Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1185

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201307500/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:7422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het college het door [appellante] ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307500/1/A2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2013 in zaak nr. 12/9773 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het college het door [appellante] ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij uitspraak van 3 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. H.E. Jansen-van der Hoek, werkzaam bij een juridisch adviesbureau, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Dalloesingh, werkzaam bij de gemeente, en mr. H.X. Botter, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ten behoeve van de realisering van een appartementencomplex heeft één van de vennoten van [appellante], [vennoot] op 3 oktober 2007 een aantal percelen gekocht van [belanghebbende] voor een bedrag van € 800.000,00. Deze percelen zijn door [belanghebbende] op 29 januari 2010 geleverd. In artikel 15 van de leveringsakte is bepaald:

"Terugkoopregeling

Artikel 15

Koper is voornemens op het verkochte een appartementencomplex te realiseren. Koper en verkoper zijn overeengekomen dat indien koper niet uiterlijk op eenendertig december tweeduizend tien is gestart met de bouw van gemeld appartementencomplex, verkoper het verkochte terug kan kopen voor een bedrag van € 800.000,00 vrij op naam. De teruglevering dient alsdan te geschieden in dezelfde staat als waarin het verkochte zich thans bevindt. Verkoper is gehouden vóór een februari tweeduizend elf aan koper mede te delen, of hij van gemeld terugkooprecht gebruik wenst te maken."

2. [appellante] heeft op 16 april 2010 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning op grond van de Woningwet ingediend. [belanghebbende] heeft het terugkooprecht op 21 januari 2011 ingeroepen. Bij vonnis van 21 maart 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de door [belanghebbende] ingestelde vordering tot medewerking aan de juridische eigendomsoverdracht door [appellante] en haar vennoten toegewezen. Het college heeft de bouwvergunning op 14 maart 2012 verleend.

3. [appellante] heeft het college verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade van € 1.002.396,18. Deze schade is volgens haar het gevolg van het niet tijdig beslissen op de door haar ingediende aanvraag om bouwvergunning. Het college heeft bij besluit van 30 oktober 2012 het verzoek afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat de gestelde schade niet het gevolg is van het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag om bouwvergunning.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het terugkooprecht eerst in de leveringsakte van 29 januari 2010 is overeengekomen en dat [appellante] de aanvraag om bouwvergunning pas vier maanden later heeft ingediend. Zij voert daartoe aan dat de koopovereenkomst reeds op 3 oktober 2007 tot stand is gekomen.

4.1. In de op 3 oktober 2007 door partijen ondertekende koopovereenkomst is geen terugkoopregeling opgenomen. Deze regeling is voor het eerst schriftelijk overeengekomen in de akte van levering van 29 januari 2010. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het terugkooprecht al op 3 oktober 2007 met [belanghebbende] is overeengekomen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de termijn waarbinnen het college had moeten beslissen op de ingediende aanvraag om bouwvergunning liep tot 10 juni 2011. Volgens [appellante] heeft de rechtbank niet onderkend dat in een brief van de Teamleider Frontoffice Publiekszaken, Ruimtelijke Zaken van 4 november 2009 is vermeld dat de gehele procedure, nadat de bouwaanvraag zou zijn ingediend, zeventien weken zou duren. Nu op 16 april 2010 een complete vergunningaanvraag is ingediend mocht de vergunning medio augustus 2010, en derhalve ruim voor het moment dat [belanghebbende] zijn rechten uit de terugkoopregeling kon inroepen, worden verwacht, aldus [appellante]. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij had kunnen weten dat vóór de datum waarop beslist moest zijn op de aanvraag om bouwvergunning, van het terugkooprecht gebruik kon worden gemaakt.

5.1. De brief van 4 november 2009 betreft een reactie op de aankondiging van [vennoot] dat zij een voorheen door [belanghebbende] ingediende doch buiten behandeling gestelde aanvraag om bouwvergunning opnieuw wilde indienen. In de brief is uiteengezet dat het eerdere bouwplan op diverse punten in strijd was met het bestemmingsplan. In die brief staat dat voordat een bouwvergunning kan worden verleend, het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd, binnenplanse en buitenplanse vrijstellingen nodig zijn en een vrijstelling dient te worden verleend voor het bouwen in een primaire waterkering. In de brief is voorts vermeld dat ten aanzien van deze drie procedures steeds een in de brief beschreven procedure zal worden doorlopen. Deze procedure zal volgens de brief circa zeventien weken duren. Ten slotte is [vennoot] gewezen op een aantal onvolledigheden in de in het verleden door [belanghebbende] ingediende aanvraag om bouwvergunning.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de termijn waarbinnen beslist moest worden op de door [appellante] ingediende aanvraag om bouwvergunning verstreek op 10 juni 2011. Anders dan [appellante] betoogt, kan uit de brief van 4 november 2009 niet worden afgeleid dat de bouwvergunning eerder, te weten circa zeventien weken na het indienen van de aanvraag om bouwvergunning, zou worden verleend. Uit de genoemde brief blijkt dat de bouwvergunning eerst kan worden verleend, nadat drie procedures zijn doorlopen die elk circa zeventien weken duren en tezamen derhalve 51 weken in beslag nemen. Het terugkooprecht is op 29 januari 2010 overeengekomen. [appellante] had kunnen weten dat de kans bestond dat [belanghebbende] het terugkooprecht zou inroepen voordat de bouwvergunning verleend zou zijn. De periode tussen 29 januari 2010 en 31 december 2010 omvat 48 weken. Nu [appellante] de bouwaanvraag eerst op 16 april 2010 heeft ingediend, had zij kunnen weten dat de bouwvergunning niet voor 31 december 2010 zou worden verleend. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt, gelet op hetgeen onder 5.2. is overwogen, tevergeefs dat de door haar geleden schade het gevolg is van de trage besluitvorming door de gemeente. Weliswaar verstreek de beslistermijn van het college op 10 juni 2011, de gestelde schade kan echter niet het gevolg worden geacht van het niet tijdig beslissen, nu [belanghebbende] het terugkooprecht reeds vier maanden voordat de beslistermijn afliep heeft ingeroepen.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

299-724.