich dan ook hierop kunnen baseren bij de in het plan opgelegde beperking om het pand aan de [locatie a] te slopen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemene belang dat is gediend met het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, dan aan het belang van [appellant sub 1]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat geen vergunningplicht bestaat voor de door [appellant sub 1] gewenste wijziging van de inrichting van het pand, doch slechts voor de sloop van het pand.

3.4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] betoogt dat de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houthandel" ten onrechte niet slechts is toegekend aan het plandeel dat ziet op het perceel aan de [locatie b] te Apeldoorn, maar ook aan de plandelen die zien op de percelen aan de Woudhuizerweg 91 en 93. Hierdoor ontstaat een rechtsonzekere situatie, aldus [appellant sub 2] .

4.1. De Afdeling stelt vast dat in het plan de bestemming "Wonen" is toegekend aan de percelen aan de [locaties c] en [locatie b]. Slechts aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie b] is tevens de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - houthandel" toegekend. Het betoog van [appellant sub 2] mist derhalve feitelijke grondslag.

4.2. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

5. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de aanduiding "karakteristiek" die in het plan is toegekend aan de gronden aan de [locatie d], te [plaats]. Hij stelt dat de aanduiding hem onevenredig beperkt in zijn gebruiksmogelijkheden, nu hij voornemens is het pand wegens de slechte staat hiervan te slopen en te herbouwen. Ten aanzien van de waardering van het pand als karakteristiek pand stelt hij dat hieraan een te hoge waardering is toegekend en dat bij de waardering ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersonveilige situatie rondom het pand.

5.1. De raad stelt dat bij de waardering van het pand als karakteristiek rekening is gehouden met enkele wijzigingen ten opzichte van de authentieke bebouwing. Ten aanzien van de verkeerssituatie ter plaatse van het pand stelt de raad dat dit geen rol speelt bij de cultuurhistorische waardering van het pand, maar dat de verkeerssituatie is betrokken in de integrale ruimtelijke afweging van het plan.

5.2. De Afdeling overweegt dat in het hiervoor onder 3.2 genoemde rapport staat dat het pand aan de [locatie d] een hoge totaalwaarde heeft. In het rapport is rekening gehouden met de omstandigheid dat het pand niet langer volledig authentiek is. Ten aanzien van de stelling dat bij de bepaling van de waarde van het pand ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeerssituatie ter plaatse, acht de Afdeling de keuze van de raad redelijk om de verkeerssituatie niet te betrekken bij de beoordeling van de cultuurhistorische waarde van het pand, maar bij de integrale ruimtelijke afweging van het plan. Uit hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, blijkt niet dat de toegekende waardering in het rapport onjuist is. De raad heeft zich dan ook hierop kunnen baseren bij de in het plan opgelegde beperking om het pand aan de [locatie d] te slopen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het algemene belang dat is gediend met het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken, dan aan het belang van Van [appellant sub 3].

5.3. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

6. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" die is toegekend aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel ten zuiden van het agrarisch bedrijf aan de [locatie e] te [plaats]. Hij stelt dat de recreatiewoning op het desbetreffende perceel is opgericht zonder omgevingsvergunning voor het bouwen en dateert van na de peildatum van het vorige plan voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht. Ook stelt hij dat het gebruik van de woning als recreatiewoning in strijd was met het vorige bestemmingsplan. De raad gaat er volgens hem dan ook ten onrechte van uit dat de recreatiewoning beschermd werd door het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan. Voorts stelt [appellant sub 4] dat het toekennen van een bestemming om een recreatiewoning te realiseren in strijd is met provinciale regelgeving. Ten slotte vormt de recreatieve bestemming een belemmering voor de door hem gewenste en door het plan mogelijk gemaakte uitbreiding van zijn agrarisch bedrijf, omdat de recreatiewoning binnen de geurcontour van dierverblijven kan komen te staan, aldus [appellant sub 4].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de woning bescherming toekwam onder het overgangsrecht van het vorige plan, zodat niet handhavend kon worden opgetreden. Mede om die reden is volgens de raad de toegekende bestemming niet in strijd met provinciale regelgeving, omdat hierin wordt toegestaan om bestaande rechten te respecteren. Ten aanzien van mogelijke geurhinder stelt de raad dat indicatieve berekeningen uitwijzen dat het agrarisch bedrijf aan de [locatie e] gebruik kan maken van het gehele bouwvlak, zonder dat hinder ontstaat voor de recreatiewoning. De uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf komen dan ook niet in gevaar, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 5 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland van de provincie Gelderland (hierna: de Verordening) worden in een bestemmingsplan recreatiewoningen slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, is het bepaalde in deze Verordening niet van toepassing op ten tijde van de inwerkingtreding van deze Verordening reeds bestaande rechten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, zijn als bestaande rechten aan te merken rechten op grond van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, inclusief de daarin opgenomen vrijstellings-, wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, voor zover dat plan door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd.

Ingevolge artikel 5.2 van de voorschriften van het vorige bestemmingsplan, voor zover hier van belang, mochten bouwwerken, of delen van bouwwerken, welke op het tijdstip van ter visie legging van het ontwerp van dit plan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning kunnen worden gebouwd, en welke afwijken van het plan:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits daardoor de kwantitatieve afwijking niet wordt vergroot en de aard van het bouwwerk niet worden veranderd;

b. geheel worden vernieuwd, indien zij door een calamiteit mochten zijn teniet gegaan, mits de aanvraag om een bouwvergunning wordt ingediend binnen twee jaren na de dag waarop de calamiteit eindigde.

6.3. Niet in geschil is dat de recreatiewoning op het perceel ten zuiden van de [locatie e] is opgericht zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Anders dan waarvan de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan, was handhavend optreden wegens het bouwen zonder vergunning, waarmee het recreatieve gebruik van de bebouwing ook zou zijn beëindigd, dan ook mogelijk. Immers, ook als wordt aangenomen dat de recreatiewoning op de peildatum van de overgangsbepalingen in het vorige bestemmingsplan, zoals opgenomen in artikel 5.2 van de planvoorschriften, aanwezig was, laat dit onverlet dat dat overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschafte of anderszins de bouw legaliseerde.

Gelet op het voorgaande biedt artikel 27 van de Verordening geen aanknopingspunt voor het standpunt van de raad dat de bestaande bebouwing kan worden aangemerkt als een bestaand recht als bedoeld in de Verordening. Nu de locatie waaraan de bestreden bestemming is toegekend niet een locatie is waar op grond van de Verordening ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd, is het plan in zoverre in strijd met artikel 5 van de Verordening. Het betoog slaagt.

6.4. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond. Het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" dat betrekking heeft op het perceel ten zuiden van het agrarisch bedrijf aan de [locatie e] te [plaats], dient wegens strijd met artikel 5 van de Verordening te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 4] geen bespreking meer.

Conclusie en proceskostenveroordeling

7. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

8. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 11 juli 2013, kenmerk 77-2013, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" dat ziet op het perceel ten zuiden van de [locatie e];

III. draagt de raad van de gemeente Apeldoorn op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1017,54 (zegge: duizendzeventien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Apeldoorn aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

723.