Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201305852/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:3411, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het veranderen/verbouwen van de woning [locatie 1] te Mechelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/5304

Uitspraak

201305852/1/A1.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 mei 2013 in zaak nr. 12/888 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het veranderen/verbouwen van de woning [locatie 1] te Mechelen.

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2011 herroepen en alsnog geweigerd aan [wederpartij] omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van de woning.

Bij uitspraak van 24 mei 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2012 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Heijnen-Ackermans, D. Maas en I. ten Donkelaar, allen werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meersen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op het kadastrale perceel waarop de woning [locatie 1] is gelegen rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Gulpen-Wittem" de bestemming "Agrarisch- Hulp en Nevenbedrijf". Op dit kadastrale perceel bevindt zich naast de woning [locatie 1] ook bedrijfsbebouwing behorend bij het bedrijf van [wederpartij]. Op het naastgelegen kadastrale perceel rust eveneens de bestemming "Agrarisch- Hulp en Nevenbedrijf". Op dit kadastrale perceel is de woning [locatie 2] gelegen, waarvoor in 1999 bouwvergunning is verleend.

2. Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch- Hulp en Nevenbedrijf " aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen in bedrijfswoningen.

Ingevolge artikel 5.2.1, aanhef en onder b, mag op de tot "Agrarisch-Hulp en Nevenbedrijf" aangewezen gronden uitsluitend één bedrijfswoning per bouwperceel worden gebouwd, tenzij anders is aangeduid op de plankaart.

Ingevolge artikel 1.20 wordt onder bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) één persoon, gezin of andere groep van personen, van wie huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 1.28 wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu de woningen [locatie 1] en [locatie 2] op hetzelfde bouwperceel zijn gelegen en op dit bouwperceel ingevolge artikel 5.2.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften slechts één bedrijfswoning is toegestaan.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het een onjuiste uitleg aan het begrip bouwperceel heeft gegeven en dat de woningen [locatie 1] en [locatie 2] niet op hetzelfde bouwperceel zijn gelegen, zodat het bouwplan niet in strijd is met artikel 5.2.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201101505/1/H1), is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel, als omschreven in het bestemmingsplan, de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel, waarop het bouwplan is voorzien. Voor het antwoord op de vraag of het om een bouwperceel gaat is tevens van belang of het bij elkaar behorende bebouwing betreft. Het bestaan van een zodanige situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als een geheel worden aangemerkt.

Vast staat dat [wederpartij] woont in de woning [locatie 2] en dat op het naastgelegen kadastrale perceel de bedrijfsbebouwing alsmede de woning [locatie 1] zijn gelegen. Voorts staat vast dat de inrit vanaf de Hilleshagerweg naar de woning [locatie 2] tevens leidt naar de bedrijfsbebouwing die aan de andere zijde van de inrit is gelegen en dat de woning [locatie 2] met de hoofdingang is gericht naar de bedrijfsbebouwing. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de twee kadastrale percelen, gelet op de samenhang daartussen, in ruimtelijk opzicht één geheel vormen. Uit artikel 5.2.1., aanhef en onder b, van de planvoorschriften en de plankaart volgt dat op dit bouwperceel slechts één bedrijfswoning is toegestaan.

Nu [wederpartij] in de woning [locatie 2] woont en ook sinds 2003 samen met zijn vrouw en zoons op dit adres staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA), terwijl er sinds 2003 niemand meer staat ingeschreven op het adres [locatie 1], dient de woning [locatie 2] te worden aangemerkt als bedrijfswoning bij het bedrijf van [wederpartij]. Niet is gebleken dat er bij de vergunningverlening voor de woning [locatie 2] vrijstelling is verleend voor een tweede bedrijfswoning. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat onderhavige aanvraag in strijd is met artikelen 5.1 en 5.2.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

Het gebruik van de woning [locatie 1] als bedrijfswoning, dan wel burgerwoning valt niet onder het overgangsrecht, nu [wederpartij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan werd bewoond. De enkele stelling dat de woning nooit anders dan als woning is gebruikt, hetgeen overigens niet uitsluit dat de bewoning tussentijds is beëindigd, en dat deze op dit moment door zijn zonen wordt bewoond is daarvoor onvoldoende. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de hele familie in 2003 is uitgeschreven uit de GBA en dat [wederpartij] in de procedure over de WOZ-waarde heeft verklaard dat de woning sinds september 2002 niet meer wordt bewoond. Met de door [wederpartij] overgelegde passage uit een taxatierapport met betrekking tot de woning [locatie 1], waarin is opgenomen dat het gebruik van het object conform het bestemmingsplan is, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat de woning werd bewoond ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, reeds nu dit taxatierapport op 13 juli 2011 is opgemaakt.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling hierna het beroep tegen het besluit van 27 maart 2012 behandelen, voor zover de rechtbank daar niet aan is toegekomen.

6. [wederpartij] heeft betoogd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Daartoe heeft hij erop gewezen dat het college in eerste instantie te kennen heeft gegeven dat het mogelijk was om een omgevingsvergunning te krijgen voor het renoveren van de woning en deze nadien ook heeft verleend. [wederpartij] wijst er op dat het college zich pas naar aanleiding van het bezwaar van [belanghebbende] op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan en geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Hij wijst er verder op dat hij kosten heeft gemaakt naar aanleiding van het in eerste instantie door het college ingenomen standpunt, zodat het ook om die reden niet redelijk is dat de omgevingsvergunning is geweigerd.

6.1. Niet is gebleken dat namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [wederpartij] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan zou verlenen. De eerder verleende omgevingsvergunning kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu het college zich bij het nemen van het daarop betrekking hebbend besluit nog ten onrechte op het standpunt stelde dat het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Uit de volledige heroverweging in bezwaar volgt dat een college bij het besluit op bezwaar alsnog een omgevingsvergunning mag weigeren. In het onderhavige geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet alsnog mocht weigeren. Voor dat oordeel is van belang dat een tweede bedrijfswoning en een burgerwoning, naar niet in geschil is, beide in strijd zijn met provinciaal beleid. De omstandigheid dat [wederpartij] kosten heeft gemaakt naar aanleiding van het eerder ingenomen standpunt van het college maakt, wat daar verder van zij, niet dat het college niet in redelijkheid kon weigeren omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van de woning.

Het betoog faalt.

7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 maart 2012 alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 mei 2013 in zaak nr. 12/888;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

580.