Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201303395/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:3590, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2012 heeft BFT geweigerd een aantal documenten openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303395/1/A3.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 in zaak nr. 12/10685 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Bureau Financieel Toezicht (hierna: BFT).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2012 heeft BFT geweigerd een aantal documenten openbaar te maken.

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft BFT het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

BFT heeft een verweerschrift ingediend.

BFT heeft bij besluit van 4 juli 2013 alsnog een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Bij brief van 19 juli 2013 heeft [appellant] desgevraagd te kennen gegeven zich niet met dat besluit te kunnen verenigen.

BFT heeft bij brief van 2 september 2013 een reactie ingediend.

[appellant] heeft toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat te Den Haag, en BFT, vertegenwoordigd door mr. M.A. Drenth, werkzaam in zijn dienst, bijgestaan door mr. C.A. Geleijnse, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.

Ingevolge artikel 30, eerste volzin, van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt het toezicht op de naleving door de gerechtsdeurwaarder van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 19, eerste lid, tweede lid, derde volzin, en zevende lid, uitgeoefend door BFT.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, brengt BFT, indien het bij de uitoefening van het toezicht van feiten of omstandigheden blijkt die naar zijn oordeel grond opleveren tot het opleggen van een tuchtmaatregel, zijn bevindingen, desgeraden in de vorm van een klacht, ter kennis van de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

2. [appellant] heeft BFT verzocht om openbaarmaking van interne beleidsregels en de aan die beleidsregels ten grondslag liggende besluitvormings- en overlegstukken over de berekeningsmethodiek en waarderingsgrondslagen voor de bewaringspositie van gerechtsdeurwaarders die BFT hanteert. Tevens heeft hij BFT verzocht om openbaarmaking van interne beleidsregels en de aan die beleidsregels ten grondslag liggende besluitvormings- en overlegstukken over het indienen van een klacht bij de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders op grond van artikel 32 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

2.1. BFT heeft aan het besluit van 3 oktober 2012 ten grondslag gelegd dat een aantal documenten dat onder zijn verzoek valt reeds openbaar is, nu die zijn te vinden op zijn eigen website www.bureauft.nl en de websites www.overheid.nl, www.kvgb.nl, www.rechtspraak.nl en www.tuchtrecht.nl. Daarnaast vallen de documenten "voorschriften en standpunten BFT met betrekking tot gerechtsdeurwaarders, versie april 2006" (hierna: Voorschriften 2006), "BFT Klachtbeleid Gerechtsdeurwaarders Financieel Toezicht" van 1 maart 2004 (hierna: Klachtbeleid 2004), "BFT Klachtbeleid Gerechtsdeurwaarders Financieel Toezicht" uit 2007 (hierna: Klachtbeleid 2007) en "BFT Klachtbeleid Gerechtsdeurwaarders Financieel Toezicht 2010" (hierna: Klachtbeleid 2010) onder het verzoek van [appellant]. BFT heeft aan de weigering die openbaar te maken artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 11 van de Wob ten grondslag gelegd.

Het document "Voorschriften 2006" is opgesteld door de interne werkgroep gerechtsdeurwaarders en bevat de persoonlijke beleidsopvattingen van die werkgroep. Het is opgesteld voor de toezichthouders op de gerechtsdeurwaarders en geeft inzicht in het toezicht van BFT op de gerechtsdeurwaarders. Openbaarmaking van dat document, met de daarin vervatte beleidsopvattingen en toezicht- en controlestrategieën, die bepalend zijn voor de uniformering en aldus leiden tot eenheid van beleid en uitvoering, kan daarnaast tot ongewenst berekenend gedrag van gerechtsdeurwaarders leiden en is daarom onwenselijk. BFT kan bij openbaarmaking ervan nadeel ondervinden bij de uitoefening van het toezicht op de gerechtsdeurwaarders.

Aan de weigering de documenten "Klachtbeleid 2004", "Klachtbeleid 2007" en "Klachtbeleid 2010" openbaar te maken heeft BFT ten grondslag gelegd dat die documenten zijn opgesteld door de interne werkgroep gerechtsdeurwaarders voor intern beraad van de toezichthouders op de gerechtsdeurwaarders om tot afstemming te komen, voorafgaande aan de besluitvorming van de directie, dan wel het bestuur. Die documenten bevatten de persoonlijke beleidsopvattingen van voormelde werkgroep. Openbaarmaking van die documenten, met de daarin vervatte beleidsopvattingen en toezicht- en controlestrategieën kan tot ongewenst berekenend gedrag van gerechtsdeurwaarders leiden en is daarom onwenselijk. Het bureau kan bij openbaarmaking ervan nadeel ondervinden bij de uitoefening van het toezicht op de gerechtsdeurwaarders, aldus BFT.

In het hoger beroep

3. Bij het besluit van 4 juli 2013 heeft BFT dat van 3 oktober 2012 wat betreft de documenten "Klachtbeleid 2004" en "Voorschriften 2006" gewijzigd. Een deel van die documenten is openbaar gemaakt, met uitzondering van twee namen. BFT heeft evenwel geweigerd een gedeelte openbaar te maken en daaraan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 11, eerste lid, van de Wob ten grondslag gelegd. Voorts heeft het voor een aantal passages die niet openbaar zijn gemaakt tevens verwezen naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d.

Ter zitting van de Afdeling heeft BFT te kennen gegeven dat het bij nalezing van de documenten na de uitspraak van de rechtbank alsnog tot het oordeel is gekomen dat de twee voormelde documenten niet alleen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten en openbaarmaking van die onderdelen daarom ten onrechte is geweigerd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet gegrond heeft geacht, voor zover dat de delen betreft die met het besluit van 4 juli 2013 openbaar gemaakt zijn. In zoverre slaagt het hoger beroep reeds om die reden.

4. Na het besluit van 4 juli 2013 zijn niet openbaar gemaakt: delen van de documenten "Voorschriften 2006" en "Klachtbeleid 2004" en de volledige documenten "Klachtbeleid 2007" en "Klachtbeleid 2010".

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat BFT ten onrechte heeft geweigerd een aantal documenten openbaar te maken, nu hij naar aanleiding van een klacht van BFT, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet, uit het ambt van gerechtsdeurwaarder is gezet. Hij is aldus vervolgd ter zake van een "criminal charge", als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft recht op inzage in zijn dossier. De documenten die hij openbaar gemaakt wil zien, maakten van dat dossier onderdeel uit, aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200203532/1), dient openbaarmaking krachtens de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering. De aanspraak daarop komt iedere burger in gelijke mate toe. Bij een belangenafweging in het kader van de Wob mogen en moeten het algemeen belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie enerzijds en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen anderzijds worden betrokken, maar niet het specifieke belang van de desbetreffende verzoeker.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank aan de omstandigheid dat [appellant], naar gesteld, naar aanleiding van een klacht van BFT uit het ambt van gerechtsdeurwaarder is gezet en de documenten, waarvan openbaarmaking is geweigerd, onderdeel uitmaakten van zijn dossier, terecht niet de betekenis gehecht die [appellant] daaraan gehecht wilde zien.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank BFT ten onrechte is gevolgd in het betoog dat de documenten die het geweigerd heeft openbaar te maken persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Die documenten zijn opgesteld door de interne werkgroep gerechtsdeurwaarders, zodat het belang om in vertrouwelijke sfeer van gedachten te kunnen wisselen, zonder vrees voor gezichtsverlies en het belang van het waarborgen dat betrokkenen bij de ontwikkeling van het beleid in vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten, niet speelt. Hier komt bij dat in de documenten onder meer een methode om de bewaarpositie te berekenen is vervat. Die berekening vindt in hoofdzaak plaats aan de hand van objectieve factoren.

Voor zover de documenten die niet openbaar zijn gemaakt wel zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, heeft de rechtbank miskend dat BFT ten onrechte geen afweging heeft gemaakt tussen het belang dat wordt beschermd met artikel 11 van de Wob en dat van openbaarmaking, aldus [appellant].

6.1. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juni 2009 in zaak nr. 200803613/1/H3), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13) dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk, waarmee dit is opgesteld. Degene op wiens verzoek het document is opgesteld moet om het als zodanig te kunnen aanmerken de bedoeling hebben gehad dat het louter zou dienen voor zichzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200807557/1/H3), is niet noodzakelijk dat opvattingen, om te kunnen worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob, herleidbaar zijn tot een individueel persoon. In een document opgenomen opvattingen van personen die bij de opstelling van het document betrokken waren, dan wel opvattingen van overigens bij de beleidsvorming hiervan betrokken personen, verliezen hun karakter van persoonlijke beleidsopvattingen niet doordat zij niet tot één bepaalde persoon herleidbaar zijn en behoeven dan ook niet openbaar te worden gemaakt.

6.2. De documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" bevatten geen persoonlijke beleidsopvattingen en hebben niet het karakter van stukken, opgesteld ten behoeve van intern beraad. Uit die stukken volgt dat de werkgroep gerechtsdeurwaarders regels heeft voorgesteld voor toepassing in concrete gevallen. De stukken bevatten geen weergave van een vrije, persoonlijke discussie.

Het document "Klachtenbeleid 2010" bevat wel persoonlijke beleidsopvattingen en draagt wel het karakter van intern beraad. Dit volgt mede uit de omstandigheid dat in dat document door medewerkers van BFT inhoudelijke opmerkingen zijn geplaatst bij de hoofdtekst, die soms het karakter van een kanttekening hebben, maar waar ook een verschil van mening uit valt af te leiden.

6.3. Voor zover [appellant] verder betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat BFT ten onrechte geen afweging heeft gemaakt tussen het belang van openbaarmaking en dat van de bescherming van de persoonlijk beleidsopvattingen die in het document "Klachtbeleid 2010" zijn vervat, wordt overwogen dat artikel 11, eerste lid, van de Wob voor het aannemen van een verplichting tot een zodanige belangenafweging geen grondslag biedt.

Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat BFT ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 11, tweede lid, wordt overwogen dat, gelet op de inhoud van de persoonlijke beleidsopvattingen die in het document "Klachtbeleid 2010" zijn vervat, voor dat oordeel geen grond bestaat.

6.4. Gelet op het hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen, mocht BFT niet met toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wob weigeren de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken.

Het betoog slaagt in zoverre.

7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat BFT ten onrechte artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, ten grondslag heeft gelegd aan het in beroep bestreden besluit, omdat aan BFT bij de Gerechtsdeurwaarderswet, noch enig ander wettelijk voorschrift, bevoegdheden zijn toegekend voor inspectie, controle en toezicht.

Voor zover aan BFT wel zodanige bevoegdheden zijn toegekend, heeft zij miskend dat BFT niet toereikend heeft gemotiveerd, op welke wijze zijn toezichthoudende taak bij openbaarmaking van de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtbeleid 2004", "Klachtbeleid 2007" en "Klachtbeleid 2010" in geding komt. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderzocht of de toezichthoudende taak zo afhankelijk is van de berekeningsmethode en waarderingsgrondslagen van de bewaringspositie en stukken over het beleid van BFT over het indienen van klachten, dat het belang van inspectie, controle en toezicht door openbaarmaking geschaad zou worden, aldus [appellant].

7.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.4 is overwogen, staat thans nog slechts ter beoordeling of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat BFT mocht weigeren de delen van de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtbeleid 2004" en "Klachtbeleid 2007" met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob openbaar te maken.

7.2. Anders dan [appellant] stelt, zijn aan BFT toezichthoudende taken en bevoegdheden toegekend. Die volgen reeds uit de artikelen 30 en 32, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet.

Dat openbaarmaking, als gesteld, tot berekenend gedrag van deurwaarders kan leiden, is niet voldoende om BFT te volgen in het betoog dat zijn toezichthoudende taak in het geding komt bij openbaarmaking van die documenten. BFT heeft niet inzichtelijk gemaakt, op welke wijze het vermeende berekenende gedrag zal kunnen plaatsvinden en waarom dat nadelig is voor het toezicht dat het uitoefent. Het bezwaar daartegen klemt temeer, nu de documenten verouderde informatie bevatten en BFT in ieder geval thans het toezicht niet meer met inachtneming van de in voornoemde documenten vervatte informatie uitoefent, zoals het eerder te kennen heeft gegeven en ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd.

Dat bij de uitoefening van het toezicht en in concrete procedures gerechtsdeurwaarders hetgeen is vervat in de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtbeleid 2004" en "Klachtbeleid 2007" aan BFT zouden kunnen tegenwerpen, is evenmin voldoende om door BFT aannemelijk gemaakt te achten dat zijn toezichthoudende taak in het geding komt bij openbaarmaking van die documenten. BFT kan er in voorkomend geval op wijzen dat de informatie in die documenten verouderd is.

Ook dit betoog slaagt.

8. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de documenten "Berekening bewaarplicht bij bijzondere klantafspraken", "Aanwijzing voor de waardering" en "Procedures m.b.t. bijzondere bankrekening en de bankrekeningen van het kantoor" op internet te vinden zijn. Zij heeft evenzeer ten onrechte aangenomen dat het actuele toetsingskader van BFT is terug te vinden in de geldende wet- en regelgeving en de stand van zaken in de tuchtrechtelijke jurisprudentie. Het was aan BFT om aannemelijk te maken dat de berekeningsmethodiek en waarderingsgrondslagen van de bewaringspositie van gerechtsdeurwaarders, die BFT als uitgangspunt neemt voor het indienen van een klacht reeds openbaar zijn. [appellant] heeft - onverplicht - aannemelijk gemaakt dat BFT die informatie niet openbaar heeft gemaakt. Daarnaast is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat BFT zelf kenbaar heeft gemaakt dat de bestaande regelgeving onvoldoende houvast bood en BFT geen beleid kenbaar heeft gemaakt, doch het in 2011 de intentie had zulks te doen. Verder is uit de tuchtrechtelijke jurisprudentie niet af te leiden, welke de berekeningsmethodiek en waarderingsgrondslagen van de bewaringspositie van gerechtsdeurwaarders zijn. Ook is het al dan niet openbaar gemaakt zijn geen reden om te weigeren informatie openbaar te maken, aldus [appellant].

8.1. BFT heeft aan het besluit van 13 juli 2012 ten grondslag gelegd dat de informatie, waarop zijn verzoek ziet, is vervat in de documenten "Klachtbeleid 2004", "Klachtbeleid 2007", "Klachtbeleid 2010" en "Voorschriften 2006" en de documenten "Berekening bewaarplicht bij bijzondere klantafspraken", "Aanwijzing voor de waardering" en "Procedures m.b.t. bijzondere bankrekening en de bankrekeningen van het kantoor".

De Afdeling stelt vast dat de documenten "Berekening bewaarplicht bij bijzondere klantafspraken", "Aanwijzing voor de waardering" en "Procedures m.b.t. bijzondere bankrekening en de bankrekeningen van het kantoor" op het internet zijn te vinden op de in overweging 2.1 vermelde websites. [appellant] heeft niet gesteld dat dit ten tijde van het in beroep bestreden besluit niet het geval was. Hier komt bij dat BFT die documenten in hoger beroep heeft overgelegd. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat voornoemde documenten op internet zijn te vinden, bestaat dan ook geen grond.

Voorts hoefde BFT, anders dan [appellant] betoogt, niet aannemelijk te maken dat de berekeningsmethodiek en waarderingsgrondslagen van de bewaringspositie van gerechtsdeurwaarders openbaar zijn. BFT heeft onderzocht, op welke documenten zijn verzoek zag en vervolgens beoordeeld of die openbaar gemaakt moesten worden. Dat [appellant] niet alle informatie heeft verkregen die hij wenste te verkrijgen, is het gevolg van de weigering een deel van die documenten openbaar te maken. Voorts is niet van belang dat BFT in 2011 heeft uitgesproken dat het voornemens is zijn beleid openbaar te maken, nu het uiteindelijk heeft besloten dat niet te doen.

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat BFT de documenten die op internet te raadplegen zijn niet nogmaals openbaar hoefde te maken.

Dit betoog faalt.

In het beroep tegen het besluit van 4 juli 2013

9. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.4, 7.1, 7.2 en 8.1 is overwogen, behoeft het besluit van 4 juli 2013 geen bespreking, voor zover BFT daarbij heeft geweigerd delen van de documenten "Voorschriften 2006" en "Klachtenbeleid 2004" openbaar te maken met toepassing van artikel 11, eerste lid, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob en behoeft slechts te worden onderzocht of [appellant] terecht betoogt dat BFT niet met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g mocht weigeren de desbetreffende delen openbaar te maken.

10. BFT heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat gerechtsdeurwaarders door openbaarmaking van de daarin vervatte informatie in verwarring kunnen worden gebracht, omdat die informatie verouderd is en niet wenselijk is dat gerechtsdeurwaarders BFT hetgeen in die documenten is vervat zouden kunnen tegenwerpen. Dit leidt tot onevenredige benadeling van hem en gerechtsdeurwaarders, aldus BFT.

11. Zoals hiervoor onder 7.2. is overwogen, kan BFT er bij de openbaarmaking van die documenten desgewenst op wijzen dat de informatie daarin verouderd is. Voorts kan het dit in concrete zaken eveneens doen. Gelet daarop, heeft BFT zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bureau en/of gerechtsdeurwaarders door openbaarmaking onevenredig worden benadeeld.

Het betoog slaagt.

In het hoger beroep en het beroep

12. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.4, 7.1, 7.2 en 8.1 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het in beroep bestreden besluit daarbij in stand is gelaten, voor zover de weigering de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken daarbij is gehandhaafd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2012 van BFT gegrond verklaren en dat besluit in zoverre wegens strijd met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 11 van de Wob vernietigen.

13. Gelet op hetgeen hiervoor onder 11 is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 4 juli 2013 gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d en g, en artikel 11 van de Wob voor vernietiging in aanmerking.

14. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 13 juli 2012 zal worden herroepen, voor zover daarbij is geweigerd de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken. Deze documenten zullen openbaar worden gemaakt. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door haar vernietigde besluit. Voorts zal BFT worden gelast uitvoering te geven aan de openbaarmaking van voornoemde documenten, waartoe een termijn zal worden gesteld.

15. BFT dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 in zaak nr. 12/10685, voor zover het besluit van het Bureau Financieel Toezicht van 3 oktober 2012, kenmerk FT/11611/2012.02.01, daarbij in stand is gelaten, voor zover de weigering de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken daarbij is gehandhaafd;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het Bureau Financieel Toezicht van 3 oktober 2012, kenmerk FT/11611/2012.02.01, voor zover de weigering de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken daarbij is gehandhaafd;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het Bureau Financieel Toezicht van 4 juli 2013, kenmerk FT/17652/2013.02, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit, voor zover de weigering de documenten "Voorschriften 2006" en "Klachtenbeleid 2004" openbaar te maken daarbij is gehandhaafd;

VII. herroept het besluit van 13 juli 2012, kenmerk FT/11611/2012.02/100.828, voor zover daarbij is geweigerd de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007" openbaar te maken;

VIII. bepaalt dat het Bureau Financieel Toezicht die documenten openbaar maakt;

IX. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

X. draagt het Bureau Financieel Toezicht op om binnen vier weken uitvoering te geven aan de openbaarmaking van de documenten "Voorschriften 2006", "Klachtenbeleid 2004" en "Klachtenbeleid 2007";

XI. veroordeelt het Bureau Financieel Toezicht tot vergoeding aan [appellant] van bij hem in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat het Bureau Financieel Toezicht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

622.