Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1216

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201303357/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6407, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het dagelijks bestuur geweigerd handhavend op te treden tegen het kunstgrasvoetbalveld aan de Johan de Wittlaan te Rotterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/434
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6792

Uitspraak

201303357/1/A1.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging van Eigenaren Johan de Wittpark,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2013 in zaken nrs. 12/9732 en 9738 in het geding tussen:

de vereniging en anderen

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het dagelijks bestuur geweigerd handhavend op te treden tegen het kunstgrasvoetbalveld aan de Johan de Wittlaan te Rotterdam.

Bij besluit van 26 oktober 2011, voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2013 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2014, waar de vereniging, vertegenwoordigd door drs. J. Lasker en drs. M.M. Lasker van Leeuwen, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

2. Het kunstgrasvoetbalveld is voorzien op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Kern en Plassen" de bestemming "Groen" rust.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn gronden aangewezen voor "Groen" onder meer bestemd voor park, plantsoen, speelgelegenheden en fiets- en voetpaden.

3. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het plaatsen van een kunstgrasvoetbalveld niet kan worden aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Daarbij heeft zij verwezen naar een brief van 11 juli 2005 van de Afdeling Sport en Recreatie van de gemeente Rotterdam aan het dagelijks bestuur met betrekking tot de plannen voor onderhavige locatie en de daarbij behorende begroting en tekeningen, alsmede naar de notulen van een overleg van 11 mei 2005 over onder meer de plannen voor onderhavige locatie.

3.1. Het begrip bouwwerk is in de Wabo als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 september 2012 in zaak nr. 201112262/1/A1), kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wabo aansluiting worden gezocht bij de definitie van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Het college heeft in beroep toegelicht dat het kunstgrasvoetbalveld in drie lagen is aangebracht op een bestaande ondergrond met drainage. Het door de vereniging aangevoerde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 19 juli 2006 in zaak nr. 200509405/1 en van 9 juli 2008 in zaak nr. 200707614/1, wordt overwogen dat de aanleg van een kunstgrasveld als dit niet op één lijn kan worden gesteld met het bouwwerk zoals aan de orde was in de door de vereniging genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2005 in zaak nr. 200500169/1. Ook in het onderhavige geval ontbreekt het constructieve element als bedoeld in de bouwverordening. Het kunstgrasveld kan voorts zonder hekwerk functioneren, zodat ook in dit opzicht het constructieve element als bedoeld in de modelbouwverordening ontbreekt. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een bouwwerk en derhalve voor de aanleg van het kunstgrasveld geen bouwvergunning is vereist.

Voor zover de vereniging zich op het standpunt stelt dat de omheining van het kunstgrasvoetbalveld op zichzelf als bouwwerk moet worden aangemerkt, wordt overwogen dat dit hekwerk is aangebracht na het onderhavige besluit op bezwaar zodat dit geen onderwerp van geschil is en daarvoor bovendien een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend.

Het betoog faalt.

4. De vereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het kunstgrasvoetbalveld in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat het kunstgrasveld in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming "Groen".

4.1. Het begrip "speelgelegenheden", waartoe percelen met de bestemming "Groen" onder meer zijn bestemd, is niet gedefinieerd in het bestemmingsplan, zodat de rechtbank voor de uitleg van dit begrip aansluiting heeft kunnen zoeken bij de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2010 in zaak nr. 200904717/1 en van 16 januari 2014 in zaak nrs. 201310365/1 en 201310365/2, wordt overwogen dat volgens het normale spraakgebruik onder een speelgelegenheid dan wel speelvoorziening dient te worden verstaan een in de openbare ruimte - buiten - gelegen gelegenheid om te kunnen spelen, waaronder het onderhavige kunstgrasvoetbalveld kan worden begrepen.

Dat, zoals de vereniging aanvoert, in artikel 18 van de planvoorschriften met betrekking tot de bestemming "Recreatieve voorzieningen" is bepaald dat deze gronden zijn bestemd voor speelterrein leidt niet tot een ander oordeel. Daaruit volgt, anders dan de vereniging betoogt, niet dat een sportveld niet is toegestaan op de bestemming "Groen". Dit geldt ook voor de omstandigheid dat in artikel 19 van de planvoorschriften met betrekking tot de bestemming "Groen" is bepaald dat daar slechts kleinschalige speeltoestellen mogen worden gebouwd, nu het niet om een bouwwerk gaat, zoals hiervoor is overwogen. Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat een speelgelegenheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is beperkt tot een voorziening voor kleine kinderen, zoals de Vereniging betoogt. De tekst van de planvoorschriften biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

Aan de plantoelichting op artikel 19 van de planvoorschriften, waarin is opgenomen dat in de bestemming "Groen" kleinschalige speeltoestellen zijn toegestaan ten behoeve van speelgelegenheden voor kleine kinderen, komt, anders dan de vereniging betoogt, in dit kader voorts geen betekenis toe, nu deze geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

580.