Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201306413/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:2556, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 2 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over de berekeningsjaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten herzien en op respectievelijk € 6.505,00 en nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Abkort 2014/135

Uitspraak

201306413/1/A2.

m uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 14 juni 2013 in zaak nrs. 12/2022, 12/2026 en 12/2027 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over de berekeningsjaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten herzien en op respectievelijk € 6.505,00 en nihil vastgesteld.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij deze dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien de opgeroepen getuige, [getuige], te horen, nu zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp) in werking getreden. De hier van belang zijnde bepalingen zijn gelijkluidend aan die van de Wet kinderopvang (hierna: Wko).

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wko en artikel 1.1a, eerste lid, van de Wkkp is op de Wko onderscheidenlijk de Wkkp de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5 van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko en artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp heeft een ouder aanspraak op een toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko en artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp is de hoogte van de toeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

3. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 20 maart 2009 te kennen gegeven dat het aan [appellante] toe te kennen voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2009 wordt vastgesteld op € 12.354,00. Dit voorschot heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij besluit van 2 december 2011 herzien en vastgesteld op € 6.505,00. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen van [appellante] gevorderd een bedrag van € 5.849,00 terug te betalen.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 5 december 2009 te kennen gegeven dat het aan [appellante] toe te kennen voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2010 wordt vastgesteld op € 9.724,00. Bij besluit van 2 december 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot herzien en vastgesteld op nihil. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen van [appellante] gevorderd voormeld bedrag terug te betalen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen zijn verweerschrift te laat heeft ingediend.

4.1. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in.

Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

4.2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zijn verweerschrift één dag voor de zitting bij de rechtbank ingediend. Hoewel de Awb geen gevolgen verbindt aan het indienen van een verweerschrift buiten de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb vermelde termijn, moet daarbij evenwel artikel 8:58, eerste lid, van de Awb in acht worden genomen. Nu [appellante] eerst op de zitting kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het verweerschrift en de Belastingdienst/Toeslagen zijn verweerschrift heeft voorzien van een omvangrijke motivering, is aannemelijk dat [appellante] zich tegen die motivering niet adequaat heeft kunnen verdedigen en aldus in haar processuele belangen is geschaad. De rechtbank had het verweerschrift derhalve wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten laten.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank behoort te doen, zal het besluit van 14 mei 2012 worden getoetst in het licht van de daartegen bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden.

6. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 14 mei 2012 de onderscheiden besluiten van 2 december 2011 die betrekking hebben op de berekeningsjaren 2009 en 2010 gehandhaafd. Daarin heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond kosten voor kinderopvang te hebben gehad omdat zij een gezamenlijke rekening met de gastouder heeft, de kinderopvangtoeslag op die rekening is gestort en de bemiddelingskosten vanaf die rekening zijn betaald.

7. [appellante] heeft betoogd dat zij wel degelijk kosten voor kinderopvang heeft gehad. Daarbij heeft zij gewezen op bankafschriften en facturen van het gastouderbureau en voorts op een "verklaring eigen bijdrage" en een "verklaring van schenking". Volgens [appellante] volgt hieruit dat zij de gastouder heeft betaald en wat de hoogte van het bedrag van schenking is. Verder wijst [appellante] erop dat zij in 2009 de bemiddelingskosten aan het gastouderbureau heeft betaald.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, en - thans - artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

7.2. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [appellante] een gezamenlijke bankrekening met de gastouder - haar vader - heeft. De voorschotten kinderopvangtoeslag werden naar deze rekening overgemaakt en verder werden slechts de bureaukosten van het gastouderbureau vanaf deze rekening betaald. Dat, zoals [appellante] heeft gesteld, de gastouder gedurende de jaren 2009 en 2010 is betaald, blijkt uit de afschriften van deze bankrekening echter niet. Aan de "verklaring eigen bijdrage" en de "verklaring van schenking" kan niet de waarde worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wil zien, omdat uit de verklaringen niet blijkt dat de schenking op enigerlei wijze verband houdt met de kosten van kinderopvang over de jaren 2009 en 2010, noch dat [appellante] de gastouder daadwerkelijk heeft betaald. Uit het voorgaande volgt dat [appellante] op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de gastouder in de jaren 2009 en 2010 is betaald.

Het betoog faalt.

8. [appellante] heeft betoogd dat de Belastingdienst/Toeslagen en het gastouderbureau haar onvoldoende hebben geïnformeerd over de eigen bijdrage die zij diende te leveren in de kosten voor kinderopvang. Verder wijst [appellante] erop dat de Belastingdienst/Toeslagen er al langere tijd van op de hoogte was dat het gastouderbureau frauduleus handelde en dat de Belastingdienst/Toeslagen haar eerder relevante informatie hierover had moeten verschaffen zodat zij tijdig de kinderopvangtoeslag had kunnen stopzetten. Volgens [appellante] had de Belastingdienst/Toeslagen voorts ook het bedrag van de aan haar toegekende voorschotten bij dat bureau moeten terugvorderen.

8.1. Dat [appellante] dient bij te dragen in de kosten voor kinderopvang om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag, volgt reeds uit artikel 5, eerste lid, van de Wko en - thans - artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp. Verder blijkt uit het dossier dat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] bij brief van 21 juni 2011 op de hoogte heeft gesteld van het onderzoek van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst naar de activiteiten van het door [appellante] ingeschakelde gastouderbureau. Het enkele feit dat - naar [appellante] heeft gesteld - de Belastingdienst/Toeslagen reeds langere tijd van dit onderzoek op de hoogte was, betekent niet dat de Belastingdienst/Toeslagen uit het oogpunt van zorgvuldigheid gehouden was om [appellante] hierover eerder informatie te verstrekken. Aangezien de voorschotten kinderopvangtoeslag aan [appellante] zijn toegekend, heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze, gelet op artikel 26 van de Awir, terecht van haar teruggevorderd.

Het betoog faalt.

9. [appellante] heeft ten slotte een beroep gedaan op een brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 september 2011 met kenmerk DGB/2011/5780 U.

9.1. Dit beroep faalt reeds, nu [appellante] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij moet worden aangemerkt als gedupeerde, zoals omschreven in voormelde brief.

10. Het inleidende beroep tegen het besluit van 14 mei 2012 is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 14 juni 2013 in zaak nrs. 12/2022, 12/2026 en 12/2027;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Heer

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

636.