Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201305434/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:1748, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de raad besloten om de spoorwegovergang Diepenbroek-Broekstraat te Helmond aan het openbaar verkeer te onttrekken, nadat de twee verkeerstunnels ter vervanging van de spoorwegovergang feitelijk in gebruik zijn genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305434/1/A3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en Modevakschool [appellante B], gevestigd te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: de Modevakschool),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 in zaak nr. 12/3875 in het geding tussen:

de Modevakschool

en

de raad van de gemeente Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de raad besloten om de spoorwegovergang Diepenbroek-Broekstraat te Helmond aan het openbaar verkeer te onttrekken, nadat de twee verkeerstunnels ter vervanging van de spoorwegovergang feitelijk in gebruik zijn genomen.

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft de raad het door de Modevakschool daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2013 heeft de rechtbank het door de Modevakschool daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Modevakschool hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Modevakschool heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellant A] en [appellante B] in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, gelezen in verbinding met artikel 8, kan een weg die niet door het Rijk, een provincie of een waterschap dan wel onder toezicht van een waterschap wordt onderhouden, bij een besluit van de raad van de gemeente waarin de weg is gelegen, aan het openbaar verkeer worden onttrokken.

2. Uit het besluit van 8 mei 2012 volgt dat de beslissing van de raad om de spoorwegovergang aan het openbaar verkeer te onttrekken verband houdt met de realisatie van de fietstunnel ‘De Marke’ en de autotunnel ‘De Voort’ onder de spoorbaan Helmond-Eindhoven in de wijk Brandevoort in Helmond. Volgens de raad is de realisatie van de tunnels noodzakelijk in verband met de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer. Nu na realisatie van de tunnels de spoorwegovergang geen functie meer heeft, is met Prorail overeengekomen dat de spoorwegovergang zal worden gesaneerd.

In het besluit van 2 oktober 2012 heeft de raad, onder ongegrondverklaring van het door de Modevakschool gemaakte bezwaar, het besluit van 8 mei 2012 gehandhaafd. Volgens de raad zal de school als gevolg van de onttrekking van de spoorwegovergang niet verminderd bereikbaar zijn, nu gemotoriseerd verkeer vanuit Helmond via de autotunnel en de wijk Brandevoort de school kan bereiken.

3. De Modevakschool betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat de raad het besluit van 8 mei 2012 niet heeft mogen handhaven zonder toekenning van een financiële compensatie voor de schade die zal worden geleden wegens verminderde bereikbaarheid van de school. Cursisten die voorheen gebruik konden maken van de spoorwegovergang moeten na de onttrekking daarvan vele kilometers omrijden om de school te bereiken. Uit de resultaten van een onder de cursisten uitgevoerde enquête volgt dat een significant aantal van hen om die reden geen cursus bij de school meer zal volgen. Gelet op de inkomsten die hierdoor zullen worden gederfd, wordt zij zodanig zwaar door het besluit van 8 mei 2012 getroffen dat dit nadeel niet geheel voor haar rekening had mogen worden gelaten, aldus de Modevakschool.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 15 september 2010 in zaak nr. 201002228/1/H3), is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of zich strijd met wettelijke voorschriften voordoet dan wel een zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.

Voorts geldt in lijn met eerdere jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 19 mei 2004 in zaak nr. 200306450/1), dat als uitgangspunt geldt dat het treffen van een maatregel als hier aan de orde als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van betrokkene behoren te blijven. Dat neemt niet weg dat zich feiten of omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de betrokkene dient te blijven. Of zich een dergelijke situatie voordoet, dient in beginsel door betrokkene aannemelijk te worden gemaakt.

3.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft de raad toegelicht dat de in gebruik genomen autotunnel op ongeveer 200 m is gelegen van de inmiddels afgesloten spoorwegovergang. Bij gebruikmaking van de tunnel zal gemotoriseerd verkeer ongeveer 400 m moeten omrijden ten opzichte van de eerdere route via de spoorwegovergang om de school te bereiken. Daar staat echter tegenover dat het verkeer geen rekening meer hoeft te houden met eventuele wachttijd bij de spoorwegovergang als gevolg van passerend treinverkeer. De Modevakschool heeft desgevraagd bevestigd dat in de huidige situatie, waarbij de school bereikbaar is via de autotunnel en de wijk Brandevoort, de onttrekking van de spoorwegovergang niet tot een verminderde bereikbaarheid van de school leidt. De vrees van de Modevakschool voor een daling van het aantal cursisten en als gevolg daarvan voor een inkomstenderving is veeleer gelegen in toekomstige plannen van de gemeente om de route via de wijk Brandevoort op te heffen met het oog op het verbeteren van de verkeersveiligheid in die wijk.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de Modevakschool als gevolg van het besluit tot onttrekking van de spoorwegovergang schade heeft geleden. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat de raad bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid

tot handhaving van dat besluit heeft kunnen komen. Mocht de raad alsnog beslissen tot opheffing van de route door de wijk Brandevoort door afsluiting van de Broekstraat voor gemotoriseerd verkeer, dan zal hij daartoe een verkeersbesluit moeten nemen. Indien de Modevakschool als gevolg van dat besluit schade lijdt, kan zij daartegen rechtsmiddelen aanwenden of een verzoek om schadevergoeding indienen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

434.