Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201302663/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning ten behoeve van de exploitatie van [coffeeshop] aan de [locatie] te Amsterdam ingetrokken en hem onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van de coffeeshop binnen twee weken na verzending van het besluit te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302663/1/A3.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. [coffeeshop], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2013 in zaak nrs. 13/13 en 13/26 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning ten behoeve van de exploitatie van [coffeeshop] aan de [locatie] te Amsterdam ingetrokken en hem onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van de coffeeshop binnen twee weken na verzending van het besluit te beëindigen.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.J. de Groot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Apv), is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

Ingevolge artikel 3.11, tweede lid, kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder d en e, houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond rekening met de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

Ingevolge artikel 3.16, derde lid, doen de exploitant en de leidinggevende wat nodig is voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan.

Ingevolge artikel 3.24, aanhef en onder a, kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken als de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens hoofdstuk 3 bepaalde overtreedt.

Ingevolge artikel 3.24, aanhef en onder b, kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid van deze verordening of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 3.11, derde lid, onder e, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen.

2. Op 1 maart 2011 heeft de Nationale Recherche onder leiding van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek met de naam Warnow II ingesteld (hierna: het opsporingsonderzoek), dat was gericht op de handel, import en export van drugs, in ieder geval hasj, al dan niet in een georganiseerd verband. Op grond van dit opsporingsonderzoek zijn [neef A] en [neef B], beiden neven van [appellant], als leiders van een criminele organisatie aangemerkt die van begin 2005 tot medio 2011 op grote schaal handelde in softdrugs.

Aan de hand van afgeluisterde telefoongesprekken, onderschept sms-berichtverkeer, bevragingen, observaties en inbeslagnames heeft de Nationale Recherche zich voorts op het standpunt gesteld dat [appellant] en [leidinggevende] in de coffeeshop alsook gevolmachtigde van [appellant], deelnamen aan deze criminele organisatie. [appellant] wordt in het opsporingsonderzoek in verband gebracht met een inbeslagname van 100 kilo hasj in België in 2006. Op 8 december 2011 is de woning van [leidinggevende] onderzocht. Daarbij is ongeveer 3,5 kilo hennep en 7,5 kilo hasj aangetroffen. In verband daarmede is [leidinggevende] op dezelfde dag aangehouden op verdenking van overtreding van de artikelen 3 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, te weten de handel in verdovende middelen in georganiseerd verband, de deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld.

De coffeeshop is vanaf 2009 tot en met 2011 beheerd door [leidinggevende]. Voorts waren [neef B] en [leidinggevende] tot 8 december 2011 werkzaam in de coffeeshop.

3. De burgemeester heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het levensgedrag en de wijze van bedrijfsvoering van [appellant] een gevaar oplevert voor de openbare orde en een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop. Daarbij heeft hij betrokken dat [appellant] op grond van de bevindingen van het opsporingsonderzoek wordt aangemerkt als verdachte van een drugstransport uit 2006 en dat [neef B] ervan wordt verdacht de opdrachtgever van dit transport te zijn. De burgemeester heeft voorts de zwaarte van de waargenomen criminele activiteiten, de eerdere veroordelingen van [neef B] en het gegeven dat [neef B] tot december 2011 als leidinggevende werkzaam was in de coffeeshop van belang geacht.

De burgemeester heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] als exploitant niet in staat is gebleken de bedrijfsvoering van de coffeeshop op orde te houden, nu vaststaat dat [leidinggevende] en [neef B] zich als medewerkers van de coffeeshop bezighielden met grootschalige drugshandel en het witwassen van geld.

4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de burgemeester niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant] van slecht levensgedrag is.

5. De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat volgens de bevindingen van het opsporingsonderzoek [neef B] [leidinggevende] aanstuurde en [neef B] feitelijk de spil was in de coffeeshop, dat [neef B] zeer frequent in de coffeeshop aanwezig was, terwijl hij voor 16 uur per week in dienst was genomen en dat de voor criminele activiteiten gebruikte telefoon van [neef B] dikwijls in de coffeeshop achterbleef, terwijl hij zelf niet aanwezig was. Nu [neef B] en [leidinggevende], die werkzaam waren als bedrijfsleiders in de coffeeshop, tevens zijn aangehouden dan wel zijn veroordeeld wegens drugshandel, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat vanuit de coffeeshop criminele activiteiten plaatsvonden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [appellant] als exploitant voorts verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en daarmee ook voor degene aan wie hij de exploitatie overlaat. Dat hij de exploitatie aan een ander overlaat, ontslaat hem in ieder geval niet van de plicht erop toe te zien dat er geen criminele activiteiten in de coffeeshop plaatsvinden. Dat [appellant] niet wist of kon weten dat criminele activiteiten plaatsvonden in de coffeeshop, acht de voorzieningenrechter daarbij niet aannemelijk, aangezien [appellant] heeft verklaard met enige regelmaat in de avonduren in de coffeeshop aanwezig te zijn en hij op 1 oktober 2010 [neef B] na diens veroordeling in 2009 weer in dienst heeft genomen. Dat [appellant] niet wist of niet kon weten dat [neef B] in 2009 was veroordeeld, acht de voorzieningenrechter evenmin aannemelijk, nu [neef B] en [appellant] familie zijn.

Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen besluiten dat als gevolg van de tekortkomingen in de wijze van bedrijfsvoering van [appellant] het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshop en de openbare orde en veiligheid nadelig worden beïnvloed en was de burgemeester derhalve bevoegd tot het intrekken van de exploitatievergunning.

6. Het hoger beroep van [appellant] is beperkt tot het onder 5. opgenomen oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot de wijze van bedrijfsvoering door [appellant].

7. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat hij niet wist of kon weten dat in de coffeeshop criminele activiteiten plaatsvonden. [appellant] voert hiertoe aan dat hij in 2011 de exploitatie van de coffeeshop heeft overgelaten aan [neef B] en [leidinggevende] en het aldus niet mogelijk was om erop toe te zien wat er in de coffeeshop gebeurde. In 2011 heeft hij weliswaar met enige regelmaat in de avonduren in de coffeeshop koffie gedronken, maar hij heeft aldaar nooit iets bemerkt van criminele activiteiten, aldus [appellant]. [appellant] voert tevens aan dat bij verlenging van zijn exploitatievergunning in 2010 [leidinggevende] niet van slecht levensgedrag werd gevonden, [neef B] hem niets heeft verteld over zijn veroordeling en dat de invoer en handel van partijen softdrugs in alle heimelijkheid buiten de exploitatie van de coffeeshop plaatsvond.

Gelet op het voorgaande stelt [appellant] zich dan ook op het standpunt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hij op de hoogte had moeten zijn van de criminele activiteiten in de coffeeshop en dat hem daarom een slechte bedrijfsvoering kan worden verweten.

7.1. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat [appellant] als exploitant van de coffeeshop verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering van de coffeeshop en ook voor zover die heeft plaatsgevonden door de personen aan wie [appellant] de exploitatie van de coffeeshop gedurende een bepaalde periode heeft overgelaten. Aan die laatste omstandigheid noch aan de stelling van [appellant] dat hij in 2011 bij zijn bezoeken aan de coffeeshop niets heeft bemerkt van criminele activiteiten komt daarom de betekenis toe die [appellant] hieraan verbindt. De voorzieningenrechter heeft in dit kader voorts terecht van belang geacht dat [neef B] na diens veroordeling in 2009 op 1 oktober 2010 door [appellant] in dienst is genomen. De stelling dat [neef B] hem niets heeft verteld over deze veroordeling, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Hiertoe wordt overwogen dat [neef B] en [appellant] directe familieleden van elkaar zijn en [neef B] vanaf november 2004 tot en met december 2011 op enigerlei wijze bij de exploitatie van de coffeeshop was betrokken. Dat de invoer en handel van partijen softdrugs in alle heimelijkheid buiten de exploitatie van de coffeeshop plaatsvond, is evenmin door [appellant] aannemelijk gemaakt. Daartoe wordt overwogen dat, gezien de bevindingen van het opsporingsonderzoek aangaande [neef B] en [leidinggevende], welke door [appellant] niet gemotiveerd zijn betwist, [neef B] [leidinggevende] aanstuurde, [neef B] een aanzienlijke rol in de exploitatie van de coffeeshop vervulde, aldaar dikwijls aanwezig was en de voor de criminele activiteiten gebruikte telefoon van [neef B] dikwijls in de coffeeshop achterbleef, terwijl [neef B] zelf niet aanwezig was. Nu [neef B] en [leidinggevende] zijn aangehouden dan wel zijn veroordeeld wegens drugshandel en ten tijde van belang beiden als bedrijfsleider in de coffeeshop hebben gewerkt, deelt de Afdeling het oordeel van de voorzieningenrechter dat de burgemeester aannemelijk heeft mogen achten dat vanuit de coffeeshop criminele activiteiten plaatsvonden. [leidinggevende] is eerst op 8 december 2011 aangehouden. Bij verlenging van de exploitatievergunning in 2010 kon derhalve redelijkerwijs hiermee geen rekening worden gehouden.

De betogen falen.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

280-797.