Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201305866/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bosch en Vaart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305866/1/R1.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen, wonend te Haarlem,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Haarlem,

3. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V., gevestigd te Haarlem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bosch en Vaart" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2014, waar [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. S. Halbesma, werkzaam bij Amer ruimtelijke ontwikkeling, Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. C.J. Koenen, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Heusden, K. Glas en mr. A.G. Kamphuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V.

2. Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. richten zich onder meer tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het perceel Schouwtjeslaan 12a.

2.1. Het beroep van Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V., voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het perceel Schouwtjeslaan 12a, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

3. Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. voeren aan dat artikel 22, lid 22.2, onder c, van de planregels - het samenvoegverbod - ten onrechte van toepassing is op gebouwen die vallen in "orde 3" en "bouwwerken jonger dan 50 jaar". In dit kader wijzen zij er op dat hun percelen Schouwtjeslaan 12a en Wagenweg 126, 128 en 132 respectievelijk Wagenweg 136 en 138 als zodanig zijn aangemerkt en derhalve geen waarde hebben voor het beschermd stadsgezicht. Volgens hen mist het samenvoegverbod voor zover dit betrekking heeft op dergelijke gebouwen ruimtelijke relevantie. In dit verband wijzen zij er op dat uit de plantoelichting volgt dat het verbod op samenvoeging slechts is opgenomen ter bescherming van villa’s en geschakelde ensemblebouw.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met artikel 22, lid 22.2, onder c, van de planregels niet is beoogd het samenvoegen van gebouwen uit te sluiten, maar controle hierover te behouden. In artikel 22, lid 22.3, onder j, van de planregels is immers een afwijkingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan onder voorwaarden samenvoegen kan worden toegestaan. Bij het beschermd stadsgezicht vormen, naast de waardering van een individueel pand, in het bijzonder structuur en schaal met betrekking tot het straat- en bebouwingsbeeld een belangrijke kernwaarde. Om aantasting van deze kernwaarde te voorkomen is ervoor gekozen om het samenvoegen van panden, ook panden die vallen in "orde 3" en "bouwwerken jonger dan 50 jaar", slechts toe te staan nadat daarvoor op perceelsniveau een afweging is gemaakt. In dit kader wijst de raad erop dat het inpandig samenvoegen van panden kan leiden tot veranderingen aan de buitenzijde van het pand, door bijvoorbeeld het toevoegen dan wel verwijderen van ramen en deuren.

3.2. De percelen Schouwtjeslaan 12a en Wagenweg 126, 128, 132, 136 en 138 zijn onder meer bestemd als "Waarde - beschermd stadsgezicht".

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in de toelichting aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

Ingevolge lid 22.2, gelden in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) voor bouwwerken de volgende regels:

bouwvlak / voorgevelrooilijn / gevelindeling

[…]

c. hoofdgebouwen mogen niet worden samengevoegd.

Ingevolge lid 22.3, eerste lid, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van:

samenvoegen (parcellering)

a. het bepaalde in lid 22.2, sub c, en toestaan dat gebouwen, worden samengevoegd ten behoeve van functies passend binnen de bestemming, mits:

- niet meer dan twee gebouwen worden samengevoegd;

- de totale voorgevelbreedte van twee gebouwen maximaal 15 m is;

- de individuele voorgevels van de gebouwen intact blijven;

- de samenvoeging omkeerbaar is;

- door het samenvoegen van de gebouwen het aantal opgangen naar bovenwoningen niet afneemt.

3.3. In de plantoelichting staat dat een groot deel van Bosch en Vaart is aangewezen als "Waarde - beschermd stadsgezicht". Het bijzondere ruimtelijke karakter van het plangebied dient op grond van de Monumentenwet 1988 te worden beschermd in het bestemmingsplan. Dit betekent dat het beschermen van de bestaande kwaliteiten het stedenbouwkundig hoofduitgangspunt is. Deze kwaliteiten worden met name bepaald door:

a. de historische ruimtelijke hoofdstructuur en de samenhang van de openbare ruimte en de waardering van de kwaliteit van de daaraan gelegen bebouwing;

b. de schaal en verscheidenheid van de bebouwing;

c. de verscheidenheid en vervlechting van functies en activiteiten.

In de plantoelichting staat dat het behouden van architectonische en stedenbouwkundige waarden concrete gevolgen heeft voor het vastleggen van rooilijnen, dakopbouwen, goot- en bouwhoogtes, erfafscheidingen, overstekken en dergelijke. Daar waar de historische waarden van het beschermd stadsgezicht desondanks in het geding zouden kunnen komen, is gedetailleerd bestemd. Voor dit bestemmingsplan is de mate van bescherming gekoppeld aan de indeling in orden. Zo is voor orde 3-panden een marge van een minimale en een maximale goothoogte aangegeven, terwijl voor orde 1- en 2-panden de bestaande goothoogte gehandhaafd dient te worden, evenals bijvoorbeeld de kap- of dakvorm.

Ten behoeve van het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het plangebied worden, blijkens de plantoelichting, de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten gebruikt.

[…]

Bescherming typologieën

Het plangebied is voornamelijk samengesteld uit twee typologieën bebouwing: individuele villa's en geschakelde ensemblebouw. Voor de villa's geldt dat er veel variatie in het daklandschap en gevelaanzichten bestaat. Elke villa in de Bosch en Vaartbuurt kent immers een individuele goothoogte, dakvorm en nokrichting. Voor de geschakelde bouw geldt juist dat de eenheid in een ensemble bewaard moet blijven. Bescherming van de verschillende typologieën vindt via verschillende manieren plaats, bijvoorbeeld door het vastleggen van bouwvlak, parcellering en goot- of nokhoogtes.

[…]

Parcellering

De typologie van met name de villa's in de Bosch en Vaartbuurt kenmerkt zich door historische panden. Samenvoegen van panden gaat ten koste van de fijnmazige structuur. Slechts onder bepaalde voorwaarden kan samenvoeging van gebouwen worden toegestaan, aldus de plantoelichting.

3.4. Op de waarderingskaart, die als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd, is onderscheid gemaakt in orde 1, 2 en 3-bouwwerken en bouwwerken jonger dan 50 jaar. Blijkens deze kaart zijn de bouwwerken op het perceel Schouwtjeslaan 12a aangemerkt als "bouwwerken jonger dan 50 jaar". De bouwwerken op de percelen Wagenweg 126, 128, 132, 136 en 138 zijn aangemerkt als orde 3: "bouwwerken ouder dan 50 jaar die geen architectonische, bouwhistorische of stedenbouwkundige meerwaarde hebben".

3.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van het beschermd stadsgezicht dan aan het belang van Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. bij het behouden van de mogelijkheid tot samenvoeging van hoofdgebouwen zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken van het plan is benodigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat aannemelijk is dat samenvoeging van hoofdgebouwen die vallen in "orde 3" dan wel "bouwwerken jonger dan 50 jaar", ondanks dat de gebouwen op zichzelf geen waarde hebben, wel invloed kan hebben op het beschermd stadsgezicht nu de schaal en verscheidenheid van de bestaande bebouwing hiervan een kwaliteit vormt. Gelet hierop bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het samenvoegverbod ruimtelijke relevantie mist. Bij voornoemd oordeel is verder van belang dat, anders dan Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. stellen, uit de plantoelichting niet volgt dat met het verbod op samenvoeging slechts is beoogd twee typologieën van bebouwing - villa’s en geschakelde ensemblebouw - te beschermen.

4. Het beroep van Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep voor zover gericht tegen artikel 22, lid 22.2, onder a, van de planregels ter zitting ingetrokken.

6. [appellant sub 2] en anderen richten zich onder meer tegen de toegestane goot- en bouwhoogte en gevelindeling van aan- en uitbouwen, zoals geregeld in artikel 22, lid 22.2, onder k, m, o en p, van de planregels, de schaduwhinder als gevolg van aan- en uitbouwen en de mogelijkheid tot het realiseren van dakterrassen, zoals geregeld in lid 22.2, onder s, van de planregels, binnen het beschermd stadsgezicht.

6.1. In artikel 22 zijn regels opgenomen met betrekking tot gronden met de bestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht".

Ingevolge artikel 22, lid 22.2, van de planregels gelden in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) voor bouwwerken de volgende regels:

goothoogte / bouwhoogte / bebouwingspercentage / ondergronds bouwwerk

k. ter plaatse van de aanduiding "bouwhoogte" dient de bestaande bouwhoogte te worden gehandhaafd;

m. ter plaatse van de aanduiding "goothoogte" dient de bestaande goothoogte te worden gehandhaafd.

kap / nokrichting / vorm

o. ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduidingen orde 1 en orde 2' dient de bestaande nokrichting, kap of dakvorm gehandhaafd te blijven m.u.v. ondergeschikte onderdelen zoals dakkapellen, dakdoorbrekingen.

p. behoudens het bepaalde in sub o moet, indien boven de goothoogte wordt gebouwd, worden afgedekt met een kap waarvan:

1. de maximale hoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte;

2. de dakhelling niet minder bedraagt dan 45 en niet meer dan 70 graden. bij een samengestelde kap dient de dakhelling van de bovenste dakvlakken minimaal 20 graden te bedragen.

dakterras

s. een dakterras is toegestaan, mits:

[…]

6.2. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Binnen de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen hebben [appellant sub 2] en anderen een zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht. Deze zienswijze heeft betrekking op de toegestane oppervlakte aan aan- en uitbouwen als gevolg van de gekozen wijze van bestemmen alsmede op het gebruik van oude ondergronden. Bij de mondelinge behandeling van de zienswijzen, ongeveer 3 weken voor de vaststelling van het plan, hebben [appellant sub 2] en anderen hun zienswijze nader toegelicht. Daarnaast hebben zij tijdens deze behandeling nadere zienswijzen aangevoerd onder meer met betrekking tot artikel 22, lid 22.2, onder s, van de planregels en met betrekking tot de bouwhoogte van erkers. Nu deze aanvulling op de zienswijze buiten de termijn van artikel 3:16, eerste lid, van de Awb naar voren is gebracht, moet worden geoordeeld dat [appellant sub 2] en anderen geen zienswijze naar voren hebben gebracht met betrekking tot artikel 22, lid 22.2, onder k, m, o, p en s, van de planregels. Nu niet is gebleken dat [appellant sub 2] en anderen redelijkerwijs niet kan worden verweten hierover geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht, is het beroep voor zover het betreft artikel 22, lid 22.2, onder k, m, o, p en s, van de planregels niet-ontvankelijk.

7. [appellant sub 2] en anderen stellen dat op gronden met de bestemming "Tuin - 2" ten onrechte nieuwe aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden toegestaan, hetgeen leidt tot een verdichting en derhalve tot een aantasting van het beschermd stadsgezicht. Ook de gekozen wijze van bestemmen leidt tot een verdere verdichting van de tuinen. In dit kader wijzen zij er op dat bij woningen met aan- en uitbouwen in twee bouwlagen deze aan- en uitbouwen binnen de bestemming "Wonen" zijn gebracht. Dit heeft tot gevolg dat deze aan- en uitbouwen - anders dan aan- en uitbouwen die bestaan uit één bouwlaag en waaraan volgens de plansystematiek een tuinbestemming is toegekend - niet worden meegeteld bij de maximaal toegestane oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen die ter plaatse van de bestemming "Tuin - 2" zijn toegestaan, zodat rechtsongelijkheid ontstaat. Bovendien kan - indien de bestaande aan- en uitbouwen behoren tot het oorspronkelijke hoofdgebouw - naast de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan vergunningvrij een aanbouw van 2,5 m worden gerealiseerd, hetgeen zou leiden tot een nog verdere verdichting, aldus [appellant sub 2] en anderen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de bebouwingsmogelijkheden binnen de bestemming "Tuin - 2" aansluiting is gezocht bij hetgeen vergunningvrij reeds mogelijk is, zodat het bestemmingsplan geen extra bouwmogelijkheden toestaat en derhalve geen verdichting tot gevolg heeft. Voorts is aan aan- en uitbouwen die in functionele zin niet ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw dezelfde bestemming toegekend als aan het hoofdgebouw. De raad stelt verder dat in het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) alleen aan- en uitbouwen die tegelijkertijd met het hoofdgebouw zijn vergund worden gerekend tot het oorspronkelijke hoofdgebouw. De raad concludeert dat de aan- en uitbouwmogelijkheden van woningen met een bestaande aan- en uitbouw van twee lagen ten opzichte van woningen met een bestaande aan- en uitbouw van één bouwlaag nagenoeg niet verschillen.

7.2. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Tuin - 2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. tuinen en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing;

b. bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw;

Ingevolge lid 15.2, mogen binnen de bestemming "Tuin - 2" bouwwerken worden opgericht onder de volgende voorwaarden:

15.2.1 Gebouwen

a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50% van het bestemmingsvlak met een maximum van 40 m2;

b. ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m2)" op de verbeelding mag de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer bedragen dan aangegeven;

c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen mag voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw met een maximum bouwhoogte van 4 m, gemeten vanaf het aansluitend peil;

d. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;

e. de verticale diepte van een ondergronds bouwwerk mag niet meer dan 7,0 meter bedragen.

In lid 15.3, is bepaald dat het bevoegd gezag onder voorwaarden met een omgevingsvergunning kan afwijken van nader genoemde regels uit lid 15.2.

7.3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten, als bedoeld in het eerste lid, in daarbij aangegeven categorieën gevallen het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II, wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, niet hoger dan:

1° 4 m,

2° 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3° het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw:

1° niet hoger dan 3 m,

2° de oppervlakte van vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m²,

3° als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw niet meer dan 30 m², en

4° functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw,

(…)

e. het bij het oorspronkelijke hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd,

(…).

7.1. In artikel 2 van bijlage II bij het Bor worden de mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken gekoppeld aan het oorspronkelijke hoofdgebouw. Anders dan [appellant sub 2] en anderen veronderstellen is voor de vraag of een aan- en uitbouw behoort tot het oorspronkelijke hoofdgebouw niet relevant de bestemming die aan de aan- en uitbouw is toegekend maar de vraag of de aan- en uitbouw overeenkomstig de oorspronkelijk voor het hoofdgebouw verleende vergunning is gebouwd.

7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201105349/1/A1), wijst artikel 2 van bijlage II bij het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, categorieën van bouwwerken aan die vergunningvrij zijn ten aanzien van de activiteiten bouwen en gebruiken. Dat betekent dat het bestemmingsplan niet in de weg kan staan aan het bouwen van bouwwerken die aan de in artikel 2 gestelde eisen voldoen. Hieruit moet worden afgeleid dat bouwwerken die ingevolge artikel 2 van bijlage II bij het Bor vergunningvrij zijn, niet meetellen bij de beantwoording van de vraag of door de bouw van andere categorieën bouwwerken, de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte aan bouwwerken wordt overschreden. Dit is anders indien door toevoeging van een nieuw bouwwerk niet meer wordt voldaan aan de eisen die dat artikel stelt, bijvoorbeeld de eis dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied mag worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken. Met deze benadering wordt ten aanzien van bouwwerken als bedoeld in artikel 2 van bijlage II bij het Bor, de jurisprudentie voortgezet die is ontwikkeld onder de werking van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (onder meer de uitspraak van 10 juli 2002 in zaak nr. 200101969/1), waarvoor ook steun kan worden gevonden in de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143; blz. 145). Dit betekent dat, indien het bebouwingspercentage van 50% niet wordt overschreden, aan het bouwen dat maximaal ingevolge artikel 15, lid 15.2.1, van de planregels is toegestaan bijvoorbeeld ook nog 30 m2 aan bijbehorende bouwwerken buiten de zone van 2,5 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw kan worden toegevoegd.

Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de raad de aanvaardbaarheid van voornoemde bouwregels motiveert onder verwijzing naar de bouwmogelijkheden die op grond van het Bor vergunningvrij zijn toegestaan. Nu de raad er hierbij ten onrechte vanuit ging dat hij niet meer bouwmogelijkheden toestond dan op grond van het Bor vergunningvrij reeds zijn toegestaan, is het bestreden besluit in zoverre niet voorzien van een deugdelijke motivering.

7.3. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft artikel 15, lid 15.1, onder b, en lid 15.2.1, van de planregels, wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

7.4. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen [appellant sub 2] en anderen voor het overige hebben aangevoerd geen bespreking meer.

Het beroep van [appellante sub 1] en anderen

8. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat zij reeds beroep hebben ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning voor het woningbouwproject "Het Houthof" aan de Claus Sluterweg 125 in Haarlem en dat zij thans gedwongen zijn ook tegen het onderhavige plan, waarin dat woningbouwproject is opgenomen, beroep in te stellen. Volgens hen had het gemeentebestuur ofwel moeten wachten met de vaststelling van het plan totdat de Afdeling uitspraak had gedaan op het hoger beroep met betrekking tot de omgevingsvergunning ofwel had het gemeentebestuur moeten wachten met de verlening van de omgevingsvergunning tot het bestemmingsplan in werking was getreden.

8.1. De Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) noch enig ander wettelijk voorschrift verzet zich ertegen dat de raad ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling een bestemmingsplan vaststelt voordat een omgevingsvergunning voor bouwen en voor afwijken van het vorige bestemmingsplan voor die ontwikkeling in rechte onaantastbaar is geworden. De omstandigheid dat bij besluit van 9 juli 2013 een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van het bouwplan - bestaande uit het aanleggen van een parkeerterrein op maaiveldniveau in plaats van een ondergrondse en (deels) half verdiepte parkeergarage met daktuin - maakt dit niet anders. Overigens is deze wijziging in het bestemmingsplan verwerkt.

Het betoog van [appellante sub 1] en anderen dat het gemeentebestuur met de verlening van de omgevingsvergunning had moeten wachten tot het bestemmingsplan in werking was getreden, kan voorts niet in de onderhavige procedure worden aangevoerd, maar had in de procedure met betrekking tot de omgevingsvergunning moeten worden aangevoerd.

9. [appellante sub 1] en anderen betogen voorts dat in de periode tussen de vaststelling van het plan en de terinzagelegging daarvan ten onrechte slechts het ontwerpplan op de gemeentelijke website was gepubliceerd. Volgens hen dienen burgers op grond van artikel 19 van de Gemeentewet de mogelijkheid te hebben de bestemmingsplanprocedure op de voet te volgen. [appellante sub 1] en anderen stellen voorts dat op de website van de gemeente tijdens de beroepstermijn de mededeling stond dat het bestemmingsplan vanaf 17 augustus in elektronische vorm te raadplegen was op ruimtelijkeplannen.nl terwijl de beroepstermijn liep van 28 juni 2013 tot 9 augustus 2013. Bovendien is op de website van de gemeente sinds de terinzagelegging van het vastgestelde plan een onjuiste verbeelding te raadplegen nu daarop staat dat deze op 28 maart 2013 is vastgesteld. Voorts voeren [appellante sub 1] en anderen aan dat op de website van de gemeente ten onrechte niet is vermeld dat zij beroep hebben ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan en dat dit bestemmingsplan derhalve niet in rechte onaantastbaar is. Daarnaast had volgens hen op de gemeentelijke website vermeld moeten worden dat zij tijdens de beroepstermijn hadden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening en dat het plan totdat op het verzoek was beslist niet in werking zou treden.

9.1. Deze beroepsgronden hebben betrekking op omstandigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze omstandigheden vormen derhalve geen grond voor de vernietiging van het bestreden besluit.

10. Verder voeren [appellante sub 1] en anderen aan dat op de papieren versie van de verbeelding staat dat deze op 24 juni 2013 is vastgesteld, terwijl het plan op 16 mei 2013 is vastgesteld. Nu de verbeelding ruim een maand na de rest van het plan is vastgesteld, is de vaststelling van het plan ongeldig, aldus [appellante sub 1] en anderen.

10.1. Gelet op artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is de digitale verbeelding beslissend. Het digitale plan, waaronder de digitale verbeelding, is op 16 mei 2013 vastgesteld. Reeds hierom faalt het betoog van [appellante sub 1] en anderen. Overigens is op de papieren versie van de verbeelding als besluitdatum 16 mei 2013 genoemd en staat daarop daarnaast de datum 24 juni 2013. Dit betekent slechts dat de desbetreffende versie van de verbeelding op 24 juni 2013 is afgedrukt.

11. [appellante sub 1] en anderen voeren verder aan dat in het plan regels zijn opgenomen voor de bestemmingen "Tuin - 1", "Tuin - 2" en "Tuin - 3" , terwijl op de verbeelding en in de bijbehorende legenda alleen de bestemming "Tuin" voorkomt. Voor gronden met de bestemming "Tuin", waaronder het binnenterrein tussen Het Houthof en het zogenoemde Kinheimgebouw, waarin [appellante sub 1] en anderen wonen, gelden derhalve geen regels.

11.1. Gelet op de omstandigheid dat het plan is vastgesteld voor 1 juli 2013 kan op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling plaatsvinden overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP2008), hetgeen het gemeentebestuur heeft gedaan. In de SVBP2008 staat dat ten behoeve van de eenduidigheid in de naamgeving een lijst met hoofdgroepen van bestemmingen is opgesteld. Een van de hoofdgroepen is de hoofdgroep Tuin. In de digitale verbeelding krijgen alle bestemmingen de kleur van de hoofdgroep waaronder deze valt. Er wordt in de digitale verbeelding voorts geen gebruik gemaakt van lettercodes, aldus de SVBP2008. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met deze standaard. Het standpunt van [appellante sub 1] en anderen dat in dit geval geen regels gelden voor de gronden die vallen binnen de hoofdgroep "Tuin" mist feitelijke grondslag. Op www.ruimtelijkeplannen.nl wordt na het aanklikken van de informatieknop gedetailleerde informatie, waaronder de specifieke bestemmingen zoals "Tuin - 1", "Tuin - 2" en "Tuin - 3", getoond die geldt ter plaatse van de desbetreffende gronden.

12. Voor zover [appellante sub 1] en anderen voor het overige hebben verwezen naar hetgeen zij hebben aangevoerd in de hoger beroepsprocedure met betrekking tot het woningbouwproject, aan welke procedure het nr. 201302543/1/A1 is toegekend, overweegt de Afdeling dat op 6 november 2013 uitspraak is gedaan in die zaak. De Afdeling ziet geen aanleiding in de onderhavige uitspraak anders te oordelen dan in die uitspraak.

13. Het beroep van [appellante sub 1] en anderen is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

14. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hierbij betrekt de Afdeling dat in beginsel slechts een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken indien het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. De omstandigheid dat gedurende een bepaalde periode twee procedures liepen waarmee het woningbouwproject "Het Houthof" mogelijk werd gemaakt, is geen bijzondere omstandigheid die er in dit geval toe noopt een uitzondering te maken op deze hoofdregel. Voor zover [appellante sub 1] en anderen tevens verzoeken om veroordeling in de proceskosten die zij hebben gemaakt in de voorlopige voorzieningprocedure, overweegt de Afdeling dat de voorzitter bij uitspraak van 18 oktober 2013 (in zaak nr. 201305866/2/R1) reeds heeft beslist op dit verzoek. Dat de voorzitter volgens [appellante sub 1] en anderen ten onrechte heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, kan voorts niet in de onderhavige procedure aan de orde komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen voor zover gericht tegen artikel 22, lid 22.2, onder k, m, o, p en s, van de planregels en van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het perceel Schouwtjeslaan 12a niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlem tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bosch en Vaart" voor zover het betreft artikel 15, lid 15.1, onder b, en lid 15.2.1, van de planregels;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen geheel en van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Mobiel Vastgoed B.V. en Wagenweg Vastgoed B.V. voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlem tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 994,94 (zegge: negenhonderdvierennegentig euro en vierennegentig cent), voor een gedeelte groot € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Haarlem aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

559.