Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201306175/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk RAAD/13/01412, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard-Echteld" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/301
Milieurecht Totaal 2014/2699
Milieurecht Totaal 2014/6138

Uitspraak

201306175/1/R2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe,

2. de vereniging Belangenvereniging Dijkbewaking Dodewaard (hierna: de Belangenvereniging), gevestigd te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Dodewaard, gemeente Neder-Betuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellante sub 4], gevestigd te Zaltbommel,

5. [appellant sub 5], wonend te IJzendoorn, gemeente Neder-Betuwe,

6. [appellanten sub 6], allen wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]),

7. [appellanten sub 7], beiden wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellanten sub 8], wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

9. [appellant sub 9], wonend te Ochten, gemeente Neder-Betuwe,

en

de raad van de gemeente Neder-Betuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk RAAD/13/01412, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard-Echteld" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de Belangenvereniging, [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellanten sub 8] en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 4], [appellanten sub 8], [appellant sub 9] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, de Belangenvereniging, vertegenwoordigd door J. Haverdings, H.E. Pras, G. Geels en E. Lenselink, [appellant sub 3], bijgestaan door A. Vrieling, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door J. Wildschut en E. Koning, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door drs. A. Sikking, [appellant sub 7], bijgestaan door drs. A. Sikking, [appellanten sub 8], [appellant sub 9], bijgestaan door drs. A. Sikking, en de raad, vertegenwoordigd door drs. P.G.F. van Gompel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen heeft [appellante sub 4] ter zitting nog een nader stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in één algehele herziening van de bestemmingsplannen voor het buitengebied van de voormalige gemeenten Echteld, Dodewaard en Kesteren. Het plan is grotendeels actualiserend van aard, maar daarnaast zijn ook nieuwe ontwikkelingen in het plan opgenomen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Ter zitting heeft de raad zijn betoog dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, voor zover dat is gericht tegen het vervallen van het agrarisch bouwperceel, ingetrokken.

4. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel [locatie 1] te Dodewaard. Hij stelt dat het bouwblok dat op zijn perceel rustte bij de gewijzigde vaststelling van het plan ten onrechte is komen te vervallen. Ter zitting heeft hij zijn betoog aldus geconcretiseerd dat de op het oostelijke deel van het perceel aanwezige schuren ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn opgenomen.

4.1. De raad stelt dat hij, in overeenstemming met het huidige gebruik, door middel van een gewijzigde vaststelling van het plan aan het perceel een woonbestemming heeft toegekend. Hij stelt dat er materieel weinig verschil is met de in het ontwerpplan opgenomen bedrijfsbestemming, omdat volgens hem uitbreiding van de bebouwing in beide gevallen beleidsmatig niet mogelijk is.

4.2. In het ontwerpplan was aan het gehele perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijf", alsmede de aanduiding "opslag", toegekend.

Het perceel is in de verbeelding van het vastgestelde plan aangewezen voor de bestemming "Wonen". Aan het oostelijke deel van het perceel, waar de in geding zijnde schuren staan, is de functieaanduiding "opslag" toegekend.

Ingevolge artikel 30, lid 30.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor bewoning, bijbehorende voorzieningen en de functies zoals deze voor de desbetreffende gronden in onderstaande tabel nader zijn aangegeven. In deze tabel staat achter "opslag" vermeld: "opslag caravans in bestaande gebouwen".

Ingevolge lid 30.2.4, aanhef en onder a, dienen bij de bouw van de in lid 30.2.1 sub b bedoelde bijgebouwen de volgende bepalingen in acht genomen te worden: per woning mag het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat, indien het bij de woning behorende, direct aansluitende perceel een omvang heeft van tenminste 1 ha, het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 150 m2.

4.3. De stelling van [appellant sub 1] ter zitting dat de schuren alle met een bouwvergunning zijn opgericht en derhalve legaal aanwezig zijn, heeft de raad niet weersproken. Uitgangspunt is dat, gelet op de rechtszekerheid, bouwwerken die zijn opgericht krachtens een bouwvergunning in beginsel in hun gehele omvang als zodanig worden bestemd. Tussen partijen is niet in geschil dat de oppervlakte van de schuren de maximaal toegestane oppervlakte van 150 m² overschrijdt. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij met de gewijzigde vaststelling van het plan het bestaande gebruik van de schuren weliswaar als zodanig heeft bestemd, maar dat het herbouwen van de schuren gelet op de planregeling niet meer mogelijk is. De schuren zijn daarmee onder het overgangsrecht gebracht. De raad heeft ter zitting geen reden gegeven waarom hij dit heeft gedaan, in afwijking van het voornoemde uitgangspunt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet gemotiveerd waarom hij de legale bebouwing met de gewijzigde vaststelling van het plan niet als zodanig heeft bestemd.

Het betoog slaagt.

5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", en waaraan mede de aanduiding "opslag" is toegekend, ter plaatse van het oostelijke deel van het perceel [locatie 1] te Dodewaard. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van de Belangenvereniging

6. De raad betoogt dat de Belangenvereniging niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Hij stelt dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

6.2. De Belangenvereniging betoogt dat ongeveer 9,6 ha gronden gelegen in het natuurgebied Hiensche Waard, genaamd De Waalwaard, ten onrechte buiten de begrenzing van het plan zijn gelaten. De Afdeling acht het beroep derhalve te zijn gericht tegen de plangrens, voor zover het de zogenoemde ‘witte vlek’ in het natuurgebied Hiensche Waard betreft.

De Belangenvereniging is een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de statuten van de Belangenvereniging heeft zij als doel de belangen van de leden met betrekking tot het behoud van de Hiensche Waard als natuurgebied te behartigen, alsmede het zich sterk maken voor het woon- en leefklimaat van de burgers van Dodewaard en omgeving. Naar het oordeel van de Afdeling is deze doelstelling gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

Ingevolge het tweede lid tracht de Belangenvereniging het voornoemde doel onder meer te bereiken door:

a. het bevorderen en onderhouden van de contacten met lokale en provinciale overheden over De Hiensche Waard;

b. het doen van voorstellen ter bevordering van en het voeren van overleg over maatregelen in het kader van behoud van De Hiensche Waard als natuurgebied;

c. het onderhouden van contacten en waar mogelijk samenwerken met gemeentelijke dan wel provinciale instellingen en andere organisaties voor zover dit voor haar doelstelling bevorderlijk kan zijn;

d. het verstrekken van informatie en het geven van voorlichting door middel van schriftelijke of digitale publicaties via e-mail en/of op de website van de vereniging;

e. het verrichten van alle verder handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Ter zitting heeft de Belangenvereniging bevestigd dat zij de voornoemde feitelijke werkzaamheden verricht.

6.3. Gezien de hiervoor in 6.2 weergegeven statutaire doelstelling in samenhang bezien met de feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat de Belangenvereniging door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. In dit verband wordt overwogen dat de Belangenvereniging wenst dat - ter plaatse van het terrein van De Waalwaard - 3,5 ha voor natuur wordt bestemd en dat ten behoeve van de beoogde bedrijfsverplaatsing een (zoveel mogelijk) conserverende regeling wordt getroffen. Op voorhand is niet uitgesloten dat er een ruimtelijke samenhang bestaat tussen het terrein van De Waalwaard en de omliggende natuurgronden, zodat de genoemde bezwaren van de Belangenvereniging niet onbesproken kunnen blijven.

De Belangenvereniging is bij de plangrens dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

7. De Belangenvereniging stelt dat de termijn van terinzageligging van het ontwerpplan afliep op 26 december 2012. Omdat dit tweede kerstdag was, een feestdag, en inzage in de stukken reeds op 24 december 2012 niet mogelijk was, zijn mogelijk de belangen van derden geschaad. De Belangenvereniging betoogt dat de raad hiermee in strijd met de voorbereidingsprocedure uit de Awb heeft gehandeld.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen belangen zijn geschaad. Er is geen wettelijke bepaling die inzage tijdens de vakantieperiode in de weg staat. Daarnaast kon het plan ook tijdens de kerstdagen digitaal worden ingezien en kon een zienswijze gedurende de gehele termijn van terinzageligging zowel digitaal als analoog worden ingediend. Daarbij komt dat het plan uiteindelijk zelfs acht weken ter inzage heeft gelegen.

7.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. Het ontwerpplan is blijkens de gerectificeerde kennisgeving van 14 november 2012 met ingang van 15 november 2012 tot en met 26 december 2012 ter inzage gelegd.

De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde - ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet - niet op tweede kerstdag, maar op 27 december 2012. Anders dan de Belangenvereniging stelt valt niet in te zien waarom derden in dit geval zouden zijn benadeeld als gevolg van de duur van de terinzageligging van het ontwerpbesluit. Zoals uit de zienswijzennota volgt, heeft de raad wat betreft twee te laat ingediende zienswijzen rekening gehouden met de vakantieperiode. Daarbij komt overigens dat belanghebbenden die beroep hebben ingesteld, eventueel verschoonbaar kunnen worden geacht voor het niet dan wel niet tijdig indienen van een zienswijze. Daarvan is echter in deze procedure niet gebleken.

Het betoog faalt.

8. De Belangenvereniging betoogt dat het terrein van De Waalwaard ten onrechte buiten de begrenzing van het plan is gelaten. In dit verband voert zij aan dat hiermee vooruit is gelopen op het provinciale inpassingplan "Waalwaard - Dodewaard" dat onder meer de verplaatsing van het [bedrijf] mogelijk moet maken. Voor die verplaatsing kan volgens haar worden volstaan met een oppervlakte van 6 ha, zodat zeker 3,5 ha Natura 2000-gebied behouden kan blijven. Het had volgens de Belangenvereniging op de weg van de raad gelegen om in dit plan een beschermende bestemming voor deze locatie neer te leggen, mede gelet op de conserverende aard van het plan. In dit kader heeft zij ter zitting gesteld dat ter plaatse van het terrein van De Waalwaard geen geluidzoneringsplichtige bedrijven mogen worden toegestaan.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden van het terrein van De Waalwaard buiten de begrenzing van het plan zijn gelaten omdat het provinciebestuur voornemens is het bedrijf [bedrijf] naar deze locatie te verplaatsen. Daarbij komt dat er volgens de raad geen dusdanige samenhang bestaat tussen de locatie De Waalwaard en de omliggende gronden dat deze in hetzelfde plan dienen te worden opgenomen.

8.2. Ingevolge artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat luidt sinds 25 april 2013, is de gemeenteraad vanaf het moment waarop het ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd, niet langer bevoegd tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de gronden waarop dat inpassingsplan betrekking heeft. De bedoelde bevoegdheid ontstaat weer tien jaar na vaststelling van het inpassingsplan, dan wel eerder, indien het inpassingsplan dat bepaalt.

8.3. Vast staat dat het provinciebestuur het ontwerp-inpassingsplan voor de desbetreffende gronden, genaamd "Waalwaard - Dodewaard" gelet op de kennisgeving in de Staatscourant van 2 mei 2013, ter inzage heeft gelegd op 3 mei 2013. Uit artikel 3.26, vijfde lid, van de Wro volgt derhalve dat de bevoegdheid van de gemeenteraad tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de gronden waarop het inpassingsplan betrekking heeft vanaf dat moment van rechtswege is vervallen. Daargelaten de omstandigheid dat de raad in dit geval het terrein De Waalwaard niet binnen de begrenzing van het plan heeft willen opnemen, was hij daartoe ten tijde van de vaststelling van het plan op 30 mei 2013 niet meer bevoegd. De raad heeft dan ook terecht de gronden van De Waalwaard buiten de begrenzing van het voorliggende plan gelaten.

Het betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van de Belangenvereniging ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

10. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn perceel [locatie 2] te Dodewaard. In plaats van een agrarische bestemming met de aanduiding "viskwekerij" wenst hij voor zijn perceel een bedrijfsbestemming met de aanduiding "ambachtelijk bedrijf", omdat hij ter plaatse kleinschalige bedrijvigheid wil gaan ontplooien. Hij heeft in 2010 een principeverzoek ingediend om ter plaatse houten speeltoestellen te kunnen gaan vervaardigen. [appellant sub 3] stelt dat de raad er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat de door hem gewenste toekomstige situatie aansluit bij het Beleidskader hergebruik vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied (hierna: het VAB-beleid). Weliswaar wijkt de oppervlakte van de bebouwing af van de regels in het VAB-beleid ten aanzien van de maximale oppervlakte, maar omdat het hier om een bijzondere situatie gaat had de raad aanleiding moeten zien om in zoverre een uitzondering te maken.

10.1. De raad stelt dat het verzoek van [appellant sub 3] ten aanzien van kleinschalige bedrijvigheid niet past in het terzake geldende gemeentelijke beleid, zoals opgenomen in het VAB-beleid. Om de functie van het perceel [locatie 2] te kunnen wijzigen van een (niet-grondgebonden) agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf, vereist het VAB-beleid dat de maximale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing na functiewijziging 500 m² bedraagt. [appellant sub 3] heeft op zijn perceel een loods met een oppervlakte van 710 m² en weigert deze te verkleinen. Aan de regels voor de maximale oppervlakte wordt derhalve niet voldaan. De raad ziet voorts geen aanleiding om in dit geval van het VAB-beleid af te wijken.

10.2. Het perceel [locatie 2] is in de verbeelding aangewezen voor de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden". Het is tevens aangeduid als "viskwekerij". Vast staat dat de bestemmingsregeling het door [appellant sub 3] gewenste ambachtelijk bedrijf voor het vervaardigen van houten speeltoestellen niet toelaat.

In het door [appellant sub 3] aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan het perceel de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "ambachtelijk bedrijf" had moeten toekennen. In dit verband heeft de raad waarde mogen hechten aan de in het VAB-beleid opgenomen regeling. In het VAB-beleid is ten aanzien van hergebruik van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen opgenomen dat voor een aantal soorten bedrijvigheid een maximale omvang wordt opgelegd. Dit is om te waarborgen dat de bedrijvigheid wat betreft karakter en uitstraling in het buitengebied past. In de tabel op pagina 20 van het VAB-beleid wordt ten aanzien van ambachtelijke bedrijven een maximale omvang van 500 m² aangegeven. De vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen mogen derhalve tot deze omvang worden hergebruikt voor de nieuwe bedrijfsfunctie. Overtollige bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt, zo staat in het VAB-beleid. In hetgeen [appellant sub 3] ter zitting heeft aangevoerd over het verschil met de grotere toegestane maximale oppervlaktes voor opslagbedrijven, ziet de Afdeling geen aanleiding om het VAB-beleid in zoverre onredelijk te achten.

[appellant sub 3] heeft ter zitting voorts bevestigd dat hij niet voornemens is om de op het perceel aanwezige loods van 710 m² te verkleinen naar de in het VAB-beleid opgenomen 500 m². Aan het VAB-beleid wordt derhalve niet voldaan. De raad heeft in het door [appellant sub 3] aangevoerde in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van het VAB-beleid af te wijken. Dat de raad al meermalen heeft afgeweken van het beleid, zoals [appellant sub 3] stelt, is niet met concrete situaties onderbouwd. Evenmin behoefde de raad in de omstandigheid dat de loods passend zou zijn in de omgeving, wat daarvan verder ook zij, aanleiding te zien om van het beleid af te wijken. De raad heeft in dit verband waarde mogen hechten aan de opgenomen maximale oppervlaktevlaktemaat teneinde de doelstelling om de omvang van de bedrijvigheid passend te laten zijn in het buitengebied te bereiken.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 3] voert aan dat het agrarisch bouwvlak ten onrechte is verkleind ten opzichte van het voorgaande plan. Het bouwvlak is strak om de bestaande bebouwing gelegd. Ter zitting heeft [appellant sub 3] gesteld dat in het geval hij niet zal stoppen met de viskwekerij, het voor hem van belang is de omvang van zijn bouwvlak te behouden.

11.1. De raad stelt dat hij, in overeenstemming met de Structuurvisie Neder-Betuwe 2010-2020 (hierna: de Structuurvisie Neder-Betuwe), in dit geval de zogenoemde "nee, tenzij"-benadering heeft gehanteerd. Deze benadering houdt in dat aan intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden worden gegeven, tenzij de behoefte aan uitbreiding is ingegeven door dierenwelzijn. De raad heeft om deze reden het bestemmingsvlak zodanig verkleind dat deze de bestaande bebouwing omvat.

11.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwvlak ten behoeve van de siervissenkwekerij op het perceel ten opzichte van het vorige plan is verkleind. In dit verband overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Op 17 juni 2010 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Neder-Betuwe vastgesteld. In de Structuurvisie Neder-Betuwe staat dat de gemeente nieuwe intensieve veehouderijen niet toestaat. Ten aanzien van eventuele uitbreiding geldt de "nee, tenzij"-benadering. De gemeente wil alleen met uitbreiding instemmen als regelgeving van hogeraf over dierenwelzijn leidt tot uitbreiding van gebouwen. Uitbreiding in verband met schaalvergroting is niet toegestaan, zo staat in de Structuurvisie.

[appellant sub 3] heeft niet onderbouwd dat in dit geval aan de voorwaarden van de "nee, tenzij"-benadering in de Structuurvisie Neder-Betuwe wordt voldaan. Immers, niet is gebleken van een concreet plan waarin om uitbreiding van de bebouwing is verzocht ten behoeve van het welzijn van de vissen. In het door [appellant sub 3] aangevoerde wordt dan ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet bij het voornoemde beleid heeft mogen aansluiten en het bouwvlak voor het perceel heeft mogen inperken.

Het betoog faalt.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

13. [appellante sub 4] exploiteert op de noordwal van de Waal, aan [locatie 3] te Echteld, een bedrijf dat keramische bouwmaterialen produceert. Zij betoogt dat in de verbeelding aan de nabij haar bedrijfsperceel gelegen kadastrale percelen G34 en G211 ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend. De motivering van de raad acht zij in dit verband ontoereikend. De percelen worden - anders dan de raad stelt - agrarisch beheerd. Daarnaast valt volgens [appellante sub 4] niet in te zien dat een agrarische bestemming zich niet verdraagt met de ecologische hoofdstructuur en het provinciaal beleid. [appellante sub 4] vreest bovendien voor de kosten die met de realisatie van natuur gemoeid zullen zijn en tevens voor de mogelijke beperking in de bedrijfsvoering die de toekomstige natuur met zich zal brengen.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een agrarische bestemming voor de percelen in strijd is met de provinciale Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: de Verordening). In de Verordening zijn de percelen namelijk aangeduid als "Natuur", zodat ter plaatse geen andere ontwikkeling is toegestaan dan een natuurontwikkeling, tenzij dit wordt gecompenseerd. Daarbij komt voorts dat een agrarische bestemming evenmin aansluit bij het feitelijke gebruik, zo voert de raad aan.

13.2. De desbetreffende percelen zijn in de verbeelding aangewezen als "Natuur".

Ingevolge artikel 22, lid 22.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en de landschappelijke waarden.

Ingevolge lid 22.1.2, aanhef en onder a, worden tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de in lid 22.1.1 bedoelde gronden gerekend: grondgebruik: een gebruik als bos- en natuurgebied met een extensief beheer en/of een gebruik als natuurgebied met een extensief beheer.

13.3. Op de kaart "EHS", behorend bij de Verordening, zijn de in geding zijnde percelen aangewezen als "EHS Natuur".

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de Verordening worden in een bestemmingsplan in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, zoals aangegeven in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur" en het Waterplan Gelderland 2010 - 2015, welke zijn opgenomen als bijlage 4 en bijlage 10 bij de Verordening, significant worden aangetast.

Ingevolge lid 18.3 kunnen, in afwijking van het bepaalde in 18.1, bestemmingen in EHS-gebied met de functie "Natuur", waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, worden toegestaan indien er geen reële alternatieven zijn, er sprake is van redenen van groot openbaar belang, de negatieve effecten door mitigatie zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat aan deze voorwaarden is voldaan en wordt tevens een verantwoording opgenomen omtrent de aard van de mitigerende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de wijze waarop de compensatie is verzekerd.

13.4. De regels uit de Verordening dient de raad bij het vaststellen van het plan in acht te nemen. Naar het oordeel van de Afdeling brengt de aanwijzing als "EHS Natuur" gelet op artikel 18 van de Verordening echter niet met zich, dat de raad was gehouden de in geding zijnde gronden voor "Natuur" te bestemmen. Ook in andere bestemmingen dan "Natuur" kan immers worden bewerkstelligd dat wordt voorkomen dat de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied als bedoeld in de Verordening significant worden aangetast.

[appellante sub 4] stelt dat de desbetreffende gronden worden verpacht en dat deze - anders dan de raad heeft gesteld - worden begraasd door vee, hetgeen [appellante sub 4] met foto’s bij haar brief van 27 januari 2014 heeft aangetoond. Ter zitting heeft [appellante sub 4] voorts aangevoerd dat hieruit, zij het beperkt, inkomsten worden gegenereerd. De raad heeft het vorenstaande niet met stukken weerlegd. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de desbetreffende percelen agrarisch worden gebruikt. Niet alleen heeft de raad dit agrarisch gebruik niet onderkend, maar evenmin heeft hij in de stukken, noch ter zitting, kunnen motiveren dat de door [appellante sub 4] gevraagde bestemmingen "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden" de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, als bedoeld in artikel 18, lid 18.1, van de Verordening, significant zouden aantasten. De raad heeft zich derhalve niet op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellante sub 4] gewenste agrarische bestemming in strijd is met de Verordening.

Het betoog slaagt.

14. [appellante sub 4] kan zich voorts niet verenigen met artikel 10, lid 10.2.2, onder a, van de planregels, waarin de uitbreiding van haar bedrijfsgebouwen is beperkt tot 10% van de bestaande oppervlakte. Andere soorten bedrijvigheid krijgen uitbreidingsmogelijkheden tot 40%. Volgens [appellante sub 4] heeft de raad op dit punt ten onrechte de van rijkswege vastgestelde planologische kernbeslissing "Ruimte voor de rivier" bij zijn besluit betrokken in plaats van het nieuwere beleid voor de grote rivieren. Uit dat nieuwe beleid volgt niet meer dat slechts uitbreidingen van 10% zijn toegestaan, aldus [appellante sub 4]

14.1. De raad voert aan dat hij het nieuwe beleid, neergelegd in de "Beleidsregels grote rivieren", aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Weliswaar wordt in de "Beleidsregels grote rivieren" geen concreet uitbreidingspercentage genoemd, maar niettemin acht de raad het niet opportuun om meer uitbreiding dan 10% toe te staan. De raad heeft op dit punt aangesloten bij het VAB-beleid, waaruit volgt dat in gebieden met een hoge landschappelijke waarde en/of kwetsbare natuur bedrijfsuitbreidingen ongewenst zijn. Daarnaast is hem overigens niet bekend dat het bedrijf concrete bouw- of uitbreidingsplannen heeft.

14.2. In de verbeelding is het perceel [locatie 3] bestemd als "Bedrijf - Baksteenfabriek". Ingevolge artikel 10.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, geldt bij de bouw van bedrijfsgebouwen dat per bestemmingsvlak het bebouwd oppervlak niet meer mag bedragen dan 110% van het bestaande bebouwd oppervlak.

14.3. Ingevolge de kaarten bij de "Beleidsregels grote rivieren" is het perceel aangewezen als gelegen in het ‘stroomvoerend regime’. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder g, van de "Beleidsregels grote rivieren" wordt in het gedeelte van het rivierbed waarop het stroomvoerend regime van toepassing is, onverminderd het bepaalde in artikel 7, tweede lid, toestemming gegeven voor de uitbreiding van bestaande steenfabrieken.

14.4. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan rijksbeleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Anders dan [appellante sub 4] heeft gesteld, heeft de raad, gelet op de aanvulling op de zienswijzennota van april 2013, niet de beleidslijn "Ruimte voor de rivier", maar de "Beleidsregels grote rivieren" in zijn belangenafweging betrokken. Zoals de raad terecht heeft gesteld, is in de "Beleidsregels grote rivieren" geen uitbreidingspercentage opgenomen. Reeds gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het standpunt, dat de raad op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de "Beleidsregels grote rivieren".

Dat de raad er vanwege de ligging van het bedrijf in de uiterwaarden van de Waal voor heeft gekozen om te volstaan met een uitbreidingspercentage van 10, acht de Afdeling in dit geval niet onredelijk. In dit verband heeft hij in redelijkheid waarde mogen hechten aan het VAB-beleid, waarin staat dat in gebieden met een hoge landschappelijke waarde en/of kwetsbare natuur bedrijfsuitbreidingen ongewenst zijn en aan bedrijven slechts zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden wordt geboden. Daarbij heeft de raad voorts mogen betrekken dat het voorliggende bestemmingsplan een conserverend karakter heeft en hem niet is gebleken van concrete bouw- of uitbreidingsplannen.

Het betoog faalt.

15. In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van de kadastrale percelen G34 en G211, gelegen ten oosten van het perceel [locatie 3] te Echteld, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 4] gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

16. [appellant sub 5] betoogt dat van de vaststelling van het bestemmingsplan op onjuiste wijze kennis is gegeven. Bij de brief van de raad van 10 juni 2013 was het besluit niet als bijlage bijgevoegd en is ten onrechte slechts volstaan met een verwijzing naar het besluit op een website. [appellant sub 5] acht dit in strijd met de wet.

16.1. De raad stelt dat de door [appellant sub 5] bedoelde brief over het raadsbesluit en de daarmee samenhangende beroepsmogelijkheden een aanvullende service betreft ten opzichte van de gebruikelijke wijze van bekendmaking door publicaties in de Rhenens Betuwse Courant en de Staatscourant.

16.2. Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb geschiedt de mededeling van het besluit, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Het betoog van [appellant sub 5] dat voor de kennisgeving van het vaststellingsbesluit slechts is verwezen naar een website en dat dit besluit ten onrechte niet bij de brief van 10 juni 2013 was gevoegd, ziet op een gestelde onregelmatigheid die na de datum van het bestreden besluit zou hebben plaatsgevonden. Reeds om die reden kan dit gestelde gebrek niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

17. [appellant sub 5], wonend aan [locatie 4] te IJzendoorn, kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" die gedeeltelijk aan zijn perceel is toegekend. [appellant sub 5] heeft op dit perceel een mini-kinderboerderij, maar de genoemde bestemming staat ten onrechte niet toe dat het aldaar aanwezige dierenverblijf kan worden gelegaliseerd. Anders dan de raad stelt, wordt de mini-kinderboerderij niet bedrijfsmatig geëxploiteerd en heeft hij eerder initiatief genomen om zijn plannen te realiseren. In dit verband wijst hij op het eerder door hem ingediende verzoek om een bestemmingsplanherziening en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing van november 2010.

17.1. De raad heeft aan de gronden ter plaatse van het dierenverblijf een agrarische bestemming toegekend en heeft in de planregels extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan. Hij stelt dat hij hiervoor heeft gekozen omdat onduidelijk is wat het door [appellant sub 5] voorgestane gebruik op het perceel precies behelst en het illegaal geplaatste dierenverblijf van 64 m² daarom in beginsel niet voor legalisering in aanmerking komt. De raad is van mening dat een zogenoemde verruimde woonbestemming onwenselijk is.

17.2. In de verbeelding is een deel van het perceel [locatie 4], ter plaatse van de woning en enkele bijgebouwen, bestemd voor "Wonen". De noord- en oostzijde van het perceel, waarop het in geding zijnde dierenverblijf staat, is bestemd als "Agrarisch met waarden - 1". Ter plaatse van deze gronden is geen bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor onder meer grondgebonden agrarische productie, het weiden van dieren en extensief dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge lid 5.2.1, aanhef en onder a, mogen op deze gronden, voor zover ter plaatse van een bouwvlak, uitsluitend worden gebouwd bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming.

Ingevolge lid 5.2.7, mogen op deze gronden, voor zover niet ter plaatse van een bouwvlak, enkele specifiek genoemde voorzieningen en bouwwerken worden gebouwd. Een dierenverblijf wordt hierin niet genoemd.

Ingevolge lid 5.3.6, aanhef en onder d, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.7, voor de bouw van kleine bouwwerken voor de stalling van dieren, indien en voor zover de oppervlakte van het bouwwerk niet meer bedraagt dan 25 m2.

17.3. Vast staat dat het dierenverblijf met de in 17.2 weergegeven planregeling voor het bouwen, niet als zodanig is bestemd. Tussen partijen is niet in geschil dat het dierenverblijf zonder bouwvergunning, dan wel omgevingsvergunning voor het bouwen, is opgericht. De stelling van [appellant sub 5] dat het gaat om de verplaatsing van een legaal dierenverblijf op het perceel, kan niet slagen. Niet alleen is het in geding zijnde verblijf vergroot ten opzichte van het legale dierenverblijf, maar daarnaast is ook de verplaatsing van het verblijf op zichzelf vergunningplichtig. Nu een vergunning voor het dierenverblijf op deze plaats in deze omvang ontbreekt, en daarnaast het dierenverblijf evenmin was toegestaan ingevolge het vorige plan Buitengebied Echteld 2004, was de raad niet zonder meer gehouden om het als zodanig in het bestemmingsplan op te nemen.

Voorts hoefde de raad in de plannen van [appellant sub 5] geen aanleiding te zien om het dierenverblijf als zodanig te bestemmen. Uit de ruimtelijke onderbouwing van november 2010 en zijn verzoek om herziening ten behoeve van het vastleggen van een dierenverblijf volgt dat het verblijf is bedoeld voor het houden van enkele hobbydieren. De raad heeft zich, gelet op de omstandigheid dat op het perceel reeds 355 m² aan bijgebouwen aanwezig is, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellant sub 5] één van de reeds bestaande gebouwen bij zijn woning kan aanwenden voor de hobbymatige mini-kinderboerderij. Voorts valt niet in te zien dat de in artikel 5, lid 5.3.6, van de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheid voor kleine bouwwerken voor de stalling van dieren tot een oppervlakte van 25 m2 hier geen uitkomst kan bieden. Voorts volgt de Afdeling het standpunt van de raad ter zitting dat voor een specifieke maataanduiding geen aanleiding bestond, omdat een goede onderbouwing voor de benodigde oppervlakte van het dierenverblijf ontbrak. Gelet op het vorenstaande heeft de raad er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen om het dierenverblijf niet als zodanig te bestemmen.

Het betoog faalt.

18. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7]

19. Ter zitting hebben [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hun beroepsgrond, dat de raad de systematiek waarbij in de verbeelding voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden" in plaats van bouwvlakken is volstaan met bestemmingsvlakken onvoldoende heeft gemotiveerd, ingetrokken.

20. [appellant sub 6] en [appellant sub 7] exploiteren op de percelen [locatie 5], onderscheidenlijk [locatie 6], te Ochten intensieve veehouderijen. Zij stellen dat hun agrarische bouwpercelen ten onrechte zijn ingeperkt ten opzichte van het vorige plan. Anders dan de raad stelt, volgt volgens hen uit de Structuurvisie Neder-Betuwe niet ondubbelzinnig dat bestaande bouwpercelen moeten worden verkleind. Dat getracht wordt om het uitvoeren van een plan-m.e.r. te omzeilen, is volgens [appellant sub 6] en [appellant sub 7] onterecht. Deze plicht bestaat mogelijk reeds op grond van de uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden veehouderijen.

[appellant sub 6] en [appellant sub 7] vrezen dat zij door de planregeling in hun bedrijfsvoeringen zullen worden aangetast. Omdat uitbreiding van de bebouwing niet langer mogelijk is, komt volgens [appellant sub 6] en [appellant sub 7] de continuïteit van hun agrarische bedrijven in geding en daarmee ook de uitvoerbaarheid van de bestemming. De raad heeft bovendien niet onderzocht in hoeverre deze strategie tot planschadeclaims kan leiden, zodat daarmee tevens de economische uitvoerbaarheid in geding is, zo stellen zij.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij, in overeenstemming met de Structuurvisie, in dit geval de zogenoemde "nee, tenzij"-benadering heeft gehanteerd. Deze benadering houdt in dat aan intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden worden gegeven, tenzij de behoefte aan uitbreiding is ingegeven door dierenwelzijn. De raad heeft om deze reden het bestemmingsvlak zodanig verkleind dat deze de bestaande bebouwing omvat. Het feit dat geen plan-m.e.r. nodig zou zijn betrof volgens de raad slechts een subsidiair argument. Voor de stelling van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] dat het plan niet uitvoerbaar zou zijn, ziet de raad geen aanleiding.

20.2. Ter plaatse van de percelen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] heeft de raad het agrarisch bouwperceel in de verbeelding aangegeven met de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden" alsmede de aanduiding "intensieve veehouderij". De omliggende gronden zijn bestemd als "Agrarisch".

20.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de agrarische bouwpercelen op de percelen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] ten opzichte van het vorige plan zijn verkleind. In dit verband overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Op 17 juni 2010 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Neder-Betuwe vastgesteld. In de Structuurvisie Neder-Betuwe staat dat de gemeente nieuwe intensieve veehouderijen niet toestaat. Ten aanzien van een eventuele uitbreiding van intensieve veehouderijen geldt de "nee, tenzij"-benadering. De gemeente wil alleen met uitbreiding instemmen als regelgeving van hogeraf over dierenwelzijn leidt tot uitbreiding van gebouwen. Uitbreiding in verband met schaalvergroting is niet toegestaan, zo staat in de Structuurvisie. Om te kunnen bewerkstelligen dat uitbreiding in verband met schaalvergroting niet wordt toegestaan, heeft de raad ervoor gekozen om de nog niet gerealiseerde bouwrechten uit het vorige plan niet over te nemen in het voorliggende plan. Uit de Structuurvisie Neder-Betuwe volgt niet expliciet dat bestaande bouwpercelen moeten worden verkleind. De plantechnische keuze van de raad om uitbreiding in verband met schaalvergroting te voorkomen door het verkleinen van bouwpercelen acht de Afdeling in dit geval echter niet onredelijk. Daarbij is van belang dat [appellant sub 6] en [appellant sub 7] geen alternatieve mogelijkheden hebben aangedragen voor de wijze waarop in het plan uitbreiding in verband met schaalvergroting zou kunnen worden voorkomen. Nu de raad in de Structuurvisie Neder-Betuwe aanleiding heeft mogen zien om de bouwpercelen te verkleinen, behoeft het aangevoerde ten aanzien van het omzeilen van de plan-m.e.r.-plicht, wat daar overigens verder ook van zij, geen bespreking.

Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] dat zij in hun bedrijfsvoeringen zullen worden aangetast indien zij geen uitbreidingsmogelijkheden hebben, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad hierover toegelicht dat uitbreiding eventueel mogelijk is, maar dat hij er de voorkeur aan geeft om verzoeken om uitbreiding in een nieuwe planprocedure te beoordelen. In dat kader kan de raad gemakkelijker de randvoorwaarden scheppen om medewerking te verlenen aan een dergelijk verzoek. Mede gelet op het feit dat niet is gebleken van concrete uitbreidingsplannen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7], acht de Afdeling de afweging van de belangen door de raad in dit geval niet onredelijk. In het door [appellant sub 6] en [appellant sub 7] aangevoerde bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming met betrekking tot hun percelen uitvoerbaar is. Niet alleen wordt in de notitie "Uitbreidingsmogelijkheden voor bouwpercelen ten behoeve van intensieve veehouderij in de gemeente Neder-Betuwe" van Bregman Advisering van 29 april 2013 bevestigd dat er geen reëel risico is op succesvolle aanspraken op planschadevergoeding, maar nu bovendien de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden" reeds is gerealiseerd, behoefde de raad er op voorhand niet voor te vrezen dat de bestemming niet binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

In het door [appellant sub 6] en [appellant sub 7] aangevoerde wordt gelet op het vorenstaande geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet hun bouwpercelen voor de percelen [locatie 5] en [locatie 6] heeft mogen inperken.

21. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 8]

22. De raad betoogt dat [appellanten sub 8] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt ten aanzien van de planregeling voor de voormalige kerncentrale Dodewaard en stelt dat zijn beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

22.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

22.2. [appellanten sub 8] woont aan de Beukenlaan 19 te Ochten. De Afdeling stelt vast dat zijn woning op een afstand van ruim 7,5 km ligt van het door hem bestreden plandeel met de bestemming "Bedrijf - Kernenergiecentrale in ontmanteling". Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de voormalige kerncentrale. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke effecten die het door [appellanten sub 8] bestreden plandeel heeft is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. In dit verband is van belang dat, zoals in de plantoelichting staat, de voormalige kerncentrale sinds 1997 niet meer in gebruik is en er een wachttijd geldt tot 2045. Voorts heeft [appellanten sub 8] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Dat hij mechanical engineer is, ervaringsdeskundige is, betrokken is geweest bij verschillende wetgevingsprocessen op het gebied van straling en, naar hij stelt, de positie van klokkenluider inneemt, betekent evenmin dat hij een voldoende persoonlijk belang heeft. Zijn enkele stelling ter zitting dat vanuit de gesloten inrichting radioactieve deeltjes afkomstig zijn welke via lucht en water tot zijn woning reiken, is eveneens onvoldoende om persoonlijk belang aan te nemen.

De conclusie is dat [appellanten sub 8] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellanten sub 8] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 9]

23. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn agrarische bedrijf met 40 zoogkoeien op het perceel [locatie 7] te Ochten. Het bedrijf is niet als zodanig bestemd, nu voor dit perceel geen agrarisch bouwperceel in de verbeelding is opgenomen. Ten onrechte stelt de raad dat sprake zou zijn van nieuwvestiging. In dit verband voert [appellant sub 9] aan dat voor het bedrijf en de bedrijfsbebouwing de benodigde meldingen in het kader van de Wet milieubeheer zijn geaccepteerd en tevens een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 is verkregen. Met de aanduiding "veldschuur" is volgens [appellant sub 9] voorts geen regeling getroffen voor de omliggende voorzieningen en verhardingen.

23.1. De raad stelt dat de ter plaatse aanwezige schuur is aangevraagd, vergund en gebouwd als een veldschuur. Volgens hem is de aanduiding als "veldschuur" passend voor zowel het gebouw als het bestaande agrarische gebruik ervan. Het toekennen van een nieuw agrarisch bouwperceel acht de raad niet wenselijk. Dit is niet alleen in strijd met provinciaal beleid, maar eveneens met het eigen gemeentelijke beleid, zoals dat is neergelegd in de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen".

23.2. Het perceel [locatie 7] is in de verbeelding aangewezen voor "Agrarisch met waarden - 2" en aangeduid als "weidevogelgebied". Ter plaatse van de schuur is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" in de verbeelding opgenomen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor: grondgebonden agrarische productie, het weiden van dieren, bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag, een weidevogelgebied ter plaatse van de aanduiding "weidevogelgebied", en met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" tevens bestemd zijn voor een veldschuur.

Ingevolge lid 6.2.1, aanhef en onder a. en d., mogen op deze gronden, voor zover ter plaatse een bouwvlak, uitsluitend worden gebouwd: bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Ingevolge lid 6.2.9, aanhef en onder d, mogen op deze gronden, voor zover niet ter plaatse van een bouwvlak, worden gebouwd: overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming, waarbij de volgende bepalingen in acht dienen te worden genomen:

1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;

2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

Ingevolge lid 6.4, aanhef en onder d en e, wordt als gebruik in strijd met de genoemde bestemming in ieder geval begrepen: de opslag van mest buiten een bouwvlak en de opslag van goederen en materieel in de openlucht en buiten een bouwvlak, voor zover de oppervlakte van de opslag meer bedraagt dan 200 m2 per perceel en/of de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2,5 m.

Ingevolge lid 6.5.3 kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.4, onder d, voor de opslag van mest buiten een bouwvlak, indien en voor zover de opslag noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en niet of niet doelmatig binnen een bouwvlak kan worden opgericht en de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

Ingevolge lid 6.6.1, aanhef en onder d, sub 2, is het ter plaatse van de aanduiding "weidevogelgebied" verboden binnen de genoemde bestemming, voor zover dit niet betreft een bouwvlak, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik.

23.3. Vast staat dat op 11 december 1990 een bouwvergunning is verleend voor het vervangen en vergroten van een veldschuur op het perceel. Op 14 juli 1992 is vervolgens opnieuw een bouwvergunning verleend voor het veranderen van een veldschuur. Anders dan [appellant sub 9] kennelijk meent, kan aan deze bouwvergunningen geen bestaand recht worden ontleend voor het opnemen van een agrarisch bouwperceel in de verbeelding. De vergunningen zijn immers slechts verleend voor een veldschuur. Het feit dat de benodigde milieumeldingen zijn geaccepteerd en een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 is verkregen, doet aan het vorenstaande niet af omdat met die besluiten niet de planologische aanvaardbaarheid van een agrarisch bouwperceel is beoordeeld. Voorts is de raad bij het nemen van het besluit aangesloten bij de beleidsnotitie "Criteria nieuwe agrarische bouwpercelen" uit 2008, waarin staat dat de situering van een nieuw bouwperceel op een nog maagdelijke locatie in een agrarisch komgebied niet is toegestaan. Er wordt gestreefd naar een locatie zonder specifieke landschappelijke en/of natuurlijke waarden, aldus de beleidsnotitie. Volgens de raad is het perceel [locatie 7] gelegen in een gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden, omdat het gaat om een open gebied, dat tevens is aangewezen als weidevogelgebied. [appellant sub 9] heeft het vorenstaande niet betwist. Daarbij komt dat het perceel eveneens op kaart 18 van de provinciale structuurvisie "Streekplan Gelderland 2005" is aangewezen als "Weidevogel- en ganzengebieden (buiten de EHS)" en in paragraaf 2.9.3 over grondgebonden landbouw is opgenomen dat nieuwvestiging (oprichting van een nieuw bouwperceel) van volwaardige grondgebonden melkveebedrijven en akkerbouwbedrijven is toegestaan, behalve in het groenblauwe raamwerk en in de weidevogel- en ganzengebieden van provinciaal belang. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad, mede gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid, in dit geval niet een nieuw agrarisch bouwperceel voor de locatie heeft willen opnemen.

23.4. Ten aanzien van de stelling dat met de aanduiding "veldschuur" geen regeling is getroffen voor de om de schuur liggende voorzieningen en verhardingen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de door [appellant sub 9] overgelegde tekening die behoort bij de geaccepteerde milieumelding volgt dat op het perceel, naast de veldschuur, twee voedersilo’s en een sleufsilo aanwezig zijn en dat nagenoeg alle omliggende gronden zijn verhard. Tussen partijen is niet in geschil dat deze (bouw)werken zonder (bouw)vergunning zijn gerealiseerd. Gelet op de overgelegde tekening en de ter zitting getoonde luchtfoto, is de Afdeling niet gebleken dat de (bouw)werken passen in het samenstel van de planregels als weergegeven in 23.2. Ter zitting heeft de raad zich niettemin op het standpunt gesteld dat het zijn bedoeling is om de mest- en voedersilo’s en verhardingen als zodanig in het plan op te nemen. Nu de raad niet heeft gedaan wat hij heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

24. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" ter plaatse van het perceel [locatie 7] te Ochten niet is voorzien in een passende planregeling voor de om de veldschuur liggende voorzieningen en verhardingen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 9] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Opdracht

25. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

26. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellant sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de Belangenvereniging, [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellanten sub 8] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 8] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellant sub 9] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Neder-Betuwe van 30 mei 2013, kenmerk RAAD/13/01412, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard-Echteld", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen", en waaraan mede de aanduiding "opslag" is toegekend, ter plaatse van het oostelijke deel van het perceel [locatie 1] te Dodewaard;

b. het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van de kadastrale percelen G34 en G211, gelegen ten oosten van het perceel [locatie 3] te Echteld;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2" ter plaatse van het perceel [locatie 7] te Ochten, voor zover niet is voorzien in een passende planregeling voor de om de veldschuur liggende voorzieningen en verhardingen;

IV. draagt de raad van de gemeente Neder-Betuwe op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder III. genoemde planonderdelen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

V. verklaart de beroepen van de vereniging Belangenvereniging Dijkbewaking Dodewaard, [appellanten sub 3], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], en [appellanten sub 7] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Neder-Betuwe tot vergoeding van bij partijen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. ten aanzien van [appellant sub 1] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. ten aanzien van [appellante sub 4] tot een bedrag van € 567,24 (zegge: vijfhonderdzevenenzestig euro en vierentwintig cent), waarvan € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. ten aanzien van [appellant sub 9] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Neder-Betuwe aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1];

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 4];

c. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 9].

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

612.