Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:11

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201211578/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2012:4774, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 8 juni 2010 heeft de minister geantwoord op een verzoek van [appellant].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211578/1/A3.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 november 2012 in zaak nr. 11/3124 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij brief van 8 juni 2010 heeft de minister geantwoord op een verzoek van [appellant].

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 1 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en voorts bepaald dat het beroepschrift, voor zover dit is gericht tegen de door haar als besluiten aangemerkte reacties van de minister van 25 januari 2010 en 15 februari 2010, aan de minister wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op bezwaren van [appellant] beslist en die bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

3. [appellant] heeft op 6 december 2010 (lees: 6 januari 2010) per e-mail de minister verzocht hem te kennen te geven of de Nederlandse overheid over informatie beschikt die het gebruik van een adellijke titel van de ex-echtgenoot van prinses Irene door de Nederlandse overheid rechtvaardigt en hem de informatie daarover toe te sturen.

De minister heeft hierop bij brief van 25 januari 2010 gereageerd, waarna [appellant] zijn verzoek nader heeft uitgelegd per e-mail van 27 januari 2010. Als reactie op de antwoordbrief van de minister van 15 februari 2010 heeft [appellant] zijn verzoek per e-mail van 2 mei 2010 herhaald. Als reactie op het schriftelijke antwoord van de minister van 8 juni 2010 heeft [appellant] op 19 juli 2010 een brief getiteld ‘Bezwaarschrift’ gestuurd. Hierop heeft de minister bij brief van 24 augustus 2010 gereageerd, waarna [appellant] de minister per fax van 26 augustus 2010 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

In haar uitspraak van 30 december 2010 (nr. 10/2651) heeft de rechtbank Alkmaar het beroep van [appellant] wegens het door de minister niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister op elk verzoek van [appellant] tijdig heeft gereageerd. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] verzet aangetekend. Bij uitspraak van 17 november 2011 (nr. 10/2651) heeft de rechtbank Alkmaar in de verzetprocedure de niet-ontvankelijkheid van het beroep bevestigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de brieven van de minister van 25 januari 2010, 15 februari 2010, 8 juni 2010 en 24 augustus 2010 besluiten in de zin van de Awb zijn. De minister heeft derhalve tijdig op de verzoeken van [appellant] beslist, aldus de rechtbank Alkmaar in die uitspraak.

[appellant] heeft vervolgens bij brief van 20 november 2011 alsnog beroep ingesteld tegen de brieven van 25 januari 2010, 15 februari 2010, 8 juni 2010 en 24 augustus 2010.

4. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen de door haar als besluiten aangemerkte reacties van de minister van 25 januari 2010 en 15 februari 2010. Het beroepschrift heeft zij in zoverre aan de minister doorgestuurd ter verdere behandeling als bezwaarschrift.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2010, waarop de minister bij besluit van 24 augustus 2010 heeft beslist. Tegen dit besluit stond derhalve beroep open. [appellant] heeft dit beroep echter te laat ingediend. Dit verzuim is volgens de rechtbank niet verschoonbaar, nu in het besluit van 24 augustus 2010 in ondubbelzinnige bewoordingen is opgenomen dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is en dat geen grond bestaat voor vergoeding van de gemaakte kosten. Derhalve moet het voor [appellant] duidelijk zijn geweest dat met de brief op zijn bezwaar is beslist. De omstandigheid dat in het besluit geen rechtsmiddelenclausule is opgenomen maakt dit niet anders. [appellant] heeft talloze procedures gevoerd en mag derhalve worden verondersteld over de nodige kennis over het in te stellen rechtsmiddel en de daarvoor geldende termijn te beschikken, aldus de rechtbank.

4.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen het besluit van 24 augustus 2010 van de minister heeft overschreden.

Voor zover dit betoog faalt heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat de door de rechtbank gestelde termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het was hem vóór de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 30 december 2010 en 17 november 2011 niet duidelijk dat het antwoord van de minister van 24 augustus 2010 een besluit was, dan wel een besluit op bezwaar.

4.2. De reactie van 26 augustus 2010 van [appellant] op het besluit op bezwaar van 24 augustus 2010 heeft niet de strekking van een beroepschrift. In deze reactie staat: "Hierbij stel ik u nogmaals in gebreke. Indien u twee weken na dit schrijven nog altijd in verzuim blijft dan noodzaakt u mij om de zaak voor te leggen aan de rechtbank." Gelet op de bewoordingen van deze reactie kan deze, anders dan [appellant] betoogt, niet als beroepschrift worden aangemerkt, zodat de minister niet gehouden was deze reactie aan de rechtbank door te sturen.

4.3. Anders dan [appellant] betoogt moest het hem duidelijk zijn dat het antwoord van de minister van 24 augustus 2010 als een besluit moest worden aangemerkt. De minister heeft met zijn antwoord gereageerd op de brief van 19 juli 2010 van [appellant], met het opschrift ‘Bezwaarschrift’. Nu deze brief voorts inhoudelijk de strekking van een bezwaarschrift heeft, moet deze brief als zodanig worden aangemerkt. Dat [appellant] in zijn bezwaarschrift verwijst naar de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, doet hieraan niet af. Een besluit op bezwaar is in beginsel steeds een beroepbaar besluit, ook als de primaire beslissing dat niet zou zijn. De omstandigheid dat de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 8 juni 2010 volgens hem geen besluit is, maakt derhalve niet dat de beslissing op het bezwaar geen besluit is. Het had derhalve voor [appellant], omdat hij zijn brief zelf als bezwaarschrift heeft aangemerkt en uit de reactie van de minister ondubbelzinnig volgt dat op het bezwaar is beslist, doordat het kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, duidelijk moeten zijn dat de brief van 24 augustus 2010 van de minister een besluit was. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de brieven van de minister van 25 januari 2010 en 15 februari 2010 en zijn beroepschrift in zoverre ten onrechte als bezwaarschrift voor verdere behandeling heeft doorgestuurd aan de minister. Hij heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig aan de minister zijn onvrede over diens antwoorden kenbaar gemaakt. De minister heeft hier ten onrechte geen besluiten op genomen en derhalve is een dwangsom verbeurd, aldus [appellant].

5.1. Hoewel [appellant] in zijn e-mails van 27 januari 2010 en 2 mei 2010 zijn onvrede heeft geuit over de antwoorden van de minister, moeten de brieven van de minister en [appellant] gezien worden als correspondentie over vragen van [appellant] met betrekking tot het gebruik van een adellijke titel door de ex-echtgenoot van prinses Irene. Het verzoek van 6 januari 2010 van [appellant] kan niet als een Wob-verzoek worden aangemerkt. Uit het verzoek volgt niet dat [appellant] openbaarmaking van documenten voor eenieder verzoekt. Hij heeft de Wob daarin ook niet genoemd. Hij wenst antwoorden op zijn vragen, die door middel van de brieven door de minister zijn gegeven. Ook is het verzoek niet aan te merken als een aanvraag een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de brieven geeft de minister antwoord op de vragen van [appellant]. Deze antwoorden zijn niet gericht op rechtsgevolg. Derhalve zijn de brieven van 25 januari 2010 en 15 februari 2010 geen besluiten. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De rechtbank had zich in zoverre onbevoegd dienen te verklaren van het beroep van [appellant] kennis te nemen, in plaats van het beroep in zoverre door te sturen als bezwaarschrift.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank Alkmaar in de uitspraken van 30 december 2010 en 17 november 2011 een brief van de minister van 1 september 2010 ten onrechte niet heeft behandeld. Tevens heeft de rechtbank in die uitspraken het inhoudelijke deel van zijn beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, aldus [appellant].

6.1. Dit betoog, wat hier ook van zij, kan niet leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. De door [appellant] genoemde uitspraken van de rechtbank Alkmaar zijn geen onderwerp van dit geschil. Slechts de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 november 2012 in zaak nr. 11/3124 staat in deze procedure ter beoordeling.

7. Gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat het beroepschrift, voor zover dit is gericht tegen de door de rechtbank als besluiten aangemerkte reacties van de minister van 25 januari 2010 en 15 februari 2010, aan de minister dient te worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 3 december 2012 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, alsnog beslist naar aanleiding van de e-mails van 27 januari 2010 en 2 mei 2010 van [appellant] . Het hoger beroep van [appellant] wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid , en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. Nu gelet op het voorgaande de grondslag aan dat besluit is komen te ontvallen, dient het besluit van 3 december 2012 reeds daarom te worden vernietigd.

8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 november 2012 in zaak nr. 11/3124, voor zover daarin is bepaald dat het beroepschrift, voor zover dit is gericht tegen de door de rechtbank als besluiten aangemerkte reacties van de minister van 25 januari 2010 en 15 februari 2010, aan de minister dient te worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift;

III. verklaart de rechtbank in zoverre onbevoegd om van het door [appellant] bij haar ingediende beroep kennis te nemen;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties van 3 december 2012, kenmerk 2012-0000676533;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. gelast dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

280-773.