Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1226

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201307324/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college aan de vereniging Motorsport Club Boekel (hierna: M.C. Boekel) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein op het perceel Putakker 6 te Boekel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/5294

Uitspraak

201307324/1/A4.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Boekel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het college aan de vereniging Motorsport Club Boekel (hierna: M.C. Boekel) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein op het perceel Putakker 6 te Boekel.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. de Jong, alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.G. Wintjes en ing. P.A. Jans, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Brabant Noord, en drs. F.W. Bello, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting M.C. Boekel, vertegenwoordigd door P. van Uden, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak wordt dan ook de Wet milieubeheer aangehaald zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010.

2. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer ziet op het houden van trainingen gedurende minder dan acht uur per week en de daarbij behorende activiteiten aan de motoren tijdens trainingen, het exploiteren van een clubgebouw gedurende de tijden dat gecrost wordt, onderhoud van de baan en het gedurende drie weekeinden per jaar houden van wedstrijden, festiviteiten en het bieden van gelegenheid tot kamperen.

Algemeen toetsingskader

3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bestemmingsplan

4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte vergunning heeft verleend voor de inrichting, omdat de daarbij toegestane activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan "Recreatiegebied 1993" en het college niet voornemens is de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen.

4.1. Deze beroepsgrond is in deze procedure slechts van belang in het kader van mogelijke toepassing van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer. Ingevolge dat artikellid kan de vergunning worden geweigerd in geval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan. Het krachtens dat artikellid weigeren van een milieuvergunning betreft een bevoegdheid en geen verplichting. Hierbij komt aan het college beleidsvrijheid toe.

Het college heeft te kennen gegeven dat, voor zover door verlening van de vergunning strijd ontstaat met het bestemmingsplan, het voornemens is om medewerking te verlenen aan de planologische inpassing. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden.

Het betoog faalt.

Geluid

5. [appellant] stelt geluidhinder te vrezen als gevolg van de activiteiten op het crossterrein. Hij betoogt dat voor zijn woning aan de [locatie 1] ten onrechte in de vergunning geen geluidgrenswaarden zijn opgenomen en dat zijn woning niet in het akoestisch onderzoek naar de te verwachten geluidhinder vanwege het crossterrein is betrokken. Volgens hem verschilt de situatie ter plaatse van zijn woning aanzienlijk van de situatie ter plaatse van de woningen waarvoor de te verwachten geluidbelasting wel is bepaald, omdat tussen zijn woning en het crossterrein geen geluidswal ligt. Hij betwijfelt voorts of aan de in de vergunningvoorschriften opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

5.1. Het college heeft ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten aanzien van bepaalde activiteiten voorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 4.2.4 zijn voor trainingen grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van een aantal nabij de inrichting gelegen woningen. Deze grenswaarden variëren van 44 tot en met 50 dB(A) in de dagperiode.

In voorschrift 4.3.5 zijn voor wedstrijden grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van een aantal nabijgelegen woningen. Deze grenswaarden variëren van 53 tot en met 60 dB(A) in de dagperiode.

In voorschrift 4.4.2 zijn voor feestactiviteiten in de feesttent en aggregaten grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van een aantal nabijgelegen woningen. De grenswaarden voor de feestactiviteiten in de feesttent variëren van 41 tot en met 52 dB(A) in de avond- en nachtperiode tot 01.00 uur. De grenswaarden voor de aggregaten variëren van 15 tot en met 30 dB(A) in de nachtperiode tussen 01.00 uur en 07.00 uur.

5.2. Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting heeft het college de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

Het college heeft voor een aantal woningen de geluidbelasting berekend en in de vergunning grenswaarden voorgeschreven. De woning van [appellant] is door het college niet betrokken in het onderzoek vanwege de ligging van de woning van [appellant] ten opzichte van de andere woningen. De woning ligt verder van het crossterrein af dan de woningen die wel in het onderzoek zijn betrokken, maar ligt ook voor een groot deel achter de geluidswal. Het college heeft er, gelet hierop, bij het bestreden besluit van mogen uitgaan dat de woning van [appellant] een lagere geluidbelasting zal ondervinden dan de woningen waarvoor in de vergunningvoorschriften grenswaarden zijn opgenomen. Gelet hierop heeft het college bij het bestreden besluit in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat geen aanleiding bestond om, nu de woning van [appellant] een van de andere woningen afgeleide bescherming geniet, ook voor zijn woning de geluidbelasting te bepalen en grenswaarden in de vergunningvoorschriften op te nemen.

In de resultaten van een inmiddels in opdracht van het college door Peutz B.V. verricht onderzoek naar de geluidbelasting van de woning van [appellant] kan, anders dan [appellant] heeft betoogd, geen grond worden gevonden voor een ander oordeel. De onderzoeksresultaten bevestigen dat het college in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat met de vergunning geluidhinder in voldoende mate wordt beperkt. Volgens de resultaten van het onderzoek zal alleen bij het in werking zijn van aggregaten het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woning van [appellant] hoger zijn dan dat ter plaatse van de dichtst bij zijn woning gelegen woning aan de [locatie 2]. Dit door het in werking zijn van de aggregaten veroorzaakte langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van zijn woning is echter bijna 23 dB(A) en dus lager dan de in vergunningvoorschrift 4.4.2 voor de nachtperiode opgenomen grenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 30 dB(A). Deze laatste geluidgrenswaarde is gelijk aan de voor deze landelijke omgeving in de Handreiking aanbevolen richtwaarde van 30 dB(A) in de nachtperiode en door het college terecht acceptabel geacht.

Het betoog faalt.

Kamperen

6. [appellant] betoogt dat ten aanzien van het kamperen ten onrechte geen voorschriften ter beperking van hinder voor de omgeving aan de vergunning zijn verbonden. Hij wijst erop dat tijdens een internationale wedstrijd in de praktijk meer personen zullen kamperen dan waarvan in het bestreden besluit wordt uitgegaan. Voorts wijst hij erop dat in de vergunning niet is bepaald hoe lang gekampeerd mag worden.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het kamperen geen zodanige hinder voor de omgeving veroorzaakt dat ter zake voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

6.2. Gedurende drie weekeinden per jaar mag op het terrein worden gekampeerd. Op grond van de vergunning mogen maximaal 200 personen tijdens het jaarlijkse weekeinde dat internationale wedstrijden plaatsvinden op het terrein kamperen en tijdens het halfjaarlijkse weekeinde dat nationale wedstrijden plaatsvinden maximaal 20 tot 30 personen. Deze aantallen worden genoemd in de aanvulling op de aanvraag van 17 februari 2013, waarvan het college in het bestreden besluit heeft bepaald dat die deel uitmaakt van de vergunning. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de te verwachten aantallen kampeerders onjuist zijn. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat wordt verwacht dat de meeste kampeerders op zaterdag arriveren en op zondag weer vertrekken, maar dat het kan voorkomen dat enkele deelnemers aan de internationale wedstrijden op vrijdag arriveren en op maandag vertrekken. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze aannames onjuist zijn.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college, gelet op de toegestane maximum aantallen kampeerders tijdens de weekeinden dat wedstrijden plaatsvinden en de te verwachten duur van het kamperen, niet ervan heeft mogen uitgaan dat het kamperen niet zodanige hinder voor de omgeving veroorzaakt dat ter beperking van die hinder voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden.

Het betoog dat in het weekeinde dat internationale wedstrijden plaatsvinden meer dan 200 bezoekers op het terrein kamperen treft geen doel, aangezien dit de handhaving van de vergunning betreft. Dit staat thans niet ter beoordeling.

Het betoog faalt.

Wedstrijden

7. [appellant] betoogt dat vergunningvoorschrift 4.3.2 niet naleefbaar is. Volgens hem mogen de wedstrijden ingevolge dat voorschrift tot uiterlijk 18.30 uur duren, zodat de aansluitende prijsuitreiking, afbraak van de voorzieningen en ontruiming van het kampeerterrein na 18.30 uur zullen plaatsvinden.

7.1. In voorschrift 4.2.1 is bepaald dat de inrichting slechts gebruikt mag worden gedurende onderstaande perioden:

- Zomerperiode (1 maart tot en met 31 oktober), op woensdagen van 15.05 tot 19.00 uur en op zaterdagen van 13.00 tot 17.00 uur.

- Winterperiode (1 november tot en met 28 februari), op woensdagen van 13.05 tot 17.00 uur en op zaterdag van 13.00 tot 17.00 uur.

In voorschrift 4.3.2 is bepaald dat van de in voorschrift 4.2.1 genoemde bedrijfstijden voor het houden van wedstrijden ten hoogste drie weekenden per jaar mag worden afgeweken in de periode 9.30 tot 18.30 uur.

7.2. Vergunningvoorschrift 4.3.2 heeft betrekking op het houden van wedstrijden tijdens weekeinden. Blijkens de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van de vergunning, vinden de wedstrijden tussen 9.30 en 18.00 uur plaats. Volgens het college vindt de prijsuitreiking direct aansluitend aan de wedstrijden plaats, maar worden pas de dag na de wedstrijdweekeinden de voorzieningen afgebroken en het kampeerterrein ontruimd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 4.3.2 niet naleefbaar is.

Het betoog faalt.

Natuurwaarden

8. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het college de vergunning wegens nadelige gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de in de omgeving aanwezige natuurwaarden ten onrechte niet heeft geweigerd, overweegt de Afdeling dat, reeds omdat hij niet heeft onderbouwd om welke natuurwaarden het gaat en waarom de inrichting nadelige gevolgen voor die natuurwaarden zou kunnen hebben, dit betoog faalt.

Slotoverwegingen

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

163-784.