Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201305389/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:4257, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305389/1/A3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 mei 2013 in zaak nr. 12/6871 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van de politieregio Zeeland (thans: de korpschef van politie).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft de korpschef aan [appellant] toestemming onthouden tot het verrichten van werkzaamheden voor een particuliere beveiligingsorganisatie.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend, geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Bij de toepassing van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, wordt het beleid gevoerd dat is neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire).

Volgens paragraaf 2.1 wordt de toestemming aan personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, onthouden, indien:

a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of;

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of;

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten, en om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In die paragraaf is verder vermeld dat het er bij de toetsing aan punt c om gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daaraan zal in het algemeen slechts voldaan zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Indien het veroordelingen betreft wordt aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde criteria onder a en b. De periode kan echter - behoudens zeer uitzonderlijke gevallen - nooit langer zijn dan de vier, onderscheidenlijk acht jaar die hiervoor onder a en b zijn genoemd.

Volgens paragraaf 2.1.1 kan de korpschef van de regio waar de organisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd van het hiervoor bepaalde afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang (hierna: de hardheidsclausule).

2. Aan het besluit om de gevraagde toestemming te onthouden, heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat uit het justitieel documentatieregister volgt dat [appellant] twee maal is gedagvaard wegens fraude en dat de betrokken officier van justitie hem desgevraagd heeft medegedeeld dat [appellant] voor de desbetreffende feiten zal worden vervolgd. Op basis hiervan heeft de korpschef geoordeeld dat [appellant] niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsbureau of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten en heeft hij daarom de gevraagde toestemming onthouden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef de in het justitieel documentatieregister vermelde feiten in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als feiten, als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire, nu deze een serieuze verdenking inhouden van misdrijven die beschouwd kunnen worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat de korpschef met zijn besluit vooruit loopt op een veroordeling door de strafrechter. In de twee lopende strafzaken wordt hij in de ene zaak waarschijnlijk vrijgesproken en in de andere zaak zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus [appellant]. In beide zaken heeft evenwel nog immer geen inhoudelijke zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft miskend dat de korpschef met zijn besluit in strijd met de onschuldpresumptie handelt, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200707172/1) komt de korpschef beoordelingsvrijheid toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is en is de invulling die in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire aan de term "betrouwbaarheid" is gegeven niet rechtens onjuist. Voorts mogen aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef er van uit mag gaan dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

3.2. Volgens paragraaf 2.1 van de circulaire pleegt de toestemming, als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr, wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaarheid niet alleen te worden onthouden ingeval van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens het plegen van een misdrijf, maar ook indien andere omtrent de betrokkene bekende en relevante feiten daartoe nopen. Uit het justitieel documentatieregister blijkt dat [appellant] ten tijde van het in beroep bestreden besluit werd verdacht van vijf strafbare feiten die zijn aangemerkt als misdrijven. De strafzaken hieromtrent zijn aangevangen in 2008 en de officier van justitie heeft desgevraagd aan de korpschef medegedeeld dat de vervolging hiervan zal worden voortgezet. Ter zitting bij de Afdeling heeft de korpschef verklaard dat dit nog immer het geval is. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de korpschef deze feiten in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als feiten als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire, nu deze serieuze verdenkingen inhouden van misdrijven die beschouwd kunnen worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Daarbij heeft de rechtbank terecht geen betekenis toegekend aan de door [appellant] gemaakte inschatting van de uitkomst van de strafzaken. De rechtbank is voorts [appellant] terecht evenmin gevolgd in diens betoog dat de korpschef met zijn besluit in strijd met de onschuldpresumptie handelt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 21 juli 2010 in zaak nr. 201001162/1/H3) is het onthouden van toestemming, als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr, geen ‘criminal charge’ maar een bestuurlijke maatregel ter bescherming van de belangen van de goede veiligheidszorg en goede naam van de bedrijfstak en niet een besluit van een bestuursorgaan gericht op het wegens een overtreding van een bestuursrechtelijke norm toebrengen van concreet nadeel dat verder gaat dan herstel. In het licht hiervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de korpschef de strafbare feiten waarvoor [appellant] is gedagvaard, aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen, ook al heeft de strafrechter daarover nog geen oordeel uitgesproken.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een beroep op de hardheidsclausule in dit geval niet aan de orde is. De korpschef had in het kader van de hardheidsclausule zijn belangen, gelegen in werk en inkomen, zwaarder moeten laten wegen dan het algemeen belang, nu de in 2008 aangevangen strafzaken nog immer niet inhoudelijk zijn behandeld.

4.1. Zoals de Afdeling eerder in voornoemde uitspraak van 29 april 2008 heeft overwogen, volgt uit het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr dat toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Dit brengt mee dat er geen ruimte is voor toepassing van de hardheidsclausule nadat is vastgesteld dat de betrokkene niet voldoende betrouwbaar is, als bedoeld in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire. Nu de korpschef het onthouden van toestemming aan [appellant] op die grond heeft gebaseerd en uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het standpunt van de korpschef op dat punt de toetsing in rechte kan doorstaan, heeft de rechtbank evenzeer terecht voor de korpschef geen ruimte aanwezig geacht voor toepassing van de hardheidsclausule.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

434-797.