Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201305627/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:3176, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2012, bekendgemaakt op 5 februari 2013, heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305627/1/A3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2013 in zaak nr. 12/5907 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2012, bekendgemaakt op 5 februari 2013, heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk toegewezen.

Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en vastgesteld dat de staatssecretaris een dwangsom van € 1.260,00 heeft verbeurd. Voor zover het beroep mede is gericht tegen het reële besluit van 3 september 2012 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C.G. Zandee en mr. W.J.G. van Duijn, beiden werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt onder een document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge het vierde lid verzoekt het bestuursorgaan, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

Ingevolge artikel 4 wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan doorverwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

2. Bij brief van 9 juli 2012 heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van het gehele dossier dat de douane over hem heeft. Volgens het verzoek worden hieronder ook stukken verstaan die betrekking hebben op contacten met [appellant] of onderzoeken naar hem, die buiten de grenzen van Nederland, in het bijzonder Suriname, hebben plaatsgevonden dan wel zijn verricht.

In het besluit van 3 september 2012 heeft de staatssecretaris overwogen dat [appellant] een klachtdossier zal worden verstrekt dat betrekking heeft op de afhandeling van een door hem ingediende klacht over de uitvoering van een douanecontrole bij aankomst op de luchthaven Schiphol op 19 januari 2010. De staatssecretaris heeft zich in het besluit voorts op het standpunt gesteld dat er geen andere documenten over [appellant] bij de douane berusten.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij de vaststelling van de hoogte van de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris deze vanaf 3 september 2012 heeft verbeurd. Daartoe voert hij aan dat hij reeds bij brief van 9 november 2012 de staatssecretaris in gebreke heeft gesteld en de staatssecretaris derhalve vanaf 24 november 2012 een dwangsom heeft verbeurd.

3.1. Nu de rechtbank de hoogte van de door de staatssecretaris verschuldigde dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit heeft vastgesteld op € 1.260,00 en dat bedrag, gelet op artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het maximaal te verbeuren bedrag is, valt niet in te zien welk belang [appellant] heeft bij behandeling van dit betoog. Het betoog behoeft derhalve geen verdere bespreking.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de mededeling van de staatssecretaris dat de douane niet over meer documenten over hem beschikt dan het verstrekte klachtdossier niet ongeloofwaardig is en dat hij er niet in is geslaagd om het tegendeel aannemelijk te maken. Volgens [appellant] is hij tijdens de douanecontrole op 19 januari 2010 door een douaneambtenaar ondervraagd die hij herkende als de persoon die een week eerder bij hem thuis in Suriname was geweest voor informatie over een aanvraag om een verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft nagelaten om hiernaar nader onderzoek te verrichten, nu het onvoorstelbaar is dat de douaneambtenaar geen stukken heeft opgemaakt van dat bezoek, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 november 2011 in zaak nr. 201011810/1/H3) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

In voormelde uitspraak heeft de Afdeling voorts overwogen dat het bestuursorgaan inzichtelijk moet maken op welke wijze het naar de verzochte documenten heeft gezocht.

4.2. Volgens het besluit van 3 september 2012 heeft de staatssecretaris twee keer, in juli en augustus 2012, getracht telefonisch contact te krijgen met de gemachtigde van [appellant] met het verzoek aanknopingspunten te verstrekken over de richting waarin gezocht zou kunnen worden, voor zover het verzoek ziet op andere dossiers dan het klachtdossier. Beide keren heeft de staatssecretaris vorenbedoeld verzoek ingediend bij de secretaresse van de gemachtigde. Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde via een voice-mailbericht verwezen naar het hiervoor genoemde klachtdossier. Bij brief van 16 augustus 2012 heeft de staatssecretaris de beslistermijn verdaagd, omdat hij nog geen adequate reactie had gekregen op zijn verzoek om nadere aanknopingspunten.

Bij brief van 24 augustus 2012 heeft de gemachtigde van [appellant] de staatssecretaris medegedeeld dat het verzoek is ingediend "om van de belastingdienst/douane helderheid te krijgen wat er bij de belastingdienst/douane gedocumenteerd is over cliënt" en dat in het verzoek reeds is verwoord "dat dit niet slechts ziet op activiteiten in Nederland, maar ook in Suriname". Volgens het besluit is vervolgens navraag gedaan bij de klachtcoördinator van het kantoor Douane Schiphol Passagiers. Hieruit is, afgezien van voormeld klachtdossier, niet gebleken van andere gegevens over door of namens de Nederlandse douane naar of rondom [appellant] binnen dan wel buiten Nederland verricht onderzoek, aldus het besluit.

De rechtbank heeft voormelde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en in het licht daarvan de mededeling van de staatssecretaris dat de douane niet over meer documenten over [appellant] beschikt dan het verstrekte klachtdossier, niet ongeloofwaardig geacht. Daarbij heeft zij tevens in aanmerking genomen dat de staatssecretaris ter zitting heeft verklaard dat de douane over een informatiesysteem beschikt waarin alleen strafrechtelijke incidenten worden vastgelegd en geen reguliere contacten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze naar de verzochte documenten is gezocht. Daarbij is in aanmerking genomen dat de staatssecretaris in het verweerschrift nader heeft toegelicht dat in het kader van de klachtprocedure reeds aan de hand van het vluchtnummer en het dienstrooster is nagegaan welke douaneambtenaren bij de desbetreffende douanecontrole betrokken waren. Geen van de betrokken ambtenaren voldeed echter aan de door [appellant] gegeven omschrijving. Voorts is bij de behandeling van de klacht gebleken dat de beslissing om [appellant] op 19 januari 2010 te onderwerpen aan een zogenoemde verdiepte controle uitsluitend te maken had met diens houding en gedrag bij de paspoortcontrole en het eerste interview en niet met op hem betrekking hebbende bij de douane berustende documentatie. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank de mededeling van de staatssecretaris dat de douane niet over meer documenten over [appellant] beschikt dan het verstrekte klachtdossier, terecht niet ongeloofwaardig heeft geacht.

De niet nader gestaafde stelling van [appellant] dat de bij de douanecontrole op 19 januari 2010 betrokken douaneambtenaar hem eerder thuis in Suriname heeft bezocht en het onvoorstelbaar is dat van dat bezoek geen stukken zijn opgemaakt, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht voor het oordeel dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat er toch meer documenten over hem bij de douane berusten.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris, indien hij daadwerkelijk niet over de door hem verzochte documenten beschikt, ingevolge artikel 4 van de Wob zijn verzoek had moeten doorzenden naar het bestuursorgaan waar de desbetreffende documenten wel berusten.

5.1. [appellant] heeft deze grond voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

434-797.