Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201306777/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013, nummer Rb2013/24, heeft de raad het bestemmingsplan "Hulst-Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306777/1/R2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

en

de raad van de gemeente Hulst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013, nummer Rb2013/24, heeft de raad het bestemmingsplan "Hulst-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door A.C.J.M. van den Broucke, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de wijken Groote Kreek en Zoetevaart en het deel van de wijk Tragel ten noorden van de provinciale weg N290.

3. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de bestemming van zijn perceel aan de [locatie], kadastraal bekend als gemeente Hulst, sectie R, nummer 507, van "Po3" heeft gewijzigd in "Groen". Hij voert daartoe aan dat hij daardoor wordt beperkt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het perceel, terwijl hij plannen voor het perceel ontwikkelt.

3.1. De raad stelt dat de planologische regeling in het voorliggende plan gelijkwaardig is aan de regeling in het vorige plan. Over de plannen van [appellant] was volgens de raad ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen vooroverleg tussen de gemeente en [appellant] gevoerd.

3.2. Het plandeel ter plaatse van het perceel van [appellant] heeft in het voorheen geldende bestemmingplan "Zoetevaart" de bestemming "Po3" met de aanduiding "1%".

Blijkens de plankaart is het cijfer bij de letteraanduiding de aanduiding van "max. hoogte in meters".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van het vorige plan, gelden voor de toelaatbare goot- of boeiboordhoogte de volgende bepalingen:

a. de op de kaart aangeduide "max. hoogte in meters" achter een letter of combinatie van letters ingeschreven arabische cijfer geeft de maximaal toelaatbare goot- of boeiboordhoogte van gebouwen in meters aan;

b. de maximaal toelaatbare hoogte van gebouwen (nokhoogte) mag niet meer dan 4.00 m afwijken van de goot- of boeiboordhoogte.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, mogen de gronden met bestemming "Park", aangeduid met "P", en de subbestemming openluchtrecreatie, aangeduid met "o", uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de openluchtrecreatie en in samenhang daarmee voor ontsluitingswegen en parkeerplaatsen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, mogen op de gronden met de subbestemming openluchtrecreatie uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van het in het eerste lid toegestane gebruik worden gebouwd, waarbij per bebouwingsvlak slechts het aangegeven percentage mag worden bebouwd.

3.3. Het plandeel ter plaatse van het perceel van [appellant] heeft in het voorliggende plan de bestemming "Groen", de dubbelbestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht 4" en de aanduiding van een maximum bebouwingspercentage van 1%.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de gronden met de bestemming "Groen" bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplanting;

c. paden;

d. voorzieningen van algemeen nut;

e. kunstwerken;

f. oevers en bruggen;

g. speelvoorzieningen;

h. parken;

i. evenementen;

j. ter plaatse van de aanduiding "bos", tevens voor de ontwikkeling en het behoud van kleinschalige boselementen;

k. ter plaatse van de aanduiding "volkstuin", tevens voor volkstuinen;

l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidswerende voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming.

Ingevolge lid 7.2.2, onder a, mogen op de gronden bestemd voor "Groen" uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd.

Ingevolge lid 7.2.4 mogen in afwijking van lid 7.2.2, onder a, ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan op de verbeelding is aangegeven.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1.1, zijn de gronden waaraan de bestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht 4" is toegekend behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en/of herstel van het historisch en ruimtelijk karakter van het beschermd stadsgezicht.

Ingevolge lid 22.1.2 is de bestemming "Waarde - beschermd stadsgezicht 4" primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

Ingevolge lid 22.2.1 is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Beschermd stadsgezicht 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen, het wegnemen van stoepen alsmede het wijzigen van de wegindeling;

b. het bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

c. het dempen van aanwezige waterlopen;

d. het geheel of gedeeltelijk schilderen of pleisteren van muurvlakken;

e. het beplanten van gronden met houtgewassen ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant;

f. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere opgaande beplanting.

Ingevolge lid 22.2.3 zijn de werken of werkzaamheden, zoals bedoeld in lid 22.2, slechts toelaatbaar indien daardoor geen onevenredige schade wordt toegebracht aan, dan wel herstel is verzekerd van het historische en ruimtelijk karakter van het beschermd stadsgezicht en nadat de Monumentencommissie in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen.

3.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Gelet op het samenstel van de hiervoor weergegeven bepalingen van het vorige en het voorliggende plan komt de Afdeling het standpunt van de raad dat de planologische regeling in het voorliggende plan gelijkwaardig is aan de regeling in het vorige plan niet onredelijk voor. Voor zover het plan beperkingen met zich brengt zijn die niet van zodanige aard dat [appellant] onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hem ontwikkelingen met betrekking tot het perceel voor ogen staan die de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan had moeten betrekken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het perceel van [appellant] de bestemming "Groen" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

12-803.