Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201306277/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nunspeet Noord en Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306277/1/R2.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Nunspeet,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nunspeet Noord en Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2014, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door ir. A. Dickhof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Voor zover de raad stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, overweegt de Afdeling dat zowel de zienswijze als het beroep van [appellant] zien op de bouwmogelijkheden op zijn perceel, waartoe hij voor de gehele sportbestemming de bestemmingsregeling van het voorheen geldende plan wenst te behouden. Het beroep van [appellant] is ontvankelijk.

Inhoudelijk

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in de actualisatie van het juridisch-planologisch kader voor Nunspeet Noord en Oost.

4. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte als conserverend wordt aangemerkt, omdat het plan ten opzichte van het vorige planologische regime aanzienlijke wijzigingen inhoudt van de bebouwingsmogelijkheden op de gronden met de bestemming "Sport" ter plaatse van sportpark De Wiltsangh ten noorden van de Sportlaan, terwijl deze wijzigingen bovendien niet aansluiten bij de bestaande situatie met gerealiseerde bebouwing. Deze wijzigingen zijn onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant]. Daarbij heeft de raad zijn belangen onvoldoende betrokken. Ook ontbreekt volgens hem een ruimtelijke en stedenbouwkundige beoordeling, waarbij de invloed van de extra bouwmogelijkheden op het nabijgelegen Natura 2000-gebied had moeten worden onderzocht.

4.1. De raad stelt dat een conserverend plan niet identiek hoeft te zijn aan het voorheen geldende plan. Volgens de raad kleefden er nadelen aan het vorige plan en is daarom in het plan een nieuwe regeling vastgesteld voor het sportpark en de omliggende percelen die recht doet aan de bestaande ruimtelijke situatie. De raad wenst de bebouwing te concentreren in het zogenoemde centrale bouwvlak met kantines en voorzieningen, waar de sportvelden omheen liggen. De raad stelt zich op het standpunt dat een uitgebreide ruimtelijke onderbouwing en een stedenbouwkundige beoordeling niet noodzakelijk zijn, omdat het plan niet substantieel meer mogelijk maakt dan onder het vorige plan was toegestaan.

4.2. Aan de gronden op het sportpark De Wiltsangh is de bestemming "Sport" toegekend. Aan een deel van de gronden rondom de schietbaan is geen bouwvlak toegekend. Aan de overige gronden zijn bouwvlakken toegekend met de aanduiding "maximum bebouwingspercentage terrein (%)", waarbij dit percentage 5, 20, 45 of 100 is.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Sport" bestemd voor het uitoefenen van buiten- en binnensport, sportvelden en bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen en voorzieningen, zoals wegen en paden.

Ingevolge lid 13.2.1 mogen op de gronden met de bestemming "Sport" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge lid 13.2.2 gelden voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 13.2.1 de volgende eisen:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage mag ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%)" aangegeven percentage bedragen;

c. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding "5 %" mag de oppervlakte van een gebouw en een bijbehorend bouwwerk niet groter zijn dan 200 m2;

[…].

4.3. Onder het vorige plan "Buitengebied Herziening 1996" was aan de gronden de bestemming "Sportvoorzieningen" toegekend, zonder een nadere aanduiding van het bebouwingspercentage.

Ingevolge artikel 54 van de planvoorschriften van het vorige plan, zijn de gronden met de bestemming "Sportvoorzieningen" bestemd voor sportvoorzieningen.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, mogen op de gronden met de bestemming "Sportvoorzieningen" uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder ten hoogste één bedrijfs-, beheerders- of dienstwoning.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen de eis dat het bebouwingspercentage ten hoogste zoveel mag bedragen als op de plankaart is aangegeven, en binnen bestemmingsvlakken, waarin geen bebouwingspercentage is aangegeven, ten hoogste 5%.

4.4. Ten aanzien van het betoog omtrent het conserverende karakter van het plan overweegt de Afdeling dat, zoals de raad terecht stelt, het feit dat het bestemmingsplan conserverend van aard is, niet betekent dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen zou mogen bieden.

4.5. De Afdeling stelt vast dat op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1996" de gronden van het sportpark De Wiltsangh en enkele aanliggende percelen een sportbestemming hadden met een bebouwingspercentage van 5% van het totale bestemmingsvlak. Het vorige plan voorzag niet in onderscheiden bouwvlakken op deze gronden, zodat het bebouwingspercentage gold voor de gehele sportbestemming.

In dit plan is aan de gronden de bestemming "Sport" toegekend waarbinnen afzonderlijke bouwvlakken zijn aangeduid met bebouwingspercentages van 5%, 20%, 45% respectievelijk 100%. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vier bouwvlakken met 100% bebouwingspercentage grotendeels bestaande gebouwen betreffen en dat binnen het bouwvlak met 20% bebouwingspercentage ruim de helft aan bebouwing is gerealiseerd.

De raad heeft toegelicht dat onder het vorige plan de bouwmogelijkheden grotendeels zijn benut en dat in dit plan is beoogd in zoverre de bestaande situatie vast te leggen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat het bouwvlak met 20% bebouwingspercentage deels en de bouwvlakken met 5% en 45% bebouwingspercentage geheel onbebouwd zijn. Gelet hierop moet worden aangenomen dat met het plan binnen de bouwvlakken met 5%, 20% en 45% feitelijke bouwmogelijkheden worden geboden. In de omvang van de toename van de feitelijke bouwmogelijkheden heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien om naar de ruimtelijke gevolgen nader onderzoek in te stellen.

Voor zover [appellant] bedoeld heeft te betogen dat het plan meer bouwmogelijkheden op zijn perceel moet bieden, geldt dat hij geen concrete plannen heeft die de raad bij het vaststellen van het plan had moeten betrekken.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het bouwvlak met een maximaal bebouwingspercentage van 45% op zijn perceel wat betreft ligging en vorm onbruikbaar is. Hij voert daartoe aan dat geen rekening is gehouden met de aansluiting op de aanwezige infrastructuur, de aanwezigheid van overige bebouwing, de perceelgrenzen en de bestaande natuurlijke afscheidingen in de vorm van een houtwal.

5.1. De raad stelt dat het bouwvlak op het perceel van [appellant] is ingesloten door het centrale bouwvlak en dat er op het perceel van [appellant] meer dan voldoende bouwmogelijkheden zijn voor een normale bedrijfsvoering. De grenzen van het centrale bouwvlak sluiten volgens de raad aan bij de bestaande situatie. Daarbij zijn er voldoende mogelijkheden om de gebouwen te bereiken en is het binnen de bestemming "Sport" toegestaan om wegen en paden aan te leggen, aldus de raad.

5.2. Een deel van het perceel van [appellant] is binnen de plangrens gelegen en heeft de bestemming "Sport". Een deel daarvan is gelegen binnen een bouwvlak met een maximaal bebouwingspercentage van 5%. Aan het andere deel van het perceel van [appellant] is een bouwvlak toegekend met een maximaal bebouwingspercentage van 45%. Dit bouwvlak is aan de zuid-, oost- en westzijde begrensd door de grens van het perceel van [appellant] en aan de noordzijde door een rechte lijn die aan beide kanten in het verlengde ligt van de begrenzing van het centrale bouwvlak.

De raad heeft voor deze begrenzing gekozen om aan te sluiten bij de bestaande situatie waarin de sportvelden in een schil om het centrale deel met kantines en voorzieningen heen liggen. Ten aanzien van de houtwal aan de westzijde van het perceel van [appellant] geldt dat uit dit plan geen belemmering voortvloeit van de bouwmogelijkheden ter plaatse als gevolg van de aanwezigheid van de houtwal. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bouwvlakken heeft kunnen vaststellen als hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

343-803.