Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201305191/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:284, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2012 heeft het college aan [belanghebbenden] ten behoeve van het uitoefenen van een horecabedrijf aan de [locatie] te Zwolle een exploitatievergunning en een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/331

Uitspraak

201305191/1/A3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 19 april 2013 in zaak nr. 13/80 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2012 heeft het college aan [belanghebbenden] ten behoeve van het uitoefenen van een horecabedrijf aan de [locatie] te Zwolle een exploitatievergunning en een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet verleend.

Bij besluit van 7 december 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. H.C.S. van Dop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in verbinding gelezen met artikel 8:1, eerste lid, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen belanghebbende bij het besluit van 6 september 2012 is en het door hem daartegen gemaakte bezwaar derhalve niet-ontvankelijk is. [appellant] stelt dat hij het als inwoner van de gemeente Zwolle van belang acht dat de gemeente de regels op juiste wijze toepast. Volgens hem is dat bij het besluit van 6 september 2012 niet gebeurd, hetgeen zijn vertrouwen in het gemeentebestuur heeft geschonden. Hij heeft er belang bij om daartegen op te komen en onderscheidt zich in zoverre van andere inwoners van de gemeente die geen interesse hebben in de bestuurspraktijk van de gemeente. Voorts wijst hij er op dat de gemeente hem het besluit van 6 september 2012 heeft toegezonden en hem derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, als belanghebbende heeft aangemerkt, aldus [appellant].

2.1. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van het beroep terecht aansluiting gezocht bij de nadere uitwerking van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb in de jurisprudentie.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 29 augustus 2012 in zaak nr. 201109266/1/A3 en 3 oktober 2012 in zaak nr. 201111238/1/A3), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:2 van de Awb (Kamerstukken II 1998-1999, 21 221, nr. 3, blz. 32 e.v.) dat met de woorden ‘wiens belang rechtstreeks is betrokken’ een zekere begrenzing wordt beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is, hoe sterk dat gevoel ook moge zijn, niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Ook een persoon die wellicht enig belang heeft, doch zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet worden beschouwd als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang.

2.2. [appellant] heeft desgevraagd ter zitting bij de Afdeling bevestigd dat hij geen zicht op het horecabedrijf heeft, nu hij op ongeveer 3,5 kilometer afstand van dit bedrijf woont en daarbij verder ook geen betrokkenheid heeft. In de omstandigheid dat [appellant] zich als inwoner van de gemeente Zwolle betrokken voelt bij de bestuurspraktijk van het gemeentebestuur, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college hem als belanghebbende bij het besluit van 6 september 2012 had moeten aanmerken. [appellant] onderscheidt zich hiermee onvoldoende van andere inwoners van de gemeente en heeft daarmee geen belang gesteld dat rechtstreeks wordt geraakt door dat besluit. Dat het besluit van 6 september 2012 aan hem is toegezonden, noopt niet tot een andersluidend oordeel. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb verplicht het bestuursorgaan een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht, in ieder geval bekend te maken aan degenen die als geadresseerden daarvan kunnen worden aangemerkt. Dit laat echter onverlet dat het bestuursorgaan het desbetreffende besluit ook aan anderen kan toezenden. In dit geval heeft de gemeente aanleiding gezien om bij wijze van service [appellant] het besluit van 6 september 2012 toe te zenden, omdat hij naar aanleiding van de onverplichte terinzagelegging voor een ieder van de aan dat besluit ten grondslag liggende aanvragen een reactie had ingediend. Dit betekent echter niet dat [appellant] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij dat besluit moet worden aangemerkt en in zijn bezwaar had moeten worden ontvangen.

Het betoog faalt.

3. Voor zover [appellant] voorts heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op door hem aangevoerde beroepsgronden over gebreken in de totstandkoming van het besluit van 6 september 2012, wordt overwogen dat ook dat betoog faalt. Bij de rechtbank lag allereerst de vraag voor of het college het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Nu uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, volgt dat de rechtbank die vraag terecht bevestigend heeft beantwoord, is zij evenzeer terecht niet aan een inhoudelijke bespreking van de overige door [appellant] aangevoerde beroepsgronden toegekomen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

434-797.