Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
201203773/2/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:512, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college de door [appellant] in het kader van het Project verplaatsing intensieve veehouderijen Noord- en Midden-Limburg 2009 (hierna: het Project) gedane aanmelding voor een tegemoetkoming in de kosten van en subsidie voor de verplaatsing van de door hem gedreven veehouderij afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201203773/2/A4.

Datum uitspraak: 9 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 februari 2012 in zaak nr. 11/149 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college de door [appellant] in het kader van het Project verplaatsing intensieve veehouderijen Noord- en Midden-Limburg 2009 (hierna: het Project) gedane aanmelding voor een tegemoetkoming in de kosten van en subsidie voor de verplaatsing van de door hem gedreven veehouderij afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college de aanmelding alsnog geaccepteerd en de voorgenomen verplaatsing van de veehouderij gelijkgesteld aan een samenvoeging van bedrijven.

Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.W.M. van Alphen, werkzaam bij Remie Fiscaal, Juridisch en Bedrijfseconomisch Adviesbureau, vergezeld door ir. A.H.J. van der Putten en ing. M.H.T.G. Mulders, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hermans en ir. M.A.W. Smeets, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2013 in zaak nr 201203773/1/A4, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 4 het daarin omschreven gebrek in het besluit van 7 december 2010 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

besluit van 7 januari 2014 heeft het college het besluit van 7 december 2010 gewijzigd en met een gewijzigde motivering het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat de in het kader van het Project verplaatsing intensieve veehouderijen Noord- en Midden-Limburg 2009 voorgenomen verplaatsing van de veehouderij van [appellant] naar het perceel [locatie] te Deurne, waarop een varkenshouderij van [belanghebbende] aanwezig is, geen nieuwvestiging of samenvoeging is in de zin van de Beleidsregels Project Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Noord- en Midden-Limburg 2009 (hierna: Beleidsregels). Het college heeft terecht bij het besluit van 7 december 2010, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, van de Beleidsregels.

De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling niet onderkend dat het college door de enkele motivering dat de bedrijfsverplaatsing van [appellant] feitelijk een samenvoeging is in de zin van de Beleidsregels en dat bij samenvoeging van bedrijven de kosten in het algemeen lager zijn dan bij nieuwvestiging, onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen voor vergoeding in aanmerking komt. Daarbij achtte de Afdeling van belang dat door [appellant] een rapport ‘Rapport kostenvergelijking verplaatsing in het kader VIV Ossendijk 90 Ysselsteyn (Lb)’ van 12 april 2011 van DLV Bouw, Milieu en Techniek BV (hierna: Rapport kostenvergelijking) is overgelegd, waarin wordt ingegaan op te verwachten kosten bij een bedrijfsverplaatsing.

2. De Afdeling heeft het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak alsnog met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen toereikend te motiveren waarom aan [appellant] een vergoeding van ten hoogste 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt toegekend dan wel het besluit van 7 december 2010 te wijzigen.

3. Het college heeft bij besluit van 7 januari 2014 het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 15 juli 2010, waarbij is bepaald dat niet meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen zal worden vergoed, opnieuw ongegrond verklaard. De bedrijfsverplaatsing van het bedrijf van [appellant] naar het perceel [locatie] is volgens het college in relevant opzicht gelijk aan die van een samenvoeging in de zin van de Beleidsregels, zodat redelijk wordt geacht dat evenals bij een dergelijke samenvoeging niet meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt vergoed.

Het college heeft uiteengezet waarom in het algemeen de kosten bij nieuwvestiging van een veehouderij op een perceel hoger zijn dan de kosten van samenvoeging van twee bedrijven op een perceel waarop al een bedrijf wordt uitgeoefend. In het Rapport kostenvergelijking heeft het college geen aanleiding gezien voor het standpunt dat in dit geval niet kan worden vastgehouden aan de algemene uitgangspunten. Daarbij heeft het betrokken dat in het Rapport kostenvergelijking twee wat de eindsituatie betreft ongelijke situaties worden vergeleken. Voorts behoudt volgens het college, anders dan waarvan in dat rapport is uitgegaan, de fokzeugenstal op het perceel [locatie] een functie en is de luchtwasser ten onrechte als kostenpost opgenomen bij alleen de situatie van samenvoeging. Daarbij heeft het college verder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat anders dan waarvan in het Rapport kostenvergelijking wordt uitgegaan, ten behoeve van de inmiddels uitgevoerde bedrijfsverplaatsing geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden.

Het college wijst er voorts op dat ook in drie andere gevallen bij toepassing van de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 13 van de Beleidsregels, is bepaald dat niet meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen voor vergoeding in aanmerking komt.

4. Bij besluit van 7 januari 2014 heeft het college het besluit van 7 december 2010 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5. [appellant] heeft - kort weergegeven - betoogd dat het college bij het besluit van 7 januari 2014 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom voor de bedrijfsverplaatsing van [appellant] niet meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt vergoed. Volgens hem heeft het college onvoldoende betekenis toegekend aan de in het Rapport kostenvergelijking gemaakte vergelijking van kosten van de bedrijfsverplaatsing. [appellant] wijst voorts op een aantal omstandigheden die maken dat de kosten van samenvoeging van zijn bedrijf met dat van [belanghebbende] hoger zijn dan in geval van nieuwvestiging van zijn bedrijf op een perceel.

5.1. Het college heeft zich bij het besluit van 7 januari 2014 met juistheid op het standpunt gesteld dat in het algemeen verplaatsing van een veehouderijbedrijf naar een locatie waarop al een intensieve veehouderij wordt uitgeoefend, goedkoper kan worden gerealiseerd dan verplaatsing van een bedrijf naar een perceel waarop nog geen bedrijf wordt uitgeoefend. Het college heeft ervan kunnen uitgaan dat in de regel procedures op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu bij samenvoeging eenvoudiger zijn, onder meer omdat realisatie mogelijk is op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan agrarische bebouwing mag worden opgericht. Zoals het college met juistheid heeft gesteld, is het indien op een perceel al een bedrijf wordt uitgeoefend veelal niet nodig dat perceel nog geheel in eigendom te verkrijgen en zijn infrastructuur en nutsvoorzieningen reeds aanwezig. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet ervan heeft mogen uitgaan dat de kosten van het aansluiten van een perceel op hoofdleidingen van gas, water en elektriciteit, zoals ingeval van vestiging op een onbebouwd perceel, in de regel hoger zijn dan de kosten van aansluiting van een bouwwerk op de reeds op het perceel aangelegde nutsvoorzieningen, zoals ingeval van verplaatsing van een veehouderij naar een perceel waarop al een bedrijf wordt uitgeoefend.

In het Rapport kostenvergelijking heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de bedrijfsverplaatsing van [appellant] zodanig anders is dan andere bedrijfsverplaatsingen naar een perceel waarop al een veehouderij aanwezig is, dat in dit geval desalniettemin aanleiding bestond om meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde voor vergoeding in aanmerking te laten komen. In het Rapport kostenvergelijking is als voorbeeld van de kosten een vergelijking gemaakt. De kosten ingeval van een eerste vestiging op een perceel worden vergeleken met die van een samenvoeging van twee bedrijven op het perceel [locatie]. In het Rapport kostenvergelijking wordt bij wijze van voorbeeld van bepaalde uitgangspunten uitgegaan, terwijl, wat daar overigens ook van zij, niet is gebleken dat de desbetreffende kosten bij de verplaatsing van het bedrijf van [appellant] ook daadwerkelijk worden gemaakt, zoals de omstandigheid dat [appellant] en [belanghebbende] elk voor de helft eigenaar van de ondergrond van de bedrijfsbebouwing van de ander worden.

Blijkens het Rapport kostenvergelijking kan op het perceel [locatie] de uitbreiding van het bestaande bedrijf met het bedrijf van [appellant] binnen het bestaande bouwblok worden gerealiseerd, hetgeen [appellant] heeft bevestigd. Het college is er derhalve terecht van uitgegaan dat in zoverre geen wijziging van het geldende bestemmingsplan nodig is. Voor zover [appellant] er op wijst dat de kosten van het verkrijgen van vergunningen bij de onderhavige bedrijfsverplaatsing aanzienlijk hoger zijn, omdat de bestaande gebouwen moeten worden ingetekend op kaarten, behorende bij de vergunningaanvragen, bestaat daarvoor geen grond. Het college is er terecht van uitgegaan dat bij vestiging op een nieuw perceel in de regel procedures ten behoeve van het verkrijgen van vergunningen aanzienlijk duurder zijn, onder meer in verband met de te verwachten bezwaren van omwonenden.

Onder deze omstandigheden heeft het college toereikend gemotiveerd waarom bij toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Beleidsregels in het geval van de verplaatsing van het bedrijf van [appellant] geen aanleiding bestaat meer dan 80% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de bedrijfsgebouwen te vergoeden.

5.2. [appellant] heeft in de zienswijze betoogd dat het besluit van 7 januari 2014 in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen, nu het college ten aanzien van een bedrijfsverplaatsing in Bergen wel de maximale vergoeding van de gecorrigeerde vervangingswaarde heeft toegekend, terwijl die bedrijfsverplaatsing niet van de zijne verschilt. Deze grond heeft [appellant] wat betreft het bij de rechtbank bestreden besluit van 7 december 2010 eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond wat betreft het bij de rechtbank bestreden besluit van 7 december 2010 en derhalve ook het besluit van 7 januari 2014 buiten beschouwing te blijven.

6. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt gezien het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het college met zijn besluit van 7 januari 2014 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.

7. Het hoger beroep is gezien de tussenuitspraak gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 december 2010 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het beroep tegen het besluit van 7 januari 2014 is ongegrond.

8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 februari 2012 in zaak nr. 11/149, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 7 december 2010, kenmerk 2010 152666;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2014, kenmerk 2013/71105, van het college van gedeputeerde staten van Limburg ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant A], [appellante B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.268,34 (zegge: twaalfhonderdachtenzestig euro en vierendertig cent), waarvan een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant A], [appellante B] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2014

163.