Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201302498/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:361, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302498/1/A1.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2013 in zaak nr. 12/1711 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 14 juni 2012 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft bij besluit van 12 juni 2013 het besluit van 14 juni 2012 ingetrokken. Voorts heeft zij bij besluit van 10 juli 2013 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist en dit bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant] heeft gronden aangevoerd tegen het besluit van 10 juli 2013.

De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 20 juli 2013 bij haar ingediende beroepschrift aan de Afdeling doorgezonden.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2013, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

Overwegingen

1. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2. Het CBR heeft bij besluit van 12 juni 2013 het besluit van 14 juni 2012 ingetrokken. De Afdeling verstaat daaronder dat het CBR dit besluit heeft herroepen. Het CBR heeft voorts bij besluit van 10 juli 2013 inhoudelijk op het bezwaar van [appellant] beslist en dit bezwaar ongegrond verklaard. Derhalve heeft [appellant] geen belang meer bij de beoordeling van het oordeel van de rechtbank dat het CBR het bezwaar van [appellant] bij het besluit van 14 juni 2012 terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop bestaat, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht echter uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In dit geval is, zoals ter zitting door [appellant] is bevestigd, geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Bij besluit van 12 juni 2013 heeft het CBR het besluit van 14 juni 2012 ingetrokken. Bij besluit van 10 juli 2013 heeft het CBR het besluit van 14 juni 2012 vervangen. Het besluit van 12 juni 2013 is, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geen onderwerp van dit geding, nu partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 10 juli 2013 wordt, gelet op voornoemde artikelen, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld, aldus die bepaling.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMG, indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht, als bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III.

Bijlage 1, onderdeel A, noemt als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid onder meer:

[…]

III. Rijgedrag

[…]

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

(..)

c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het "hand held bellen";

[…]

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

(..)

e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

(..)

g. het negeren van een rood verkeerslicht;

(..)

6. Het CBR heeft het bij besluit van 10 juli 2013 gehandhaafde besluit genomen naar aanleiding van een mededeling van de korpschef van de Regiopolitie Noord-Holland Noord van 19 januari 2012 als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 dat [appellant] op 4 januari 2012 als bestuurder van een motorvoertuig afwijkend rijgedrag heeft vertoond Volgens het daarbij gevoegde mutatierapport van 4 januari 2012 (hierna: het mutatierapport) reed [appellant] over de Westtangent en reed hij op, terwijl het verkeerslicht nog rood was, sloeg hij linksaf de Zuidtangent op richting spoorweg, gaf hij daarbij geen richting aan en was ook het verkeerslicht voor links afslaand verkeer rood. Verder staat in het mutatierapport onder meer dat [appellant] aan het bellen was (niet handsfree).

Het CBR heeft bij het besluit van 10 juli 2013 voorts het proces-verbaal van bevindingen van 6 augustus 2012 (hierna: het proces-verbaal) betrokken. In dit proces-verbaal staat dat de verbalisant op de Westtangent stond te wachten voor de verkeerslichten met de Zuidtangent te Heerhugowaard en hij voorgesorteerd stond voor de stopstreep om linksaf te slaan. De verbalisant zag de verkeerslichten voor linksaf rood branden en het verkeerslicht voor rechtdoor groen branden, zag dat een personenauto aan kwam rijden en voor hem voor de stopstreep ging staan. Voorts zag hij de bestuurder geen richtingaanwijzer aanzetten om kenbaar te maken aan het overige wegverkeer wat zijn bedoelingen waren en welke richting hij op wilde rijden en dat hij een mobiele telefoon in zijn linkerhand vasthield. In het proces-verbaal staat dat de personenauto vervolgens op trok en over het kruispunt de Zuidtangent op stak, terwijl het verkeerslicht voor linksaf nog steeds rood brandde. De verbalisant zag het tegemoet komende verkeer nog steeds rijden en zag dat de personenauto’s behoorlijk hard moesten remmen om een verkeersongeval te voorkomen.

7. [appellant] betoogt dat het CBR het besluit niet op het proces-verbaal heeft mogen baseren. [appellant] wijst er in dit kader op dat de verbalisant alvorens het proces-verbaal van 6 augustus 2012 op te maken bij [appellant] thuis op bezoek is geweest om het gebeurde op 4 januari 2012 met [appellant] door te spreken, hetgeen er op duidt dat hij de situatie niet helder meer voor ogen had, en dat het proces-verbaal afwijkt van hetgeen in het besluit van

20 februari 2012 is opgenomen ten aanzien van het aantal stoplichten dat door [appellant] werd genegeerd. [appellant] voert voorts aan dat in het proces-verbaal onjuistheden staan. [appellant] stelt onder meer dat in het proces-verbaal ten onrechte staat dat personenauto’s behoorlijk moesten remmen om een verkeersongeval te voorkomen en dat de verbalisant als eerste voorgesorteerd stond vóór de stopstreep voor linksaf. [appellant] stelt verder dat hij ten onrechte voorgesorteerd voor rechtdoor stond, terwijl hij linksaf moest, dat hij de auto links van hem een seintje heeft gegeven en voor deze auto is gaan staan om te vertrekken zodra die andere auto aanstalten maakte, en dat hij in deze situatie, anders dan in het proces-verbaal staat vermeld, onmogelijk het verkeerslicht kon zien door voorover te buigen.

7.1. Niet in geschil is dat een mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994, is gedaan, omdat bij de verbalisant het vermoeden bestond dat [appellant] niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid. Dit vermoeden is bij de verbalisant gerezen op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn omschreven in het mutatierapport en het proces-verbaal van 6 augustus 2012.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200608918/1) kan een vermoeden als bedoeld in vorengenoemd artikel worden gebaseerd op een mutatierapport. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200905705/1/H3), dient in beginsel van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal te worden uitgegaan.

7.2. Hetgeen [appellant] aanvoert biedt geen grond voor het oordeel dat de in het mutatierapport en het proces-verbaal opgenomen waarnemingen die ten grondslag liggen aan het opleggen van de EMG niet juist zouden zijn.

De enkele omstandigheid dat de verbalisant voor het opmaken van het proces-verbaal bij [appellant] thuis op bezoek zou zijn geweest om de gebeurtenissen op 4 januari 2012 te bespreken, doet, wat daar verder van zij, niet af aan de waarnemingen zoals weergegeven in het mutatierapport en brengt voorts niet met zich dat de inhoud van het proces-verbaal niet juist is. Dat in het besluit van 20 februari 2012 is vermeld dat zowel het stoplicht voor linksaf als het stoplicht voor rechtdoor op rood stonden, terwijl in het proces-verbaal is opgenomen dat het stoplicht voor linksaf op rood en het stoplicht voor rechtdoor op groen stond, doet verder niet af aan de waarneming in het mutatierapport en het proces-verbaal dat [appellant] door het rode stoplicht voor linksaf is gereden.

De enkele stelling van [appellant] dat, anders dan in het proces-verbaal is vermeld, een personenauto en niet de verbalisant als eerste voorgesorteerd stond voor de stopstreep voor linksaf, is voorts, wat daar verder van zij, onvoldoende voor het oordeel dat de in het proces-verbaal opgenomen waarnemingen van de verbalisant ten aanzien van de gedragingen van [appellant] die ten grondslag liggen aan het opleggen van de EMG niet juist zijn. Het betoog van [appellant] dat hij voorbij de stopstreep voor linksaf stond en hij in die situatie onmogelijk het verkeerslicht kon zien door voorover te buigen heeft voorts geen betrekking op die waarnemingen. Nog daargelaten dat in het proces-verbaal, anders dan [appellant] stelt, niet de conclusie is getrokken dat hij het stoplicht kon zien, maar door verbalisant slechts is geconstateerd dat [appellant] voorover boog en in de richting van het stoplicht keek, betreft dit een passage in het proces-verbaal waaruit kan worden afgeleid hoe de verbalisant zag dat [appellant] geen gordel droeg, hetgeen niet een waarneming betreft die ten grondslag ligt aan het opleggen van de EMG. De overige door [appellant] gestelde onjuistheden in het proces-verbaal hebben evenmin betrekking op de aan het opleggen van de EMG ten grondslag gelegde waarnemingen.

7.3. Voor zover [appellant] wijst op het vonnis in de strafzaak, leidt dit, wat daar verder van zij, niet tot het oordeel dat het CBR bij de oplegging van de maatregel niet op de schriftelijke mededeling mocht afgaan. Hierbij is van belang dat het in deze zaak niet gaat om een strafrechtelijke procedure, maar om een daarvan los staande bestuursrechtelijke maatregel die erop is gericht de ter bevordering van de verkeersveiligheid noodzakelijk geachte deelname aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig af te dwingen. Ook zonder strafrechtelijke vervolging kan een EMG worden opgelegd, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden van ongeschiktheid bij de houder van een rijbewijs bestaat.

7.4. Uit het voorgaande volgt dat het door [appellant] aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat het CBR ten onrechte is overgegaan tot het opleggen van de EMG.

Het betoog faalt.

8. Het beroep tegen het besluit van 10 juli 2013 is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 10 juli 2013, kenmerk 2012001755 / LJ ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

580.