Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201304043/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ontsluitingsweg villapark De Rijp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304043/1/R1.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Oost-Graftdijk, gemeente Graft-De Rijp,

en

de raad van de gemeente Graft-De Rijp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ontsluitingsweg villapark De Rijp" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.T. van Eyck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Hoorn, P.J. Zwitselaar, wethouder, en mr. C. Busstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Europarcs Villapark De Rijp B.V. (hierna: Europarcs), vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

De raad heeft na de zitting en sluiting van het onderzoek een nader stuk overgelegd. De Afdeling heeft hierop met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek heropend en het nadere stuk in de procedure betrokken. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant] en Europarcs een nadere reactie ingediend, waarna het onderzoek met toestemming van partijen zonder nadere zitting is gesloten.

Overwegingen

1. Bij de voorbereiding van de zaak heeft de Afdeling de beschikking gehad over het plan zoals dit beschikbaar was op de internetpagina van de gemeente. Deze tekst is voor de Afdeling het uitgangspunt geweest voor de behandeling ter zitting. Uit de stukken is gebleken dat ook partijen van dit plan zijn uitgegaan. Ter zitting heeft de raad echter aangegeven dat de planregels zoals deze zijn vastgesteld door de raad luiden zoals weergegeven op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Hierdoor is onduidelijkheid ontstaan over de juiste tekst van het vastgestelde plan. Na de zitting heeft de raad door middel van een nader stuk aangegeven dat de Afdeling bij de voorbereiding van de zaak toch van de juiste, door de raad vastgestelde, tekst van het plan is uitgegaan en dat de tekst zoals weergegeven op de landelijke voorziening niet de tekst is zoals vastgesteld door de raad. Het nadere stuk van de raad is doorgestuurd naar [appellant] en Europarcs. Beide partijen hebben daarop ingevolge artikel 8:57, eerste lid, van de Awb ingestemd met het achterwege laten van een tweede zitting. Voor het standpunt van partijen dat het nadere stuk niet bij het geding betrokken kan worden nu het stuk dateert van na de zitting ziet de Afdeling geen aanleiding, aangezien het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb is heropend. De Afdeling dient bij de behandeling van een zaak uit te gaan van het plan zoals dat door de raad is vastgesteld. Doordat het plan op de internetpagina van de gemeente beschikbaar was, is voldaan aan het vereiste uit artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening. Dat het plan dat beschikbaar was op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl niet de door de raad vastgestelde tekst bevat, betreft een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit die reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat geen verschil van mening bestaat tussen de raad, [appellant] en Europarcs over de tekst van het vastgestelde plan.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan is opnieuw vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2012, nr. 201202367/1/R1. Hierbij heeft de Afdeling het besluit van de raad van 10 januari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ontsluitingsweg Villapark De Rijp" vernietigd. Het plan voorziet in een nieuwe ontsluitingsweg ten behoeve van "Villapark De Rijp" ten oosten van het dorp West-Graftdijk.

4. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een nieuwe ontsluitingsweg. Hij betoogt dat onduidelijk is hoe de bijlage luidt waar in artikel 3, lid 3.3, onder h, van de planregels naar wordt verwezen. Voorts wordt de geluidwerende voorziening in de vorm van een rood-wit geblokte lijn weergegeven in plaats van een rode lijn, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder h, van de planregels wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Verkeer" begrepen het gebruiken, laten gebruiken of in gebruik geven van gronden en bouwwerken voor het in artikel 3, lid 3.1, omschreven gebruik uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - nieuwe weg", zonder dat geluidwerende voorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. Voor de realisatie en de instandhouding van geluidwerende voorzieningen dient een geluidswal of geluidsscherm of een combinatie van beide te worden gerealiseerd en in stand te worden gehouden. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

1. de geluidwerende voorziening, bestaande uit een geluidswal of geluidsscherm of een combinatie van beide, dient te worden aangelegd ter plaatse van de rode lijn, zoals die is weergegeven in de situatietekening opgenomen in de bijlage bij deze regels;

2. de kruin van de geluidswal en/of het hart van het geluidsscherm dienen samen te vallen met de onder lid 3.3, onder h, sub 1, genoemde rode lijn;

[…].

4.2. De Afdeling stelt vast dat de planregels slechts één bijlage kennen. Dit is de bijlage "Situatietekening geluidwerende voorzieningen". De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een nadere aanduiding van de bijlage daarom niet vereist is.

Voorts kan er, ondanks dat de geluidwerende voorziening in de vorm van een rood-wit geblokte lijn wordt weergegeven in plaats van een rode lijn, volgens de Afdeling geen misverstand over bestaan waar de kruin onderscheidenlijk het hart van de geluidwerende voorziening dient te liggen.

Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet rechtszeker is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de geluidwerende voorziening ten onrechte deels is geprojecteerd op gronden buiten het plangebied en op de bestaande weg die onder meer zijn woning ontsluit, zodat deze weg onbruikbaar wordt.

5.1. Volgens de "Situatietekening geluidwerende voorzieningen" ligt de kruin van de geluidwerende voorziening geheel binnen het plangebied. Als een geluidswal wordt aangelegd, zal een deel daarvan echter de plangrens overschrijden en komen te liggen op de bestaande weg. De raad heeft ter zitting aangegeven dat bij de uitvoering zal worden bezien op welke wijze de akoestische afscherming zal worden gerealiseerd. Hierbij is denkbaar dat het laatste deel van de afscherming niet als aarden wal maar in de vorm van een damwand wordt gerealiseerd, waardoor de breedte van de afscherming op die locatie aanzienlijk wordt beperkt. Voorts kan worden vastgesteld dat op grond van artikel 3, lid 3.3, onder h, van de planregels ook een geluidsscherm mogelijk is. Gelet hierop bestaat voor de vrees van [appellant] dat de geluidwerende voorziening moet worden aangelegd buiten het plangebied en ertoe leidt dat de bestaande weg onbruikbaar wordt geen grond.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat bij de berekening van de geluidsbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden met het vrachtverkeer tijdens de bouw van de woningen en de ingebruikname van het park. Dit verkeer kan volgens hem niet worden aangemerkt als van tijdelijke en ondergeschikte aard, nu het bouwproces langdurig zal zijn. Verder voert [appellant] aan dat de aanwezigheid van de slagbomen ter hoogte van zijn woning extra geluidsoverlast met zich brengt, nu het verkeer ter hoogte van deze slagbomen moet afremmen en optrekken. Ten slotte betoogt [appellant] dat in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een onjuiste hoogte van zijn perceel.

6.1. De raad stelt dat het gedeelte van de ontsluitingsweg tussen de Burgemeester Dalenbergstraat en de slagbomen op het recreatiepark op basis van een verkeersbesluit is aangewezen als een 30 km/u-weg. Dit gedeelte van de weg valt daardoor niet onder de normering van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). De akoestische situatie is op grond van een goede ruimtelijke ordening onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de ontsluitingsweg niet zal afdoen aan een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woning van [appellant], aldus de raad.

6.2. Aan de gronden waarop de ontsluitingsweg is voorzien, is de bestemming "Verkeer" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met dien verstande dat het aantal rijstroken van wegen niet meer dan twee mag bedragen.

6.3. In paragraaf 2.1 van de plantoelichting staat dat de huidige verkeerssituatie buiten het villapark onvoldoende ruimte biedt voor de hoeveelheid verkeer die vooral in het weekend vrij fors is. Mede gelet op geplande veranderingen op het villapark zullen in de toekomst andere verkeersaantallen gaan gelden. Daarnaast wordt vermeld dat er in de komende periode als gevolg van diverse bouwactiviteiten op het park de nodige verkeersbewegingen van bouwverkeer zullen zijn. Dit verkeer kan ook via de nieuwe ontsluitingsroute plaatsvinden.

6.4. Het akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de woning van [appellant] vanwege wegverkeerslawaai van de ontsluitingsweg is verricht door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo B.V. (hierna: het NAA). De resultaten van dit akoestisch onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek wegverkeerslawaai ontsluitingsweg Villapark De Rijp te Oost-Graftdijk" van 29 november 2012 (hierna: het akoestisch rapport). Uit het akoestisch rapport volgt dat ten gevolge van het wegverkeer op de ontsluitingsweg bij een maximumsnelheid van 30 km/u op een waarneemhoogte van 5 m ten opzichte van het maaiveld bij de woning van [appellant] een geluidsbelasting bestaat van maximaal 48 dB. Hierbij is uitgegaan van een verkeersintensiteit van 1.410 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) en is rekening gehouden met de aanleg van een aarden wal. Hiermee wordt, indien getoetst zou worden aan de Wgh, voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, aldus het akoestisch rapport.

6.5. In een e-mail van 20 juni 2013 van het NAA aan de gemeente is vermeld dat nader is gekeken naar de optrekcorrectie en optrektoeslagen bij 30 km/u. Als gevolg daarvan zal de geluidsbelasting op de woning met ten hoogste 1,4 dB toenemen, aldus het NAA. In de e-mail is voorts vermeld dat in het rekenmodel abusievelijk is gewerkt met een intensiteit van 1.410 mvt/etmaal per rijlijn, in plaats van met een totale intensiteit van 1.410 mvt/etmaal. Als gevolg hiervan was de berekende geluidsbelasting 3 dB te hoog. Het vorenstaande in aanmerking genomen, bedraagt de uiteindelijke geluidsbelasting op de woning volgens het NAA 46,4 dB.

6.6. De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch rapport de categorieën lichte voertuigen, middelzware voertuigen en zware motorvoertuigen zijn onderscheiden. Daarbij is aangegeven dat 1% van het verkeer zware motorvoertuigen betreft. Het betoog van [appellant] dat bij de berekening van de geluidsbelasting ten onrechte geen rekening is gehouden met het vrachtverkeer tijdens de bouw van de woningen en de ingebruikname van het park mist in zoverre feitelijke grondslag. Voor zover het betoog van [appellant] erop ziet dat het percentage zware motorvoertuigen onjuist is, overweegt de Afdeling dat uit de ontheffing op grond van artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 voor transporten naar en van het terrein van Villapark De Rijp van 29 mei 2013 volgt dat gemiddeld drie transporten per dag plaatsvinden. Op een gemiddeld aantal verkeersbewegingen van 1.410 mvt/etmaal blijft het aandeel vrachtverkeer dus ruimschoots onder de 1%. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gemiddelde aantal van drie transporten per dag onjuist is.

Het betoog faalt.

6.7. Uit de email van 20 juni 2013 concludeert de Afdeling dat in het akoestisch rapport geen optrekcorrectie is meegenomen. Gelet hierop heeft [appellant] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van de slagbomen ter hoogte van zijn woning leidt tot extra geluidsoverlast doordat het verkeer ter hoogte van deze slagbomen moet afremmen en optrekken.

Het betoog slaagt.

6.8. [appellant] heeft in deze procedure, en tevens in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 21 november 2012, in zaak nr. 201202367/1/R1, foto’s overgelegd waaruit volgt dat het aangrenzende voetbalveld 37 cm lager ligt dan zijn woning. De beoogde weg zal op dezelfde hoogte als het voetvalveld worden aangelegd. In het akoestisch onderzoek is er echter van uitgegaan dat de hoogte van de weg gelijk is aan de hoogte van de gronden waarop de woning van [appellant] gelegen is. Niet kan worden uitgesloten dat de uitkomst van het akoestisch onderzoek wat betreft de geluidsbelasting op de woning van [appellant] hierdoor anders zou moeten zijn dan door NAA is berekend.

Het betoog slaagt.

6.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

6.10. Ten overvloede wijst de Afdeling er op dat op de verbeelding de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - nieuwe weg" ontbreekt waardoor de voorwaardelijke verplichting onvoldoende is gewaarborgd.

7. De Afdeling ziet in het verzoek van de raad geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Daartoe wordt overwogen dat, gezien de onenigheid over de tussen de gemeente Graft-De Rijp en Europarcs gesloten overeenkomst over de aanleg van de ontsluitingsweg, onduidelijkheid kan bestaan over de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.

8. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Graft-De Rijp van 7 februari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ontsluitingsweg villapark De Rijp";

III. draagt de raad van de gemeente Graft-De Rijp op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor genoemde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Graft-De Rijp tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Graft-De Rijp aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

410-770.