Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
02-04-2014
Zaaknummer
201303967/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1498, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 5 maart 2011 heeft de Belastingdienst de aanvragen van [appellante] om een kindgebonden budget voor 2010 en 2011 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303967/1/A2.

Datum uitspraak: 2 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2013 in zaak nr. 12/344 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 5 maart 2011 heeft de Belastingdienst de aanvragen van [appellante] om een kindgebonden budget voor 2010 en 2011 afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de Akw) kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van laatstgenoemde wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Akw is verzekerd degene die ingezetene is.

Ingevolge het tweede lid is niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, zijn de aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l.

2. De Belastingdienst heeft aan de afwijzing van de aanvragen van [appellante] ten grondslag gelegd dat aan haar geen kinderbijslag wordt betaald en zij dus niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wkb. Voorts ligt aan de afwijzing ten grondslag dat [appellante] ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000 geen aanspraak op kindgebonden budget heeft, omdat zij geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l van de Vw 2000.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te oordelen dat de afwijzing van de aanvragen om een kindgebonden budget geen strijd oplevert met artikel 14 gelezen in verbinding met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), heeft miskend dat die afwijzing in haar geval geen redelijk middel is om de doelstelling van de Koppelingswet te bereiken. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alleen in geval van een humanitaire noodsituatie nationale regelgeving buiten toepassing kan worden gelaten. Die regelgeving moet volgens haar ook buiten toepassing blijven wanneer in een concrete situatie strijd met internationaal recht ontstaat. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat bij de beoordeling of is gebleken van bijzondere omstandigheden van belang is of [appellante]’s kind door het niet toekennen van een kindgebonden budget onder de armoedegrens komt. Zij stelt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europees Hof) de armoedegrens ook van belang acht, omdat het in het kader van een klacht over een weigering van kindgebonden budget informatie heeft gevraagd over de beschikbare voorzieningen voor betrokken aanvrager met het oog op de armoedegrens.

3.1. Aan artikel 6, tweede lid, van de Akw en artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000 ligt het koppelingsbeginsel ten grondslag. Het koppelingsbeginsel is neergelegd in de Koppelingswet en strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat illegale vreemdelingen door ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijke verblijf of het verwerven van de schijn van legaliteit. Daarnaast is het erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling ‘in procedure’ voor een verblijfsvergunning gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de schijn van een dergelijke positie - dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 2). Onder verwijzing naar de uitspraken van 22 december 2010 in zaak nr. 200909234/1/H2 en 13 februari 2013 in zaak nr. 201202839/1/A2 overweegt de Afdeling dat, gezien het met het koppelingsbeginsel nagestreefde doel, dit beginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het gemaakte onderscheid tussen enerzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds een vreemdeling - zoals [appellante] - aan wie ten tijde in geding een zodanig verblijfsrecht (nog) niet is toegekend.

3.2. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de onder 3.1 vermelde uitspraken, vinden ingevolge artikel 94 van de Grondwet wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het niet toekennen van een kindgebonden budget kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval worden aangemerkt als zijnde in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM in samenhang met het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het familie- en gezinsleven en in dat geval moet de desbetreffende wettelijke bepaling buiten toepassing worden gelaten. De Belastingdienst dient een gemotiveerd beroep op zeer bijzondere omstandigheden zelfstandig te beoordelen. Anders dan [appellante] betoogt, is de rechtbank hiervan uitgegaan en niet, zoals [appellante] stelt, van het uitgangspunt dat alleen in geval van een humanitaire noodsituatie nationale regelgeving buiten toepassing kan worden gelaten.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afwijzing van de aanvragen om een kindgebonden budget niet strijdig is met artikel 14 gelezen in verbinding met artikel 8 van het EVRM. Dat [appellante] in het land van herkomst is misbruikt en als slachtoffer van mensenhandel in Nederland tot prostitutie is gedwongen, zoals zij stelt, zijn geen omstandigheden in voornoemde zin. De stelling van [appellante] dat een kindgebonden budget voorkomt dat haar kind onder het bestaansminimum moet leven, kan niet slagen, reeds omdat het kindgebonden budget niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Dat het Europees Hof bij de behandeling van een klacht over een weigering van kindgebonden budget informatie heeft gevraagd over de beschikbare voorzieningen voor de betrokken aanvrager met het oog op de armoedegrens, zoals [appellante] stelt, doet daaraan niet af.

Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) ertoe strekt dat kinderen in staat moeten worden gesteld op te groeien volgens het hier geldende sociaal minimum, faalt evenzeer. Ingevolge artikel 27, eerste lid, erkennen de Staten die partij zijn, het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind. Ingevolge het derde lid nemen de Staten die partij zijn, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma’s voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraken van 13 juni 2007 in zaak nr. 200607475/1 en van 22 februari 2012 in zaak nr. 201107168/1/A2) bevat artikel 27 van het IVRK geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toetsing door de rechter, aangezien zij daarvoor niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitwerking behoeven. Bovendien zijn de bij de rechtbank bestreden besluiten niet genomen jegens het kind van [appellante]. Het gaat hier om een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten van kinderen, waarop niet een kind zelf maar een ouder voor een kind aanspraak kan hebben. De ouder is begunstigde. De rechtbank heeft in het betoog derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering om [appellante] een kindgebonden budget te verstrekken strijd oplevert met het IVRK.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2014

609.