Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201307688/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Twello Noordoost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307688/1/R3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Twello, gemeente Voorst,

en

de raad van de gemeente Voorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Twello Noordoost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door N. Oostermeijer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van der Plank, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zijn gronden aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Twello. Hij betoogt dat de bebouwing aan de [locatie 2] ten onrechte niet als burgerwoning is bestemd en voert daartoe aan dat de bebouwing op dit perceel al geruime tijd als zelfstandige woning wordt gebruikt. [appellant] wijst in dit verband op een scheidingsakte van 26 december 1935, een koopakte van 20 januari 1977 en verschillende huurovereenkomsten voor de woning aan de [locatie 2]. Voorts blijkt volgens [appellant] uit gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie dat de bebouwing aan de [locatie 2] al geruime tijd als zelfstandige woning wordt gebruikt. [appellant] stelt verder dat nooit handhavend is opgetreden tegen dit gebruik, hetgeen volgens hem ook niet mogelijk was, omdat dit gebruik onder het overgangsrecht uit het voorgaande bestemmingsplan "Twello Noord" is gebracht. Volgens hem is niet duidelijk op welke gegevens de raad zijn stelling baseert dat aan de [locatie 2] geen zelfstandige woning staat. De motivering van de raad dat het toekennen van een woonbestemming aan de [locatie 2] leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de [locatie 1] is volgens [appellant] ondeugdelijk, omdat meer woningen op korte afstand staan van dit bedrijf.

[appellant] kan zich voorts niet verenigen met de omvang van het bouwvlak voor het perceel [locatie 1] en de wijze van bestemmen van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf op dit perceel. Volgens hem is de grootte van het bouwvlak ten onrechte verkleind ten opzichte van het voorgaande plan, hetgeen niet strookt met het conserverende karakter van het plan. Voorts zijn niet alle bedrijfsactiviteiten als zodanig bestemd. [appellant] wijst erop dat hij ter plaatse een bouw- en aannemersbedrijf en een timmerfabriek exploiteert.

2.1. De raad stelt dat bij het gemeentebestuur geen gegevens bekend zijn die erop wijzen dat aan de [locatie 2] een zelfstandige woning wordt bewoond. Volgens de raad heeft sinds 2002 niemand aan de [locatie 2] gewoond. Gelet hierop is het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Twello Noord" uitgewerkt. De bebouwing op deze gronden maakt volgens de raad deel uit van de bedrijfswoning aan de [locatie 3], hetgeen planologisch is vastgelegd. Voorts zou het toekennen van een woonbestemming aan de [locatie 2] kunnen leiden tot een belemmering van de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de [locatie 1] nu niet aan de voor een bedrijf in milieucategorie 3.1 geldende richtafstand van 50 m kan worden voldaan.

De raad stelt voorts dat de bestaande bedrijfsbebouwing staat binnen het toegekende bouwvlak. Binnen het bouwvlak in het voorgaande plan was volgens de raad reeds niet veel ruimte voor uitbreiding. Gezien de ligging van het bedrijf in een woonomgeving acht de raad een uitbreiding niet wenselijk. Voorts had [appellant] volgens de raad ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen tot uitbreiding. De raad heeft dan ook aanleiding gezien de onbenutte bouwmogelijkheden niet over te nemen in het plan. Voorts stelt de raad dat de bestaande bedrijfsactiviteiten in het plan zijn toegestaan.

2.2. Aan het plandeel aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Aan de gronden aan de [locatie 1] zijn verder de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf" en "bouwvlak" toegekend. Aan de gronden aan de [locatie 2] en [locatie 3] is verder de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven tot en met categorie 2 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 van de planregels.

Ingevolge het bepaalde onder b, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf" tevens bestemd voor een bouwbedrijf met SBI-code 41, 42 of 43 uit ten hoogste categorie 3.1 van de bij het plan behorende standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het bepaalde onder d, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" bestemd voor een bedrijfswoning.

Ingevolge lid 5.2, onder a, sub 1, mogen op de voor "Bedrijf" aangewezen gronden gebouwen worden gebouwd en geldt de regel dat gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen worden gebouwd.

2.2.1. In het vorige bestemmingsplan "Twello Noord" was aan het plandeel voor de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] de bestemming "Handel en bedrijf I" toegekend. Het voorafgaand aan de goedkeuring van dat plan aangevangen gebruik van de bebouwing aan de [locatie 2] als burgerwoning was in strijd met deze bestemming.

Ingevolge artikel 55 van de planvoorschriften van dat plan mag het gebruik, dat ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van in het plan begrepen gronden en opstallen in afwijking van het plan werd gemaakt, worden voortgezet.

2.2.2. Over de bebouwing aan de [locatie 2] overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat tussen 2002 en 2013 geen bewoning van het pand aan de [locatie 2] plaatsvond. [appellant] betoogt dat dit komt door overmacht, omdat het pand gekraakt zou zijn en stelt dat om deze reden moet worden uitgegaan van voortgezet gebruik. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 27 juli 2005, in zaak nr. 200405274/1, en van 17 juli 2013, in zaak nr. 201206446/1/R2) betekent een onderbreking van het gebruik op zichzelf nog niet dat dit gebruik na de hervatting ervan, voor de toepassing van het overgangsrecht niet langer is aan te merken als voortgezet gebruik. Of daarvan sprake is hangt af van de duur en de oorzaak van de onderbreking en de door de betrokkene getoonde intentie het gebruik voort te zetten. In aanmerking genomen dat verwezenlijking van de in het bestemmingsplan aan het perceel toegekende bestemming voorop staat, kan na een onderbreking van een zo lange duur als hier aan de orde, in beginsel geen aanspraak meer worden ontleend aan de beschermende werking van het overgangsrecht. Voor een uitzondering daarop kan slechts aanleiding bestaan indien degene die zich op het overgangsrecht beroept aan de hand van objectieve en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de onderbreking verband houdt met zodanige bijzondere omstandigheden dat ondanks de lange duur van die onderbreking moet worden uitgegaan van blijvend voortgezet gebruik. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan ondanks de onderbreking van het gebruik van meer dan tien jaar, uitgegaan moet worden van blijvend voortgezet gebruik. De vonnissen waar hij naar verwijst van de rechtbank Zutphen inzake een huur- en een koopovereenkomst tussen [appellant] en de voormalige bewoner van de [locatie 3] en de voormalige bestuurder van het bedrijf aan de [locatie 1] zijn daarvoor onvoldoende. Voorts heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij niet op de hoogte was van de intentie van [appellant] om het gebruik als burgerwoning weer voort te zetten. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bestaand gebruik als woning dat andermaal onder het overgangsrecht is gebracht.

Voorts grenst de bebouwing aan de [locatie 2] direct aan het bouwvlak van het bedrijf aan de [locatie 1]. De Afdeling stelt vast dat weliswaar meer woningen staan binnen de richtafstand van 50 m vanaf dit bouwvlak, maar dat een woning aan de [locatie 2] maatgevend zou zijn voor de invloed van de woningen op de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de [locatie 1]. Dit zou immers de burgerwoning op de kortste afstand zijn. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de [locatie 1] zou kunnen worden beperkt door het toekennen van een woonbestemming aan de [locatie 2].

Het betoog faalt.

2.2.3. Over de omvang van het bouwvlak voor het perceel [locatie 1] overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft in overeenstemming met het conserverende karakter van het plan de bestaande bedrijfsbebouwing van het bedrijf aan de [locatie 1] als zodanig bestemd. Voorts heeft de raad het, gelet op de bestaande woningen op korte afstand van het bedrijf, niet wenselijk geacht om in het plan uitbreidingsruimte voor het bedrijf op te nemen. Voorgaande standpunten acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij is van belang dat [appellant] ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat hij ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen tot uitbreiding kenbaar heeft gemaakt bij de raad. Bovendien bestond er in het vorige plan nauwelijks uitbreidingsruimte voor zijn bedrijf. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het bouwvlak in zijn huidige omvang heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

2.2.4. Over de wijze van bestemmen van de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf op het perceel [locatie 1] overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] exploiteert een bouw- en aannemersbedrijf op dit perceel.

In de Staat van Bedrijfsactiviteiten valt alleen een aannemersbedrijf met werkplaats van minder dan 1000 m² in categorie 2 als bedoeld in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het bestaande bedrijf kleiner is dan 1000 m². [appellant] heeft dit erkend. Gelet hierop valt het aannemersbedrijf in categorie 2 en is het ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels als zodanig bestemd.

Gelet op de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf" is het bouwbedrijf eveneens als zodanig bestemd.

Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht vallen de timmerwerkzaamheden van [appellant] onder de reguliere werkzaamheden van een bouw- en aannemersbedrijf en zijn deze in zoverre in het plan toegestaan. Voor zover [appellant] met zijn beroep een planregeling beoogt voor een zelfstandige timmerfabriek, overweegt de Afdeling dat hij dit niet in zijn zienswijze heeft aangegeven. De raad heeft hiermee bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening hoeven te houden. Voorts was een zelfstandige timmerfabriek in het vorige plan niet toegestaan. De raad heeft het plan ook in zoverre niet onzorgvuldig vastgesteld.

Het betoog faalt.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

429-653.