Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201304226/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:2605, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het college de Grensstraat tussen het kruispunt met de Europaweg-Noord en de Rijksgrens met Duitsland voor vrachtauto’s gesloten verklaard tussen 22 en 6 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2014/87

Uitspraak

201304226/1/A3.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Transport en Logistiek Nederland (hierna: TLN), gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht (lees: Limburg) van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/845 in het geding tussen:

TLN

en

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2012 heeft het college de Grensstraat tussen het kruispunt met de Europaweg-Noord en de Rijksgrens met Duitsland voor vrachtauto’s gesloten verklaard tussen 22 en 6 uur.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank het door TLN daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft TLN hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2014, waar TLN, vertegenwoordigd door mr. J.B. van Velzen, aldaar werkzaam, en [ directeur] van [bedrijf], en het college, vertegenwoordigd door A. van de Schraaff en N. Bouchiba, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2. Het college heeft besloten tot plaatsing van verkeersborden C7, als bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) met het onderbord "22-6h", op de plekken die zijn vermeld op de bij het besluit behorende situatietekening "Verkeersmaatregel Grensstraat". Aldus heeft het college de Grensstraat tussen het kruispunt Europaweg-Noord en de Rijksgrens met Duitsland in de periode tussen 22 en 6 uur gesloten voor vrachtverkeer.

Ter motivering van dit besluit wijst het college erop dat het gedeelte van de Grensstraat tussen de Europaweg-Noord en de Duitse grens een belangrijke functie heeft als gebiedsontsluitingsweg, maar niet als zodanig is ingericht. De weg ligt in de bebouwde kom en de bewoners aldaar hebben meermalen klachten bij de gemeente ingediend over trilling- en geluidhinder die wordt veroorzaakt door het vrachtverkeer dat over deze weg rijdt. Met het besluit wordt beoogd aan deze klachten tegemoet te komen. Het college heeft niet gekozen voor algehele sluiting van de weg, omdat dat de economische belangen van de transportbedrijven in de omgeving te veel zou schaden.

3. TLN betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. In dit verband voert zij aan dat in de door omwonenden van de Grensstraat ervaren trilling- en geluidhinder geen aanleiding had mogen worden gezien om de verkeersmaatregel te nemen, nu deze hinder niet is geobjectiveerd door middel van onderzoek. Voorts voert TLN aan dat de rechtbank heeft miskend dat bij de totstandkoming van het besluit onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de transportsector. Volgens TLN had niet tot de geslotenverklaring kunnen worden gekomen, zonder ontheffing voor het door deze sector uitgevoerde vrachtverkeer mogelijk te maken. Nu moet het vrachtverkeer tijdens de nachtelijke uren omrijden of de ritten uitstellen tot 6 uur in de ochtend, hetgeen extra kosten met zich mee brengt.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201105657/1/A3), komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een verkeersbesluit tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

3.2. De Grensstraat in de gemeente Landgraaf is in het "Mobiliteitsplan Landgraaf" uit 2009, in afwachting van de aanleg van de Randweg Abdissenbosch, gecategoriseerd als een voorlopige gebiedsontsluitingsweg. In een memo van 3 februari 2010, opgesteld door Nordinfra, staat dat de Grensstraat evenwel niet als zodanig is ingericht. Het eerste gedeelte van de Grensstraat, ten oosten van de Europaweg-Noord, is zeer smal en heeft zeer smalle fietssuggestiestroken. Het overige gedeelte van de Grensstraat tot de Duitse grensovergang is breder, maar hier mag op de rijbaan geparkeerd worden wegens de grote parkeerbehoefte en het ontbreken van alternatieve parkeeroplossingen. In een memo van Nordinfra van 12 juli 2010 staat dat over de Grensstraat gemiddeld 41 vrachtauto’s per nacht rijden, waarvan - naar later is gebleken - 28 in de periode tussen 22 en 6 uur. Zoals ter zitting is toegelicht zijn de woningen die langs de Grensstraat staan in verband met de geluidbelasting op de gevels aangemeld voor een saneringsprogramma. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich, gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de klachten van bewoners en algemene ervaringsregels, op het standpunt heeft mogen stellen dat de geluid- en trillinghinder voor omwonenden van de Grensstraat relatief hoog is. Voor dit standpunt is steun te vinden in naderhand naar de geluidniveaus bij de woningen aan het eerste gedeelte van de Grensstraat verricht onderzoek, dat is neergelegd in een interne memo van 10 oktober 2012.

3.3. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de transportsector. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college de geslotenverklaring, gelet op de functie van de Grensstraat als voorlopige gebiedsontsluitingsweg en in overleg met transportbedrijven, heeft beperkt tot de periode tussen 22 en 6 uur. Voorts is van belang dat voor het nachtelijke vrachtverkeer twee alternatieve routes beschikbaar zijn, te weten de Roderlandbaan en de Provincialeweg N274. Niet in geschil is dat het vrachtverkeer bij het nemen van deze alternatieve routes moet omrijden, hetgeen tijd kost. Dit brengt extra kosten voor transportbedrijven met zich, met name voor de bedrijven die dicht bij de Grensstraat zijn gevestigd. Ter zitting is namens TLN toegelicht dat ook het uitstellen van een voorgenomen rit tot 6 uur, extra kosten voor transportbedrijven met zich kan brengen. TLN heeft niet aannemelijk gemaakt dat de extra kosten voor transportbedrijven zo hoog zijn, dat aan hun belangen een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

3.4. Het college heeft de mogelijkheden voor het verlenen van ontheffingen van de verkeersmaatregel als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990, laten onderzoeken door Nordinfra. Nordinfra heeft in een memo van 31 oktober 2012 laten weten dat zij mogelijkheden ziet voor het verlenen van een ontheffing voor transportbedrijven die op een redelijke afstand van de Grensstraat zijn gevestigd. In beginsel komen vijf tot acht transportbedrijven voor een ontheffing in aanmerking, maar in theorie kan een groter aantal bedrijven een aanvraag doen. Ook bedrijven in de buurt van de Grensstraat, die niet tot de transportsector behoren maar wel over vrachtauto’s voor transport beschikken, kunnen een ontheffing aanvragen. Dit zou, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, tot uitholling van de geslotenverklaring kunnen leiden.

3.5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college, alles afwegende, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting van de Grensstraat tussen het kruispunt met de Europaweg-Noord en de Rijksgrens met Duitsland voor vrachtauto’s in de periode tussen 22 en 6 uur.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

589.