Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201303603/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5146, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] over 2011 toegekende voorschot zorgtoeslag gewijzigd vastgesteld op € 275,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303603/1/A2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2013 in zaak nr. 12/4033 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] over 2011 toegekende voorschot zorgtoeslag gewijzigd vastgesteld op

€ 275,00.

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2012 vernietigd, het besluit van 30 maart 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak daarvoor in de plaats treedt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij], vergezeld van zijn [echtgenote], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) bedraagt de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, in afwijking van het eerste lid, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag.

Ingevolge het vijfde lid heeft een verzekerde met een partner die niet heeft voldaan aan de voor hem op grond van artikel 2 van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Zvw) geldende verplichting zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren, in afwijking van het eerste lid, geen aanspraak op een zorgtoeslag.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de de Zvw is degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ) en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWBZ is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van die wet degene die ingezetene is.

Ingevolge het vierde lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van de verzekerden. Hieraan is uitvoering gegeven met het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: het Besluit).

Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, van het Besluit is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die uitsluitend wegens studieredenen in Nederland woont en jonger is dan 30 jaar.

2. Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst [wederpartij] over 2011 een voorschot zorgtoeslag van € 836,00 toegekend. Het voorschot is bij besluit van 30 maart 2012 gewijzigd vastgesteld op € 275,00. De Belastingdienst heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [wederpartij] over de periode van 1 januari 2011 tot 1 oktober 2011 geen recht op zorgtoeslag heeft, omdat zijn [echtgenote] zich niet had verzekerd tegen ziektekosten, als bedoeld in de Zvw, terwijl zij daartoe wel verplicht was. Nu uit haar verblijfstitel volgt dat zij in die periode ingezetene van Nederland was en zij inkomen uit arbeid genoot, moet zij als verzekerde worden aangemerkt, aldus de Belastingdienst.

3. De rechtbank heeft overwogen dat, nu uit de verblijfsvergunning van de echtgenote volgt dat zij in Nederland verbleef om een studie aan de Hogeschool in Den Haag te volgen, zij onder de beperking van de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat de echtgenote ten onrechte niet verzekerd was in de zin van de Zvw. Dat de echtgenote een bestaan heeft opgebouwd, doet niet af aan de tekst van de verblijfsvergunning waaruit volgt dat zij in Nederland woont wegens studieredenen. Het inkomen heeft zij ontvangen voor het, binnen de kaders van de verblijfsvergunning, lopen van een stage. De rechtbank heeft geoordeeld dat nu de echtgenote geen verzekerde is voor de Zvw, de zorgtoeslag van [wederpartij] ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wzt dient te worden vastgesteld op vijftig procent.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling of de echtgenote is uitgesloten van de kring van verzekerden ten onrechte alleen de aan de echtgenote verleende verblijfsvergunning heeft betrokken. Uit artikel 20 van het Besluit volgt dat van belang is met welke intentie een persoon in Nederland verblijft en die kan afwijken van het doel van de vergunning. De Belastingdienst voert voorts aan dat uit de toelichting bij het Besluit kan worden afgeleid dat ook van belang is of arbeid is verricht. Nu de echtgenote in 2011 arbeid heeft verricht, valt zij niet onder de beperking van de kring van verzekerden. De Belastingdienst wijst in dit verband op de aan de echtgenote opgelegde aanslag inkomstenbelasting voor 2011 waaruit volgt dat zij over dat hele jaar ABWZ-premie verschuldigd is en haar loongegevens van dat jaar waaruit volgt dat op haar inkomen een inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zvw is ingehouden.

4.1. Niet is in geschil dat de echtgenote in de periode in geding een verblijfstitel heeft en dat zij om die reden als ingezetene ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWBZ is verzekerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de hierop in artikel 20, aanhef en onder a, van het Besluit gemaakte uitzondering voor een persoon die uitsluitend wegens studieredenen in Nederland woont en jonger is dan 30 jaar, van toepassing is op de echtgenote. Het betoog van de Belastingdienst dat de rechtbank bij haar oordeel daarover ten onrechte alleen de verblijfsvergunning van de echtgenote heeft betrokken, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak, aangezien de rechtbank ook is ingegaan op andere omstandigheden.

Vaststaat dat de echtgenote ten tijde in geding jonger is dan 30 jaar. Voor de beoordeling of zij toen uitsluitend wegens studieredenen in Nederland woonde, is haar op die periode betrekking hebbende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van belang. Die vergunning is haar verleend onder de beperking: "Studie aan HBO te Den Haag. Arbeid niet toegestaan muv arbeid van bijkomende aard. TWV vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht." De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat uit die vergunning volgt dat de echtgenote destijds in Nederland verbleef om een studie te volgen. Anders dan de Belastingdienst betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat de echtgenote niet onder de beperking van de kring van verzekerden valt, omdat zij in 2011 arbeid heeft verricht. Uit de nota van toelichting bij het Besluit (Stbl. 1998, 746, blz. 26 en 35) kan worden afgeleid dat de eis "uitsluitend wegens studieredenen" tot gevolg heeft dat indien naast de studie ook arbeid wordt verricht, de uitzondering in artikel 20, aanhef en onder a, van het Besluit niet van toepassing is en betrokkene verzekerd is op grond van de volksverzekeringen. Indien arbeid wordt verricht ten behoeve van een studie, zoals een stage, is die uitzondering wel van toepassing en is betrokkene niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen. Nu [wederpartij] ter zitting heeft toegelicht en door de Belastingdienst niet is weersproken dat de echtgenote in de periode in geding ten behoeve van haar studie in het kader van een verplichte stage arbeid heeft verricht waaruit zij inkomsten heeft gehad, is de uitzondering van artikel 20, aanhef en onder a, van het Besluit op de echtgenote van toepassing. Dit betekent dat zij in die periode niet ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWBZ verzekerd is en niet ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Zvw verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren. Dat op de inkomsten uit de stage loonheffing, een AWBZ-premie en een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn ingehouden, leidt niet tot een ander oordeel, nu het gaat om inkomsten uit arbeid in het kader van een stage ten behoeve van de studie. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, nu de echtgenote onder de beperking van de kring van verzekerden valt, de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij ten onrechte niet was verzekerd ingevolge de Zvw.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 105,32 (zegge: honderdvijf euro en tweeëndertig cent);

III. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

609.