Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201304187/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BZ8945, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 25 november 2011 heeft het algemeen bestuur streefpeilen vastgesteld voor onder meer de Groenlanden en de Ooijse Graaf in het gebied de Ooijpolder.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/294
AB 2014/199

Uitspraak

201304187/1/A4.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Flora- en Faunawerkgroep Gelderse Poort, gevestigd te Arnhem, en de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Rijk van Nijmegen, gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/738 in het geding tussen onder meer:

de stichting en de vereniging

en

het algemeen bestuur van het waterschap Rivierenland.

Procesverloop

Op 25 november 2011 heeft het algemeen bestuur streefpeilen vastgesteld voor onder meer de Groenlanden en de Ooijse Graaf in het gebied de Ooijpolder.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de stichting en de vereniging daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting en de vereniging hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het algemeen bestuur heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2014, waar de stichting en de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. F. Minderhoud, werkzaam bij het waterschap, en drs. J. Cremer, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet, is een beheerder verplicht voor daartoe aan te wijzen oppervlaktewater- of grondwaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast te stellen.

Ingevolge het tweede lid worden in een peilbesluit waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgesteld, die gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd.

Ingevolge het derde lid vindt de aanwijzing plaats bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij of krachtens provinciale verordening voor zover het betreft rijkswateren onderscheidenlijk regionale wateren. Bij de maatregel of de verordening kunnen ten aanzien van rijkswateren onderscheidenlijk regionale wateren nadere regels worden gesteld met betrekking tot het peilbesluit.

Ingevolge artikel 4.5 van de Waterverordening waterschap Rivierenland (hierna: de verordening) stelt het algemeen bestuur één of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de als bijlage 2 bij deze verordening behorende kaart.

2. Volgens de rechtbank is de beslissing van het algemeen bestuur tot vaststelling van de streefpeilen geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het niet om een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet gaat en evenmin is gebleken dat de beslissing anderszins rechtsgevolgen heeft.

3. De stichting en de vereniging betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de vaststelling van streefpeilen voor de Groenlanden en de Ooijse Graaf een peilbesluit is als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet, althans een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens hen heeft de vaststelling van deze streefpeilen een normatief karakter, in die zin dat er een inspanningsverplichting voor de beheerder door ontstaat. Daarbij wijzen zij er op dat een peilbesluit op grond van het tweede lid van artikel 5.2 bandbreedten kan bevatten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, zodat een peilbesluit flexibel kan zijn, en dat dit lid spreekt over het ‘zoveel mogelijk’ handhaven daarvan.

3.1. Vast staat dat de Ooijpolder, waarin de Groenlanden en de Ooijse Graaf zijn gelegen, op de als bijlage 2 bij de verordening behorende kaart niet is aangewezen als gebied waar voor de oppervlaktewaterlichamen een peilbesluit moet worden vastgesteld. Gelet hierop kan de vaststelling van streefpeilen voor de Groenlanden en de Ooijse Graaf niet worden aangemerkt als een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet.

In de toelichting bij de verordening is vermeld dat de verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is opgelegd voor die oppervlaktewateren waar het waterschap onder normale omstandigheden de aan- en afvoer van water kan beheersen en dat als er geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, het waterschap streefpeilen kan hanteren. Het algemeen bestuur heeft bevestigd dat de handhaving van waterpeilen in de Groenlanden en de Ooijse Graaf onvoldoende kan worden gegarandeerd en dat de vastgestelde streefpeilen louter zijn bedoeld als indicatieve doelstellingen voor het waterschap zelf. De vaststelling van de streefpeilen is, gelet hierop, niet gericht op enig rechtsgevolg, nu er geen recht, plicht, bevoegdheid of juridische status door wordt gecreëerd of tenietgedaan.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de vaststelling van streefpeilen voor de Groenlanden en de Ooijse Graaf geen peilbesluit is als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet en ook anderszins geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank terecht niet aan een inhoudelijke behandeling van het beroep van de stichting en de vereniging toegekomen. De Afdeling komt daarom ook niet toe aan het betoog van de stichting en de vereniging dat de vaststelling van de streefpeilen onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank had echter het beroep niet niet-ontvankelijk moeten verklaren, maar zij had zich onbevoegd moeten verklaren van dat beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van de stichting en de vereniging niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van dit beroep kennis te nemen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het door de stichting en de vereniging in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/738, voor zover daarbij het beroep van de stichting Stichting Flora- en Faunawerkgroep Gelderse Poort en de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Rijk van Nijmegen, niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Flora- en Faunawerkgroep Gelderse Poort en de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Rijk van Nijmegen, het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) terugbetaalt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

462-764.