Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201304760/4/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304760/4/R1.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Schinnen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Schinnen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad en [belanghebbende] hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2014, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [een der appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door P.H.M. Haenen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van het onderhavige beroep afgesplitst van zaak nr. 201304760/1/R1. De behandeling van de overige beroepen tegen het besluit van 14 maart 2013 wordt onder voormeld zaaknummer voortgezet.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een juridisch planologische regeling voor nagenoeg het gehele buitengebied van Schinnen.

Ontvankelijkheid

3. [belanghebbende] betoogt dat het beroep van [appellant] en anderen gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Hij voert hiertoe aan dat alleen de bewoners van de percelen [locatie 1] en [locatie 2] aangemerkt kunnen worden als belanghebbende bij het bestreden besluit. Alle overige appellanten wonen op een te grote afstand van het perceel [locatie 3] en hebben geen zicht op dit perceel, aldus [belanghebbende].

3.1. [appellant] en anderen zijn bewoners van de percelen [locatie 2], [locatie 1], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7], alle gesitueerd in Schinnen, en het perceel [locatie 8] in Puth.

3.2. De percelen [locatie 2] en [locatie 1] zijn gesitueerd in de directe nabijheid van het perceel [locatie 3], zodat de bewoners van deze percelen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. Het gaat hier om [appellant] en [appellante A], en [appellante B] en [appellante C].

3.3. De afstand tussen de percelen [locatie 7] en [locatie 6] tot het perceel [locatie 3] bedraagt onderscheidenlijk ongeveer 200 m en 240 m. Het is niet aannemelijk dat de bewoners van deze percelen zicht hebben op het perceel [locatie 3], gelet op de tussenliggende bebouwing en begroeiing.

De afstanden van het perceel [locatie 3] tot alle overige percelen bedragen meer dan 500 m.

Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die op het perceel [locatie 3] mogelijk wordt gemaakt zijn deze afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Ter zitting is evenwel vast komen te staan dat [appellant D] en [appellante E], [appellant F] en [appellante G], [appellant H] en [appellante I], en [appellante J] eigenaren zijn van gronden in de directe nabijheid van het perceel [locatie 3]. De overige appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstanden een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

Ten aanzien van het beroep van [appellant] en anderen is de conclusie dat [appellant K] en [appellante L] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door deze personen is niet-ontvankelijk.

Relativiteitsvereiste

4. [belanghebbende] betoogt dat de beroepsrond van [appellant] en anderen over de gevolgen van het plan voor de archeologische waarden van het perceel [locatie 3] niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Dit geldt eveneens voor het betoog van [appellant] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Flora- en faunawet, vanwege de gevolgen van het plan voor beschermde diersoorten, aldus [belanghebbende].

4.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

4.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

4.3. De Afdeling overweegt dat de beroepsgrond van [appellant] en anderen ten aanzien van het aspect archeologie betrekking heeft op artikel 38a van de Monumentenwet 1988. Deze bepaling strekt in het bijzonder tot het behoud van monumenten van archeologie. Voor [appellant] en anderen gaat het echter om het belang dat zij gevrijwaard blijven van aantasting van hun woon- en leefklimaat, om het behoud van hun woonomgeving of om het weren van nieuwe bebouwing in de naaste omgeving van hun gronden. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor [appellant] en anderen in deze procedure bescherming zoeken.

Het voorgaande betekent dat het betoog van [appellant] en anderen over de gevolgen van het plan voor de archeologische waarden van het perceel [locatie 3] niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.

4.4. Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

4.5. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

4.6. Het betoog van [appellant] en anderen strekt tot vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege de omstandigheid dat de realisatie van de woning en bijbehorende bouwwerken leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet en dat daarvoor geen ontheffing kan worden verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201306580/1/R6 (www.raadvanstate.nl), brengt een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Flora- en faunawet omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is. De door [appellant] en anderen ingeroepen normen uit de Flora- en faunawet strekken tot bescherming van de genoemde diersoorten. De daadwerkelijke belangen waarin [appellant] en anderen dreigen te worden geraakt als gevolg van de realisering van het plan zijn de belangen als omschreven onder 4.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 juni 2013 in zaak nrs. 201210708/1/A4, 201210709/1/A4, 201210711/1/A4, 201210712/1/A4, 201210714/1/A4, 201210745/1/A4, 201210748/1/A4, 201210751/1/A4, 201210752/1/A4 behoeft niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Flora- en faunawet met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden.

Het perceel [locatie 3] maakt deel uit van de directe leefomgeving van [appellant] en enkele anderen. Gelet hierop zijn de belangen van [appellant] en deze anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving in dit geval zo verweven met de algemene belangen die de Flora- en faunawet beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Flora- en faunawet kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

Deze beroepsgrond zal daarom inhoudelijk worden besproken.

Het beroep inhoudelijk

5. [appellant] en anderen betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Zij voeren hiertoe aan dat zij zienswijzen naar voren hebben gebracht tegen het ontwerp van het bestemmingsplan, maar dat zij geen ontvangstbevestiging hebben ontvangen. Vervolgens heeft één van hen bij herhaling per e-mail bij de gemeente geïnformeerd naar de ontvangst van de zienswijzen. [appellant] en anderen hebben de zienswijzen nogmaals, per e-mail, aan de gemeente verzonden. Pas nadien heeft de raad hun medegedeeld dat de oorspronkelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn ontvangen, maar dat verzuimd is om hen daarvan op de hoogte te brengen, aldus [appellant] en anderen.

5.1. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. In overeenstemming met deze procedure zijn [appellant] en anderen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen tegen het ontwerpplan naar voren te brengen. Het staat vast dat de raad de zienswijzen van [appellant] en anderen heeft ontvangen en dat hij deze vervolgens heeft betrokken bij het vaststellen van het plan. Uit afdeling 3.4 van de Awb vloeit geen verplichting voor de raad voort om de ontvangst van een schriftelijke zienswijze te bevestigen. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid.

5.2. Hetgeen [appellant] en anderen voor het overige hebben aangevoerd, zoals de omstandigheid dat zij niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van het vaststellingsbesluit, dat het gemeentebestuur te laat een mediator heeft ingeschakeld en dat deze bovendien niet onafhankelijk was, heeft betrekking op mogelijke onregelmatigheideden van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

6. [appellant] en anderen betogen dat op het perceel [locatie 3] illegale bouwwerken zijn gesitueerd, waartegen het gemeentebestuur niet handhavend optreedt. Mede gelet hierop bestaat de verwachting dat de eigenaren van het perceel [locatie 3] hun illegale bouwactiviteiten voort zullen zetten.

6.1. De Afdeling overweegt dat de eventuele gevolgen van illegale bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie 3], wat daar verder ook van zij, aspecten van handhaving betreffen, die in de deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

7. [appellant] en anderen betogen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de directe omgeving van het perceel [locatie 3] komen beschermde diersoorten voor, waaronder het vliegend hert. De raad heeft geen onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor deze diersoorten, aldus [appellant] en anderen.

7.1. Volgens de raad wordt het perceel reeds decennialang gebruikt voor woondoeleinden. Gelet ook op het bestaande gebruik van de gronden zijn ter plaatse geen beschermde diersoorten aanwezig.

7.2. Aan het perceel [locatie 3] is in het plan de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de gronden in het oosten van het perceel is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 22.2.1 mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. woningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

[...];

c. de daarbij behorende bijgebouwen;

d. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.

7.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden: Aln" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid A, van de planvoorschriften waren op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. duurzaam agrarisch grondgebruik […];

b. herstel behoud en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;

c. de begrenzing van aangrenzend natuurgebied;

d. extensief recreatief medegebruik;

[…].

Ingevolge lid C mocht op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden: Aln" niet worden gebouwd.

7.4. Voor zover de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de woonbestemming voor het perceel [locatie 3] geen nieuwe ontwikkeling betreft nu het feitelijke gebruik van de gronden voor woondoeleinden ruim 50 jaar geleden is aangevangen, overweegt de Afdeling als volgt. Het staat vast dat in het voorheen geldende bestemmingsplan het perceel [locatie 3] een agrarische bestemming had. Het bestaande gebruik van de gronden voor bewoning is in het plan als zodanig vastgelegd. Planologisch bezien is de woonbestemming voor het perceel derhalve aan te merken als een nieuwe ontwikkeling.

7.5. [appellant] en anderen hebben hun betoog dat in de nabijheid van de voorziene woning op het perceel [locatie 3] beschermde diersoorten voorkomen niet nader onderbouwd. Het staat vast dat het perceel decennialang feitelijk in gebruik is voor bewoning. De raad heeft ter zitting toegelicht dat op het perceel een woning en bijgebouwen zijn gerealiseerd en dat nagenoeg het gehele perceel is geasfalteerd. [appellant] en anderen hebben dit niet weersproken.

In het deskundigenbericht staat dat, zo het vliegend hert al in de nabijheid van het perceel [locatie 3] voorkomt, zijn leefgebied niet beperkt zal zijn tot het perceel [locatie 3]. Het is mede daarom niet waarschijnlijk dat het plan ernstige gevolgen zal hebben voor deze soort.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet in zoverre niet op voorhand in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

8. Over de door [appellant] en anderen gemaakte vergelijking met de geweigerde verzoeken om op de percelen [locatie 9] en [locatie 1] woningen op te richten, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat het bestaande gebruik van het perceel [locatie 3] voor bewoning al is aangevangen in of omstreeks 1960. Met het bestemmingsplan wordt beoogd deze bestaande situatie planologisch te faciliteren. Het besluit van de raad is mede ingegeven door de omstandigheid dat de bestaande woning op het perceel - een houten salonwagen - niet voldoet aan de geldende brandveiligheidsvoorschriften. Het plan voorziet in de mogelijkheid deze woning te vervangen door een nieuwe en grotere woning die voldoet aan de huidige wettelijke normen.

In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] en anderen genoemde situaties niet vergelijkbaar zijn met de thans aan de orde zijnde situatie.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep voor zover ingesteld door [appellant K] en [appellante L] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep, voor het overige, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

533-739.