Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201300963/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:7631, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering het koninklijk besluit van 22 augustus 1996, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300963/1/V6.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2012 in zaak nr. 08/282 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2007 heeft de minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering het koninklijk besluit van 22 augustus 1996, waarbij aan [appellant] het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 10 december 2007 heeft de minister van Justitie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Desgevraagd heeft de minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 5 september 2013 de aan zijn besluit van 27 april 2004 met kenmerk 0278/2003-LE, waarbij legalisatie van door [appellant] overgelegde documenten is geweigerd, ten grondslag liggende stukken overgelegd, en verzocht ten aanzien van deze stukken op voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te bepalen dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van bepaalde gedeelten ervan.

Op 3 oktober 2013 heeft de geheimhoudingskamer van de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Bij brieven van 17 oktober 2013 en 5 november 2013 hebben de staatssecretaris en de vreemdeling desgevraagd toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba geen bedenkingen bestaan.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, kan de minister de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) kan de minister besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optie of naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden "valse verklaring of bedrog" aansluiting gezocht bij titel XII van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschriften) en bij artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij "het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit" moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Volgens de Handleiding zal intrekking slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

3. Op 18 maart 1996 heeft [appellant] een verzoek ingediend om verlening van het Nederlanderschap. Hij beschikte op dat moment over een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "verblijf bij Nederlandse echtgenote", op grond van zijn huwelijk op 28 december 1992 met [echtgenote]. Dit verzoek is ingewilligd bij koninklijk besluit van 22 augustus 1996.

Bij besluit van 28 februari 2003 heeft de minister van Buitenlandse Zaken, voor zover thans van belang, geweigerd om een door [appellant] overgelegde echtscheidingsakte van 14 november 1990 ten behoeve van hem en [voormalig echtgenote], bestaande uit een ‘divorce decree’ en een ‘divorce judgement’, (hierna: de echtscheidingsakte) te legaliseren. Bij besluit van 27 april 2004 heeft de minister van Buitenlandse Zaken die weigering gehandhaafd, op grond van een advies van de Adviescommissie bezwaarschriften consulaire zaken (hierna: Adviescommissie) van 13 april 2004, omdat die echtscheidingsakte bij inhoudelijke verificatie vals is bevonden. Op grond van informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over het aan het advies van de Adviescommissie van 13 april 2004 voorafgaande verificatieonderzoek van de echtscheidingsakte (hierna: het verificatieonderzoek) is de staatssecretaris gebleken dat [appellant] op 14 januari 1977 in India is gehuwd met [voormalig echtgenote] en nooit van haar is gescheiden.

4. De staatssecretaris heeft bij besluit van 10 december 2007 de intrekking van het koninklijk besluit van 22 augustus 1996 gehandhaafd, omdat [appellant] bij zijn verzoek om naturalisatie fraude heeft gepleegd door relevante feiten omtrent zijn burgerlijke staat te verzwijgen. Indien tijdig bij de Nederlandse autoriteiten bekend zou zijn geweest dat [appellant] niet was gescheiden van [voormalig echtgenote], dan had dat een beletsel gevormd voor het huwelijk hier te lande van [appellant] met [echtgenote] en was [appellant] daarom niet in aanmerking gekomen voor voormelde verblijfsvergunning. Derhalve zouden bedenkingen hebben bestaan tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN en was voormeld naturalisatieverzoek van [appellant] niet ingewilligd.

5. Op verzoek van de rechtbank heeft de staatssecretaris bij brief van 28 september 2011 de aan voormeld advies van de Adviescommissie ten grondslag liggende stukken aan de rechtbank verzonden. De rechtbank heeft bij beslissing van 16 april 2012 geoordeeld dat de beperking van de kennisname van een deel van deze stukken is gerechtvaardigd. [appellant] heeft de rechtbank geen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om van de geheimgehouden stukken kennis te nemen.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet kan beoordelen of de staatssecretaris de geheimgehouden stukken aan het besluit van 10 december 2007 ten grondslag heeft kunnen leggen en dat de gevolgen van het niet verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb voor rekening en risico van [appellant] komen.

6.1. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling geoordeeld dat de gevolgen van het weigeren de rechtbank toestemming te verlenen kennis te nemen van stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht in beginsel voor rekening en risico komen van degene die de toestemming heeft geweigerd.

6.2. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303449/1 volgt dat wanneer in beroep is geweigerd aan de rechtbank toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb maar die toestemming in hoger beroep wel aan de Afdeling wordt verleend, de Afdeling uitspraak doet op grond van de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft de beperking van de kennisneming van door de minister van Buitenlandse Zaken overgelegde stukken 10, 12 en 13, die ten grondslag hebben gelegen aan voormeld advies van de Adviescommissie van 13 april 2004, gerechtvaardigd geoordeeld. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte de beperkte geheimhouding van deze stukken gerechtvaardigd heeft geacht, faalt reeds gelet op voormelde beslissing van de geheimhoudingskamer van de Afdeling.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de resultaten van het verificatieonderzoek aan het besluit van 10 december 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank is voorbijgegaan aan zijn betoog dat uit stempels op de echtscheidingsakte van 14 november 1990 blijkt dat het document is afgegeven door daartoe bevoegde personen van een Indiase rechtbank op 20 september 1997 en dat de echtscheidingsakte is gelegaliseerd. Hij stelt dat het niet ondenkbaar is dat de echtscheidingsakte is zoekgeraakt in de registers in India of is voorzien van een onjuist nummer, maar dat die omstandigheden onverlet laten dat de echtscheiding tussen hem en [voormalig echtgenote] is uitgesproken op 14 november 1990. [appellant] wijst er voorts op dat het verificatieonderzoek dateert van 1998-1999 en dat de staatssecretaris geen nieuw onderzoek heeft gedaan. Hij wijst op verklaringen van familieleden die bewijzen dat hij van [voormalig echtgenote] is gescheiden in 1990. Voorts stelt hij dat uit een door een advocaat in India uitgevoerd onderzoek volgt dat bij de desbetreffende rechtbank in India dossiers zijn zoekgeraakt en die rechtbank een intern onderzoek daarnaar heeft gestart. [appellant] voert aan dat uit voormeld onderzoek in India tevens volgt dat gelet op de ondertekening van de echtscheidingsakte niet is uitgesloten dat dat document echt is.

7.1. Uit voormeld advies van de Adviescommissie van 13 april 2004 volgt dat uit het verificatieonderzoek is gebleken dat de door [appellant] overgelegde echtscheidingsakte niet is aangetroffen in de registers van de desbetreffende rechtbank in India en dat het overgelegde document, nu het niet is gebaseerd op een register, als vals wordt aangemerkt. Voorts volgt uit dit advies dat de echtscheidingsakte niet voor legalisatie in aanmerking komt, omdat 'aanwijzingen' zijn aangebracht op het document. Tevens heeft de Adviescommissie voor haar conclusie dat [appellant] niet van [voormalig echtgenote] is gescheiden in aanmerking genomen dat [voormalig echtgenote] in de woning van [appellant] in India is blijven wonen en dat op een van na de gestelde datum van de echtscheiding daterende 'ration card' van [voormalig echtgenote] is vermeld dat zij echtgenote is van [appellant]. Gelet op deze bevindingen heeft de staatssecretaris het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 april 2004 tot weigering de echtscheidingsakte te legaliseren, waaraan voormeld advies van de Adviescommissie van 13 april 2004 ten grondslag lag en tegen welk besluit [appellant] geen rechtsmiddelen heeft ingesteld, aan zijn besluit van 10 december 2007 ten grondslag kunnen leggen.

Uit het onderzoek dat [appellant] door een advocaat in India in 2006 heeft laten uitvoeren, volgt eveneens dat de echtscheidingsakte niet is aangetroffen in de registers van de desbetreffende rechtbank aldaar. Dat het document op 20 september 1997 is afgegeven en in India is gelegaliseerd, doet niet af aan de conclusie van het inhoudelijke verificatieonderzoek dat het document vals is. De stelling dat het document is zoekgeraakt in de registers van de desbetreffende rechtbank in India of dat het onder een onjuist nummer staat geregistreerd, heeft [appellant] niet met stukken gestaafd en leidt daarom niet tot een ander oordeel. De stelling van voormelde advocaat van [appellant] in India dat de rechtbank een intern onderzoek heeft gestart naar zoekgeraakte dossiers, hetgeen [appellant] niet met stukken heeft gestaafd, leidt niet tot een ander oordeel nu daaruit niet blijkt dat de echtscheidingsakte zich onder de zoekgeraakte dossiers van de desbetreffende rechtbank bevindt. Evenmin kan de omstandigheid dat de echtscheidingsakte zou zijn zoekgeraakt afdoen aan de conclusie in het verificatieonderzoek dat op het document "aanwijzingen" zijn aangebracht, te minder nu uit de aan dat onderzoek ten grondslag liggende openbaar gemaakte documenten volgt dat de medewerkers van de desbetreffende rechtbank hebben verklaard dat het document vals is. Anders dan [appellant] betoogt zijn de conclusies in voormeld advies van de Adviescommissie van 13 april 2004, dat [appellant] niet op 14 november 1990 van [voormalig echtgenote] is gescheiden en dat de door [appellant] overgelegde echtscheidingsakte vals is, niet slechts gestoeld op de omstandigheid dat de echtscheidingsakte zich niet bevindt in de registers van de desbetreffende rechtbank in India, maar hebben ook andere omstandigheden tot die conclusies geleid. Dat het verificatieonderzoek dateert uit 1998-1999 maakt niet dat de staatssecretaris zich in het besluit van 10 december 2007 niet daarop heeft kunnen baseren. Het verificatieonderzoek heeft kort na de door [appellant] gestelde afgifte van het document op 20 september 1997 door de desbetreffende rechtbank plaatsgevonden. De niet met objectieve bewijsstukken onderbouwde stelling van [appellant] dat hij ten tijde van de voor het naturalisatieverzoek relevante periode van [voormalig echtgenote] was gescheiden, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte in zijn standpunt is gevolgd. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris hem terecht heeft tegengeworpen dat hij heeft verzwegen dat de echtscheidingsakte vals is, faalt. Daar [appellant] niet van [voormalig echtgenote] is gescheiden, hetgeen hij heeft verzwegen bij zijn verzoek om naturalisatie, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] fraude in de zin van artikel 14, eerste lid, van de RWN heeft gepleegd.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt ten slotte dat hij in een onmogelijke positie is gebracht door de rechtbank, omdat hij geen verzoek om een verificatieonderzoek kan indienen bij een Nederlandse ambassade en daarom niet kan bewijzen dat hij is gescheiden van [voormalig echtgenote] op de door hem gestelde datum. [appellant] betoogt dat dit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

8.1. Uit de omstandigheid dat [appellant] geen verzoek om een verificatieonderzoek kan indienen bij een Nederlandse ambassade, is niet af te leiden dat [appellant] niet op een andere wijze zou kunnen proberen om aannemelijk te maken dat de door hem gestelde echtscheiding heeft plaatsgevonden en evenmin dat hij niet een contra-expertise zou kunnen laten verrichten om de echtheid van de door hem overgelegde echtscheidingsakte aan te tonen. Van schending van het evenredigheidsbeginsel en het recht op gelijke proceskansen (equality of arms) is om die reden geen sprake. De door [appellant] overgelegde tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, en procesbeslissing van de rechtbank Den Haag in andere zaken waarin de rechtbank de minister van Buitenlandse Zaken heeft opgedragen nader onderzoek te doen in die zaken naar door desbetreffende partijen overgelegde stukken, leiden niet tot een ander oordeel. Anders dan in die zaken aan de orde was, zoals blijkt uit de overgelegde stukken, is de door [appellant] overgelegde echtscheidingsakte na inhoudelijk onderzoek door de minister van Buitenlandse Zaken reeds vals bevonden en heeft [appellant] geen nadere stukken overgelegd die tot een nader onderzoek nopen.

Het betoog faalt.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

164-692.