Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201305207/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over het berekeningsjaar 2009 toegekende voorschot herzien en op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305207/1/A2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2013 in zaak nr. 12/3579 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over het berekeningsjaar 2009 toegekende voorschot herzien en op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 6 juni 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep voor zover dat is gericht tegen de nihilstelling van het voorschot over het berekeningsjaar 2009 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij deze dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Awir verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de nihilstelling van het voorschot over het berekeningsjaar 2009 bij besluit van 6 juni 2012 gehandhaafd en daaraan ten grondslag gelegd dat, nu een door de betrokken partijen ondertekende akte van overeenkomst niet is overgelegd, niet is voldaan aan artikel 52 van de Wko. Voorts is met de overgelegde stukken niet aangetoond dat er daadwerkelijk kosten voor kinderopvang zijn gemaakt, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overgelegde akten van overeenkomsten niet als bewijs van kinderopvang kunnen dienen omdat de datum van ondertekening en de handtekening van het gastouderbureau daarop ontbreken. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de administratie van het gastouderbureau door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) in beslag is genomen voor zijn rekening en risico komt. Hiertoe voert [appellant] aan dat ondertekening van de akten wel heeft plaatsgevonden, maar dat de ondertekende akten zich in de administratie van het gastouderbureau bevinden en de FIOD hierop beslag heeft gelegd. Nu hij dus niet over deze akten kan beschikken, had het op de weg van de Belastingdienst/Toeslagen gelegen om de FIOD op te dragen die akten te verstrekken. Door te volharden in het verzoek om de akten over te leggen, maakt de Belastingdienst/Toeslagen volgens [appellant] misbruik van zijn bevoegdheden en handelt de dienst in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ook had de Belastingsdienst/Toeslagen volgens [appellant] in het FIOD-onderzoek aanleiding moeten zien om de kinderopvangtoeslag in 2009 stop te zetten. Dat er over het berekeningsjaar 2009 teveel kinderopvangtoeslag is toegekend, dient dan ook niet voor zijn rekening te komen, aldus [appellant]. Verder is de rechtbank volgens [appellant] er ten onrechte aan voorbijgegaan dat hij op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2009 kosten voor kinderopvang heeft gehad.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, die de basis moet vormen voor kinderopvang, ontbreekt. Degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag, dient dit, gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir, aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau aan te tonen. Hieruit volgt dat [appellant] gehouden was om een ondertekend en gedagtekend exemplaar van de akte van de overeenkomst in zijn administratie te bewaren om aldus te kunnen aantonen dat de kinderopvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen aanleiding gezien om de FIOD te verzoeken de desbetreffende akten van overeenkomsten - die volgens [appellant] in de administratie van het gastouderbureau zijn opgenomen - aan hem te verstrekken. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden door van [appellant] te verlangen deze akten over te leggen. Het enkele feit dat de FIOD onderzoek heeft ingesteld naar de activiteiten van het gastouderbureau, betekent voorts niet dat daarmee ook vaststaat dat de vraagouders die met dat bureau een overeenkomst hebben gesloten geen recht hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag. Dat onderzoek noodzaakte de Belastingdienst/Toeslagen op zichzelf derhalve niet om aan [appellant] over het berekeningsjaar 2009 geen voorschot kinderopvangtoeslag toe te kennen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld. Verder heeft de Belastingdienst/Toeslagen in zijn verweerschrift toegelicht dat hij [appellant] van het FIOD-onderzoek op de hoogte heeft gesteld, zodat de Belastingdienst/Toeslagen aldus zorgvuldig heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

3.2. [appellant] heeft de Afdeling op de zitting verzocht om de zaak aan te houden omdat hij contact heeft opgenomen met de FIOD en hieruit blijkt dat hij, indien hij daartoe toestemming heeft gekregen van de eigenaar van het gastouderbureau, een afschrift van de ondertekende en gedagtekende akte van overeenkomst kan overleggen.

In dat verband wordt in aanmerking genomen dat uit de door [appellant] overgelegde bankafschriften van het jaar 2009 niet kan worden opgemaakt dat [appellant] de gastouder in dat jaar heeft betaald. [appellant] heeft dus niet aangetoond dat hij in 2009 heeft bijgedragen in de kosten voor kinderopvang. Derhalve kan het overleggen van voormeld afschrift door [appellant] niet tot het oordeel leiden dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot over het berekeningsjaar 2009 ten onrechte op nihil heeft vastgesteld. De Afdeling wijst het verzoek dan ook af.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn stelling dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het verbod van willekeur dan wel het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld niet heeft onderbouwd. Onder verwijzing naar zijn beroepschrift voert [appellant] aan dat die stelling wel degelijk is onderbouwd. Diverse ouders hebben - evenals hij - gebruikgemaakt van de diensten van dit gastouderbureau en ook zij zijn geconfronteerd met de beslaglegging op de administratie van dat bureau. Door van andere ouders die in een vergelijkbare situatie terecht zijn gekomen de toegekende voorschotten niet terug te vorderen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het verbod van willekeur dan wel het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

4.1. [appellant] heeft in zijn beroepschrift slechts gesteld dat hem bekend is dat andere bij het gastouderbureau aangesloten vraagouders - die volgens hem zich in een vergelijkbare situatie bevonden - niets behoefden terug te betalen. Aangezien [appellant] niet heeft geconcretiseerd wie die vraagouders zijn, heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd.

Het betoog faalt.

5. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen de nihilstelling van het voorschot over het berekeningsjaar 2009 bij besluit van 6 juni 2012 terecht heeft gehandhaafd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Heer

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

636.