Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201303425/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] tot uitwerking van het bestemmingsplan "Bakertand" voor een aantal van de in eigendom van [appellante] zijnde percelen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303425/1/R3.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Druten, gemeente Tilburg,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] tot uitwerking van het bestemmingsplan "Bakertand" voor een aantal van de in eigendom van [appellante] zijnde percelen afgewezen.

[appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief, bij de rechtbank Breda ingekomen, heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar de Afdeling doorgezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, is verschenen.

Overwegingen

1. De percelen hebben in het bestemmingsplan "Bakertand" de bestemming "Bedrijven uit te werken door Burgemeester en Wethouders - B2".

2. [appellante] betoogt dat aan de weigering tot uitwerking van het plan geen ruimtelijk relevante argumenten ten grondslag zijn gelegd. Het college voldoet niet aan zijn plicht het plan binnen de planperiode uit te werken. Die uitwerking heeft het college zelf in de hand. Volgens [appellante] is ingevolge de uitwerkingsregels een deeluitwerking op haar percelen mogelijk. Voorts stelt het college volgens [appellante] ten onrechte dat de uitwerking van het plan financieel niet uitvoerbaar is vanwege de hoge kosten voor de noodzakelijk geachte oostelijke ontsluitingsweg. Deze weg is volgens [appellante] niet nodig. De ontsluiting kan geschieden via de bestaande Abcovenseweg. Niet bestreden is dat deze weg het verkeer van de bedrijfspercelen van [appellante] kan verwerken. Het verkeersonderzoek waar het college naar verwijst, kan niet als motivering van de afwijzing dienen, omdat dit onderzoek niet als bijlage aan het besluit is gehecht. Voorts is dit verkeersonderzoek niet relevant, nu dit ziet op de ontwikkeling van het gehele bedrijventerrein.

[appellante] betoogt verder dat het college voor de noodzaak van de oostelijke ontsluitingsweg ten onrechte verwijst naar de toelichting van het bestemmingsplan, nu deze juridisch niet bindend is. Ook wijst het college voor deze noodzaak ten onrechte op de beschrijving in hoofdlijnen in de planregeling, omdat deze geen algemeen verbindend karakter heeft en slechts als uitgangspunt heeft te gelden waarvan kan worden afgeweken. De beschrijving op hoofdlijnen is onvoldoende duidelijk, concreet en dwingend. Ten slotte betoogt [appellante] dat het college in het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012 (zaak nr. 201110861/1/R3). In deze uitspraak ging het om gronden die niet liggen aan de openbare weg. De gronden van [appellante] liggen wel aan de openbare weg. Het is aldus geen vergelijkbaar geval volgens [appellante].

3. Het college stelt zich op het standpunt dat de uitwerking van het plan thans niet financieel uitvoerbaar is. In oktober 2009 heeft zij de ontwikkelstrategie voor het plangebied vastgesteld. Hierin is besloten tot uitstel van de ontwikkeling van het gebied en het plan vooralsnog niet uit te werken. De stedenbouwkundige structuur voor het gehele bestemmingsvlak is niet bekend. Voor de realisering van het te ontwikkelen bedrijventerrein is het noodzakelijk een oostelijke ontsluitingsweg aan te leggen. Daarvoor ontbreken de financiële middelen. Het college brengt hierbij voorts naar voren dat op basis van de beschrijving in hoofdlijnen geconcludeerd moet worden dat de percelen van [appellante] niet rechtstreeks mogen uitwegen op de Abcovenseweg. Alle ontsluiting vindt plaats vanaf de op de rotonde aan te leggen gebiedsontsluitingsweg in oostelijke richting. Hiernaast is de gewenste uitweg ook onveilig in het kader van een duurzaam veilig verkeerssysteem. Dit wordt bevestigd door een verkeersonderzoek in het kader van de ontwikkelstrategie Bakertand. Ten slotte wijst het college op de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, waarin is overwogen dat het bestemmingsplan voorschrijft dat er een oostelijke ontsluiting van het bedrijventerrein moet komen en dat een dergelijke ontsluiting financieel niet haalbaar is. Er kan volgens het college, gelet op deze uitspraak, niet worden voldaan aan de in het plan opgenomen uitwerkingsregels en beschrijving in hoofdlijnen.

4. Ingevolge artikel 1, onder 8, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bakertand", wordt onder een bestemmingsgrens verstaan een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak.

Ingevolge het bepaalde onder 9 wordt onder een bestemmingsvlak verstaan een door bestemmingsgrenzen op de kaart omgeven vlak.

Ingevolge artikel 3 (beschrijving in hoofdlijnen), tweede lid, is het doel van het plan het realiseren van een bedrijventerrein.

Ingevolge het derde lid is voor de stedenbouwkundige opbouw van het plangebied en de uitwerking van de diverse, in de voorschriften benoemde bestemmingen, het Stedenbouwkundig Masterplan richtinggevend, waarvan de uitgangspunten aan de basis hebben gestaan van deze voorschriften. Ter gelegenheid van de uitwerking wordt een beeldkwaliteitsplan vastgesteld voor het bedrijventerrein waarin de welstands- en (nadere) ruimtelijke eisen voor de uit te werken gebieden zijn vastgelegd. Het plan is maatgevend voor het aanzien van de diverse deelgebieden en sturend voor de inrichting van het gebied. De uitwerking van een gebied of een deel van het gebied vindt alleen plaats als het beeldkwaliteitsplan en de stedenbouwkundige opzet voor alle gronden binnen het desbetreffende bestemmingsvlak bekend zijn dan wel gelijktijdig wordt vastgesteld, zodat de deeluitwerking binnen het ruimere kader van het gehele bestemmingsvlak kan worden geplaatst. Er vindt afstemming plaats tussen de beeldkwaliteitsplannen voor de gebieden.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder a, b en c, wordt de verkeersstructuur, voor zover thans van belang, als volgt opgezet: als één systeem, de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein vindt plaats via de gronden met de bestemming "Verkeer & vervoer -V - " (alle ontsluiting vindt plaats vanaf een nieuw aan te leggen rotonde op de Abcovenseweg en vanaf de op de rotonde aan te leggen gebiedsontsluitingsweg in oostelijke richting) en er is in beginsel geen afzonderlijke ontsluiting van de bedrijven op de hoofdstructuur.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 7, tweede lid, aanhef onder a, wordt bij de uitwerking van de onder 1 genoemde bestemmingen de beschrijving in hoofdlijnen als bedoeld in artikel 3 als uitgangspunt gehanteerd.

Ingevolge artikel 7, derde lid, mag op de betrokken gronden uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig de uitwerking door het college van burgemeester en wethouders. Uitwerking mag per deel van het gebied plaatsvinden, mits de stedenbouwkundige structuur/het beeldkwaliteitsplan voor het gehele bestemmingsvlak bekend is dan wel uiterlijk gelijktijdig met de uitwerking wordt vastgesteld.

4.1. Over het betoog van [appellante] dat aan de weigering geen ruimtelijke argumenten ten grondslag zijn gelegd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in het bestreden besluit is aangegeven, ontbreekt een stedenbouwkundige structuur/beeldkwaliteitsplan voor het bestemmingsvlak, waarvan de betreffende gronden deel uitmaken, waarmee niet aan de voorwaarden voor uitwerking in artikel 7, derde lid, van de planvoorschriften is voldaan. Een stedenbouwkundige structuur zal volgens het besluit pas opgesteld worden als er duidelijkheid is over de mogelijkheid om een afslag te krijgen op de rijksweg A-58, waarmee de in de planregels voorgeschreven nieuwe oostelijke ontsluitingsweg, waarvan de aanleg financieel niet haalbaar is gebleken, niet meer nodig is.

Gelet op de begripsomschrijvingen in artikel 1, onder 8 en 9, van het bestemmingsplan wordt onder bestemmingsvlak verstaan het gehele vlak met de bestemming "Bedrijven uit te werken door Burgemeester en Wethouders - B2". Het gaat hierbij niet, zoals door [appellante] ter zitting is betoogd, om één perceel, nu individuele percelen op de verbeelding niet met bestemmingsgrenzen zijn omgeven. Een deeluitwerking voor de gronden van [appellante], zonder een stedenbouwkundige structuur/beeldkwaliteitsplan voor het bestemmingsvlak waarvan deze gronden deel uitmaken, is dan ook gelet op artikel 7, derde lid, van de planregels niet mogelijk. De hoofdontsluiting van het plangebied, de oostelijke ontsluitingsweg, maakt deel uit van de in artikel 3, zevende lid, van de in de planregels opgenomen beschrijving in hoofdlijnen. Deze bepaling is voldoende duidelijk, concreet en dwingend en aldus verbindend. Dat de beschrijving in hoofdlijnen ingevolge de artikelen 6 en 7 van de planregels bij de uitwerking als uitgangspunt wordt gehanteerd, betekent niet dat zonder meer kan worden afgeweken van de daarin voorgeschreven verkeersstructuur. Een ontsluiting via de bestaande Abcovenseweg strookt niet met de verkeersanalyse die deel uitmaakt van de planstukken. Uit de ontwikkelstrategie blijkt dat een deeluitwerking zonder aanleg van een afzonderlijke ontsluiting verkeerskundig niet acceptabel is, omdat het verkeer van het bedrijventerrein dan voor de verkeersafwikkeling gebruik moet maken van de wegen die lopen door de bebouwde kommen van Tilburg en Goirle. Dat de percelen van [appellante] aan de openbare weg liggen, neemt niet weg dat het plan ervan uitgaat dat een (deel-) ontwikkeling pas mogelijk is als de ontsluiting van het gehele plangebied zeker is gesteld. Dat die ontsluiting niet over de Abcovenseweg moet gaan, heeft het college voldoende onderbouwd. Naast de ontwikkelstrategie is een verkeersanalyse uitgevoerd. Deze verkeersanalyse is voldoende kenbaar, nu deze deel uitmaakt van de planstukken. Een onderdeel van de uitgevoerde verkeersanalyse is het aspect duurzaam veilig verkeerssysteem. Uit de verkeersanalyse blijkt dat het niet mogelijk is om onomstotelijk vast te stellen dat het niet aanleggen van de oostelijke ontsluiting verkeerskundig acceptabel is.

Dat voor 1 januari 2013 ter voldoening aan de actualiseringsplicht in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, de op het perceel rustende bestemmingen moesten worden heroverwogen en het college de eventuele uitwerking zelf in de hand heeft, betekent, wat daar ook van zij, niet dat het college gehouden en in staat was het plan voor uitsluitend de gronden van [appellante] uit te werken. Dat de gronden van [appellante], anders dan in voornoemde uitspraak van 19 december 2012 wel aan de openbare weg liggen, is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de voorziene verkeersafwikkeling, niet van belang. Het betoog faalt.

4.2. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

429-774.