Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2014
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
201306469/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:CA2258, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 17 januari 2013 heeft de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SDD) aan [appellant] kenbaar gemaakt de schuldhulpverlening opnieuw te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306469/1/A2.

Datum uitspraak: 26 maart 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna ook, tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Dordrecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2013 in zaak nr. 13/895 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Drechtstedenbestuur

Procesverloop

Bij brief van 17 januari 2013 heeft de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SDD) aan [appellant] kenbaar gemaakt de schuldhulpverlening opnieuw te beëindigen.

Bij besluit van 1 februari 2013 heeft het Drechtstedenbestuur het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen een eerdere beëindiging van de schuldhulpverlening niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep in zoverre gegrond verklaard, het besluit van 1 februari 2013 vernietigd, het bezwaar, voor zover gericht tegen de brief van 17 januari 2013 ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 februari 2013. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Drechtstedenbestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2014, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. A. de Raad, advocaat te Dordrecht, en het Drechtstedenbestuur, vertegenwoordigd door T.J.A. Franssen, werkzaam bij de SDD, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geding is slechts de brief van 17 januari 2013 aan de orde, waarbij de SDD aan [appellant] te kennen heeft gegeven de schuldhulpverlening te beëindigen omdat een substantieel aantal schuldeisers niet wenst mee te werken aan het minnelijk traject in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs).

2. [appellant] heeft met zijn hoger beroep beoogd de schuldhulpverlening aan hem te doen hervatten. Ter zitting bij de Afdeling is gebleken dat het verzoek van [appellant] om toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet, uit te spreken hangende het thans voorliggend hoger beroep is toegewezen. Nu dit verzoek is toegewezen, is het minnelijk traject in het kader van de Wgs niet meer aan de orde. Van een actueel en concreet belang bij de beoordeling van het hoger beroep van [appellant] kan om die reden niet meer worden gesproken. Voorts kan hij niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij nog belang heeft, gelet op een eventuele procedure tot vordering van schadevergoeding, indien de beëindiging van de schuldhulpverlening onrechtmatig zou worden geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juni 2010, in zaak nr. 200903188/1/H3), kan belang bij een inhoudelijke beoordeling bestaan indien gesteld wordt dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. In een dergelijk geval is dan vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden. [appellant] heeft op generlei wijze aannemelijk gemaakt daadwerkelijk enige vorm van schade te hebben geleden.

Partijen hebben ter zitting bij de Afdeling, in het geval de Afdeling zou oordelen dat het belang van [appellant] is vervallen, verzocht om een principiële uitspraak over de vraag of de brief van 17 januari 2013 als een besluit dient te worden aangemerkt. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder andere in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juni 2010), levert het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak van de Afdeling wenst, geen rechtens te honoreren belang op.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014

97-729.