Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201301020/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college Tirion een nadeelcompensatie van € 65.405,00, te verminderen met het voorschot van € 20.000,00, toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301020/1/A2.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tirion Hypotheken B.V. (hierna: Tirion), gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 december 2012 in zaak nr. 11/1100 in het geding tussen:

Tirion

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft het college Tirion een nadeelcompensatie van € 65.405,00, te verminderen met het voorschot van € 20.000,00, toegekend.

Bij besluit van 13 september 2011 heeft het college het door Tirion daartegen gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en de hoogte van de nadeelcompensatie op € 85.949,00 vastgesteld.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank het door Tirion daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op nadeelcompensatie over het jaar 2007 en bepaald dat aan Tirion voor dat jaar een nadeelcompensatie van € 19.005,00 wordt toegekend en dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit, voor zover het is vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft Tirion hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Tirion heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2013, waar Tirion, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. R.P. Doting, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.C. Lont, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 25 april 2007 heeft de raad van de gemeente Groningen de Nadeelcompensatieverordening Damsterdiepgarage gemeente Groningen 2007 (hierna: de verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de verordening wordt onder het project verstaan: de bouw van de parkeergarage onder het kantoorgebouw en de herinrichting van het Damsterdiep tussen de Steentilbrug en de Petruscampersingel te Groningen.

Ingevolge die aanhef en onder e wordt onder nadeel verstaan: de schade die een direct gevolg is van de feitelijke uitvoering van het project.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, kent het college, op verzoek van degene die nadeel heeft geleden als gevolg van de feitelijke uitvoering van het project, nadeelcompensatie toe naar billijkheid, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven en voor zover vergoeding van het nadeel niet anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, verstrekt de verzoeker de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge het vijfde lid dienen de jaarcijfers van de afgelopen drie jaren voorafgaand aan de bouw en de jaren tijdens de bouw te worden bijgevoegd, indien het verzoek wordt gebaseerd op winstderving.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan het college op verzoek, de adviescommissie gehoord, een voorschot op nadeelcompensatie toekennen wanneer verzoeker een spoedeisend belang bij toekenning heeft. Een voorschot wordt slechts verleend indien redelijkerwijs te verwachten valt dat verzoeker in aanmerking komt voor nadeelcompensatie.

2. Tirion was van 1 november 1996 tot 1 mei 2010 gevestigd aan het Damsterdiep 69 te Groningen. Haar bedrijfsmatige activiteiten bestaan uit het verstrekken van hypotheken, verzekeringen, pensioenen en consumptieve kredieten.

3. Bij brief van 15 december 2008 heeft Tirion het college verzocht om compensatie voor het nadeel dat zij als gevolg van de feitelijke uitvoering van het project heeft geleden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat haar bedrijfspand aan het Damsterdiep langdurig niet of nauwelijks voor klanten bereikbaar was en dat dit tot een drastische omzetdaling in de jaren 2007 en 2008 heeft geleid.

4. Aan het besluit van 13 september 2011 is een advies van de nadeelcompensatiecommissie (hierna: de commissie) van 26 augustus 2011 ten grondslag gelegd.

5. Tirion betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de werkzaamheden ter uitvoering van het project pas in de tweede helft van 2007 een dusdanige omvang hebben gekregen dat deze van invloed op de omzet zouden kunnen zijn. Daartoe voert zij aan dat het Damsterdiep vanaf eind mei 2007 afgesloten was, dat het daardoor niet bereikbaar voor verkeer en onaantrekkelijk voor klanten was, dat dit uiteraard zijn weerslag op de omzet heeft gehad en dat het reeds hierom niet terecht is om de omzet over de eerste helft van 2007 als uitgangspunt te hanteren voor het berekenen van het nadeel over de tweede helft van dat jaar.

5.1. In het advies van de commissie is vermeld dat het nadeel over 2007, wat betreft de aanspraak op nadeelcompensatie, uitsluitend betrekking heeft op de tweede helft van dat jaar, omdat de werkzaamheden ter uitvoering van het project toen zijn begonnen. In het verweerschrift in hoger beroep is in dit verband uiteengezet dat in de eerste helft van dat jaar werkzaamheden hebben plaatsgevonden, zoals het verleggen van kabels en leidingen, maar deze activiteiten op dat moment geen relevante invloed op de bereikbaarheid, parkeermogelijkheden en zichtbaarheid van het bedrijfspand hadden, zodat Tirion hiervan geen nadeel heeft ondervonden.

Tirion heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is.

Het betoog faalt.

6. Tirion betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het hanteren van halfjaarcijfers een aanvaardbare grondslag is voor het berekenen van de referentieomzet voor de tweede helft van 2007. Daartoe voert zij aan dat de door de commissie toegepaste rekenmethode in strijd met de verordening is. Voorts voert zij aan dat die methode niet deugt.

6.1. Uit de verordening volgt niet dat de commissie voor het berekenen van het nadeel geen halfjaarcijfers mag hanteren. Dat in artikel 3, vijfde lid, van de verordening is bepaald dat bij het verzoek jaarcijfers worden overgelegd, doet daaraan niet af, omdat dit een vereiste van procedurele aard is en niet een richtlijn voor het berekenen van het nadeel geeft.

Het eerste onderdeel van het betoog faalt.

6.2. In het advies van de commissie is uiteengezet dat uit de door Tirion verstrekte halfjaarcijfers over 2004 - 2006 blijkt dat de omzet over de tweede helft van het desbetreffende jaar gemiddeld 25,4 procent lager is dan die over de eerste helft en dat dit voor 2007 betekent dat voor de tweede helft van dat jaar ten opzichte van de eerste helft een omzetdaling van hetzelfde percentage verwacht mag worden. Op grond van een omzet in de eerste helft van dat jaar van € 143.844,00 zou de omzet in de tweede helft op € 107.308,00 uitkomen. Omdat Tirion in de tweede helft een omzet van € 88.303,00 had, heeft zij derhalve een nadeel van € 19.005,00 ondervonden, aldus het advies.

Dat de commissie, voor het berekenen van het nadeel over de tweede helft van 2007, ook een andere rekenmethode had kunnen toepassen, betekent niet dat de thans gevolgde methode in zijn algemeenheid onjuist is of in dit bijzondere geval tot een onjuist resultaat heeft geleid. Daarbij is van belang dat Tirion niet een bericht van een andere deskundige heeft overgelegd waarin het advies van de commissie gemotiveerd is bestreden. Dat zij het met de conclusie van het advies niet eens is en kritische kanttekeningen erbij heeft geplaatst, betekent niet dat het college die conclusie niet in redelijkheid aan het besluit van 13 september 2011 ten grondslag had mogen leggen, omdat uit deze kanttekeningen niet blijkt van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van die conclusie.

Het tweede onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

7. Tirion betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de commissie aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2008 in haar schadebeperkingsplicht is tekortgeschoten en dat de korting van 50 procent op de door het college te vergoeden omzetdaling niet kennelijk onredelijk is. Daartoe voert zij aan dat zij, vanwege een slechte liquiditeitspositie, destijds niet in staat was uitgaven voor reclame te doen, dat het nog maar de vraag is of aan reclame de waarde dient te worden toegekend die het college daaraan hecht en dat zij tijdig is begonnen met het per telefoon actief benaderen van haar klanten. Voorts voert zij aan dat de korting van 50 procent op de door het college te vergoeden omzetdaling onvoldoende is gemotiveerd.

7.1. In het advies van de commissie is uiteengezet dat Tirion de omzetdaling in 2008 had kunnen beperken door reclame te maken. Tirion heeft niet met een bericht van een andere deskundige aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is. Voor zover zij vanwege haar verslechterde liquiditeitspositie niet meer in staat was uitgaven voor reclame te doen, de gevolgen van die verslechterde liquiditeitspositie in dat opzicht niet voor haar risico komen en zij voor de kosten van reclame geen lening bij een derde had kunnen afsluiten, laat dat onverlet dat zij, gelet op artikel 5, eerste lid, van de verordening, tijdig een voorschot op nadeelcompensatie had kunnen vragen en dat zij dat voorschot onder meer had kunnen gebruiken om de kosten van reclame te voldoen. In dit verband is niet zonder belang dat Tirion in het verleden steeds substantiële reclamekosten heeft gemaakt.

Het eerste onderdeel van het betoog faalt.

7.2. In het advies van de commissie is vermeld dat Tirion heeft gesteld dat 70 procent van de omzet van bestaande klanten komt en is vervolgens uiteengezet dat dat deel van de omzet niet of nauwelijks gevoelig voor de gevolgen van de werkzaamheden ter uitvoering van het project is, omdat zich in de directe nabijheid van het bedrijfspand drie goed bereikbare parkeergarages bevinden en de omzet niet afhankelijk is van impulsaankopen. Op grond van de referentiejaaromzet over 2004 - 2006, rekening houdend met de marktomstandigheden, was in 2008 een jaaromzet van € 263.229,00 te verwachten. In dat jaar is feitelijk een omzet van € 110.337,00 behaald. Tirion heeft derhalve een nadeel van € 152.892,00 ondervonden, maar daarvan komt slechts de helft voor vergoeding in aanmerking, omdat zij te weinig aan schadebeperking heeft gedaan en verkeerde beslissingen heeft genomen. De vergoeding van € 76.446,00 is bijna gelijk aan de door nieuwe klanten te genereren omzet van 30 procent.

Dat, zoals Tirion stelt, de conclusie van de commissie berust op een schatting van de getalsmatige verhouding tussen de omzet van bestaande en nieuwe klanten, betekent niet, daargelaten dat de schatting tot een mededeling van Tirion is te herleiden, dat de commissie niet in redelijkheid tot die conclusie heeft kunnen komen. Voor zover ook bestaande klanten na de aanvang van de werkzaamheden ter uitvoering van het project zijn weggebleven, zoals Tirion voorts stelt, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, gezien het advies van de commissie, dat dit slechts met die werkzaamheden te maken heeft. In het betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat de korting van 50 procent op de te vergoeden omzetdaling onvoldoende is gemotiveerd.

Het tweede onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

452.