Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1143

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201307020/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college van gedeputeerde staten besloten de raad van de gemeente Hulst een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 16 mei 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Hulst".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307020/1/R2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Hulst, gevestigd te Hulst,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Hulst,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college van gedeputeerde staten besloten de raad van de gemeente Hulst een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 16 mei 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Hulst".

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2014, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door E. Gerritse en P. Verstraeten, beiden werkzaam bij de gemeente Hulst, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.B. Verhage, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. J.R.F. de Keijzer en R.M. Mooy, beiden werkzaam bij de provincie Zeeland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college van gedeputeerde staten heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college van gedeputeerde staten om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan heeft grotendeels een conserverend karakter en voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van Hulst.

3. De aanwijzingen als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro strekken ertoe dat het plandeel ter plaatse van de Graauwse Kreek met de bestemming "Water" en het plandeel aan de west- en zuidzijde van het natuurgebied Groot Eiland met de bestemming "Agrarisch met waarden -Natuur- en landschapswaarden", geen deel blijven uitmaken van het bestemmingsplan. De beroepen richten zich tegen het laatstgenoemde plandeel.

4. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het plandeel aan de west- en zuidzijde van het natuurgebied Groot Eiland is vastgesteld in strijd met artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening Ruimte Provincie Zeeland van 28 september 2012 (hierna: de Verordening). De bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor dit plandeel biedt volgens het college van gedeputeerde staten niet het op grond van de Verordening vereiste planologische beschermingsregime voor bestaande natuurgebieden.

4.1. Het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing voor het plandeel. Volgens hen vormt het plandeel een overgangsgebied tussen het natuurgebied Groot Eiland en de omliggende agrarische gronden. Verder betogen zij dat gelet op het feitelijke gebruik van de gronden, dat agrarisch is, het desbetreffende gebied met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voldoende wordt beschermd. In dit verband voeren zij aan dat het plandeel in het voorgaande plan "7e herziening Buitengebied-Zuid" van 22 april 2010 ook de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" had en het college van gedeputeerde staten daar destijds niet tegen is opgekomen.

4.2. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening wordt in een bestemmingsplan voor de op kaart 8, behorende bij deze verordening, aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen.

Ingevolge het tweede lid mogen bestaand gebruik en bestaande bebouwing positief worden bestemd.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder i, wordt in deze verordening onder bestaand verstaan, het gebruik dat en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een bestemmingsplan zijn toegelaten.

4.3. Vast staat dat het plandeel is gelegen binnen het gebied dat is aangewezen als Bestaande natuur. Gelet hierop is artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening van toepassing. Op grond van dit artikel wordt in een bestemmingsplan voor de aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen. Aan de gronden waarop het plandeel ziet, is in het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend. Het college van gedeputeerde staten stelt zich derhalve terecht op het standpunt dat het plandeel in strijd is met artikel 2.12, eerste lid, van de Verordening.

4.4. De Afdeling begrijpt het betoog van het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 2] en anderen aldus dat het college van gedeputeerde staten voor dit geval, gelet op het feitelijke gebruik van de gronden, een uitzondering had moeten maken. Dat betoog slaagt niet. Het tweede lid van artikel 2.12 voorziet niet in de mogelijkheid voor een afwijking van het eerste lid, maar in de mogelijkheid om bij de aanwijzing van een bestemming als bedoeld in het eerste lid tevens een regeling te treffen voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Verordening. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 2] en anderen dat het college van gedeputeerde staten in het kader van het voorgaande plan niet is opgekomen tegen het plandeel met bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", leidt niet tot een ander oordeel. Daargelaten de vraag of het voorgaande plan betrekking had op dit plandeel, doet de omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten in het kader van het voorgaande plan niet heeft geageerd tegen het plandeel er niet aan af dat het bestemmingsplan moet voldoen aan voormeld artikel uit de Verordening.

Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten in redelijkheid kunnen besluiten tot het geven van de aanwijzing voor het plandeel.

4.5. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de bestemming "Natuur" negatieve gevolgen heeft voor de bestaande bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden van hun bedrijf, overweegt de Afdeling dat een reactieve aanwijzing slechts tot doel heeft dat een onderdeel van een bestemmingsplan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals dit is vastgesteld. De reactieve aanwijzing heeft derhalve niet tot gevolg dat het plandeel aan de west- en zuidzijde van het natuurgebied Groot Eiland de bestemming "Natuur" heeft, zodat dit betoog geen bespreking behoeft.

5. De beroepen van het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 2] en anderen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

545-772.