Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:10

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201211577/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft NL Octrooicentrum een verzoek van Astion tot herstel van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 1560589 voor Nederland - dat per 1 januari 2010 is vervallen - afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211577/1/A3.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Astion Dermatology A/S (hierna: Astion), gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 oktober 2012 in zaak nr. 11/4746 in het geding tussen:

Astion

en

NL Octrooicentrum.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft NL Octrooicentrum een verzoek van Astion tot herstel van het op haar naam gestelde Europees octrooi nr. 1560589 voor Nederland - dat per 1 januari 2010 is vervallen - afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2011 heeft NL Octrooicentrum het door Astion daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2012 heeft de rechtbank het door Astion daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Astion hoger beroep ingesteld.

NL Octrooicentrum heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2013, waar Astion, vertegenwoordigd door mr. H. Zagers en mr. C.J.S.L. Hooper, beiden advocaat te Amsterdam, en NL Octrooicentrum, vertegenwoordigd door mr. C. Witteman, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 62 van de Rijksoctrooiwet 1995 (hierna: Row 1995) vervalt een octrooi van rechtswege, wanneer de in artikel 61 genoemde bedragen niet binnen zes kalendermaanden na de daar genoemde vervaldag zijn betaald.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, wordt, indien de houder van een Europees octrooi, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest een termijn ten opzichte van het Bureau in acht te nemen, op zijn verzoek door het Bureau de vorige toestand hersteld indien het niet in acht nemen van de termijn ingevolge deze rijkswet rechtstreeks heeft geleid tot het verlies van enig recht of rechtsmiddel.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, van het Verdrag inzake de verlening van Europese Octrooien (hierna: het EOV) wordt een aanvrager of houder van een Europees octrooi die, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, niet in staat is geweest ten aanzien van het Europees Octrooibureau een termijn in acht te nemen, op verzoek in zijn rechten hersteld indien het niet-naleven van deze termijn rechtstreeks tot gevolg heeft dat de Europese octrooiaanvrage wordt afgewezen, dat de Europese octrooiaanvrage wordt geacht te zijn ingetrokken, dat het Europees octrooi wordt herroepen of dat een ander recht of rechtsmiddel verloren gaat.

2. Het aan Astion verleende Europese octrooi is in Nederland krachtens artikel 62 van de Row 1995 van rechtswege vervallen, omdat niet tijdig de verschuldigde taks voor het jaar 2009 is voldaan.

3. Astion heeft een verzoek om herstel van het octrooi in de vorige toestand gedaan op grond van artikel 23, eerste lid, van de Row 1995. Dat verzoek heeft NL Octrooicentrum afgewezen, omdat volgens hem in dit geval niet alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid is betracht. NL Octrooicentrum heeft hierbij in aanmerking genomen dat Astion Plougmann & Vingtoft (hierna: P&V) als octrooigemachtigde in de arm heeft genomen. De aldaar werkzame "patent coordinator", C. Outtrup, heeft een instructie tot betaling van de jaartaks uit een e-mail van 27 oktober 2009, afkomstig van M.S. Weidner namens Astion, niet opgevolgd en de e-mail vroegtijdig verwijderd. Hierdoor zijn de relevante termijnen voor betaling van de jaartaks in het administratieve systeem niet aangemaakt, noch voor controle doorgegeven.

4. De rechtbank heeft overwogen dat NL Octrooicentrum de zorgvuldigheidseis van artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 niet onredelijk heeft uitgelegd door te eisen dat het administratieve systeem voorziet in een controle op voorzienbare fouten die ook gemaakt kunnen worden door goed ingewerkte, ervaren en normaliter zorgvuldig werkende medewerkers. Volgens de rechtbank kan niet worden volgehouden dat deze uitleg strijdig is met het EOV. De rechtbank heeft overwogen dat NL Octrooicentrum zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het in dit geval gaat om een normale menselijke fout, die voorzienbaar is. Met dergelijke fouten dient rekening te worden gehouden bij het inrichten van het administratief systeem, aldus de rechtbank. De vergelijking met de door Astion aangehaalde zaak, waarover de Octrooiraad op 17 januari 1985 (BIE 1985, 71) uitspraak heeft gedaan, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Hiertoe heeft zij overwogen dat het verwijderen van de desbetreffende e-mail, nadat enkele maar niet alle instructies in de e-mail zijn uitgevoerd, voor toepassing van artikel 23 van de Row 1995 niet op één lijn is te stellen met het zoekraken van een binnengekomen poststuk.

5. Astion betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of het hier ging om een voorzienbare fout waarvoor het administratieve systeem in een controle moet voorzien. De rechtbank heeft daarmee aan een strenger toetsingskader getoetst dan in het kader van het EOV gebeurt. De toets die volgens Astion voor het herstel van rechten in het kader van het EOV wordt gehanteerd is of de fout een geïsoleerd geval is in een overigens goed werkend systeem. Astion stelt zich op het standpunt dat het toetsingskader ten aanzien van herstel van rechten op nationaal niveau hierbij moet aansluiten.

5.1. NL Octrooicentrum heeft het in artikel 23, eerste lid, van de Row 1995 vervatte criterium ten aanzien van het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden geboden zorgvuldigheid, dat gelijkluidend is aan het criterium dat is neergelegd in artikel 122, eerste lid, van het EOV, zo uitgelegd dat het administratieve systeem moet voorzien in een controle op voorzienbare fouten die ook gemaakt kunnen worden door goed ingewerkte, ervaren en normaliter zorgvuldig werkende medewerkers. Met de rechtbank acht de Afdeling deze uitleg niet onredelijk. De uitleg van NL Octrooicentrum sluit aan bij de uitleg die in het kader van het EOV aan het criterium wordt gegeven. Dat de toepassing van het criterium tussen de verschillende bij het EOV aangesloten staten kan verschillen, maakt de uitleg van NL Octrooicentrum niet onrechtmatig. Hiertoe is redengevend dat artikel 23, eerste lid, van de Row 1995, waar de uitleg van NL Octrooicentrum betrekking op heeft, een autonoom vastgestelde bepaling van Nederlands recht is en uit het EOV niet de plicht voortvloeit een verzoek tot herstel op uniforme wijze te beoordelen. Het ten slotte ter zitting gevoerde betoog dat in de uitleg van het NL Octrooicentrum ten onrechte geen rekening wordt gehouden met buitengewone, persoonlijke, omstandigheden zoals de impact van een aangekondigde reorganisatie, faalt omdat dergelijke omstandigheden het administratieve systeem dat wordt getoetst, niet raken, doch de oorzaak zijn van de fouten ter signalering waarvan dat systeem in de vereiste controle moet voorzien.

6. Astion betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de thans aan de orde zijnde situatie niet kan worden vergeleken met de situatie die zich voordeed in de door haar aangehaalde uitspraak van de Octrooiraad van 17 januari 1985. Volgens haar is de rechtbank er bij dit oordeel ten onrechte van uitgegaan dat Outtrup andere instructies die in de e-mail van 27 oktober 2009 waren vervat, met betrekking tot het Amerikaanse en Koreaanse octrooi, wel heeft gelezen en uitgevoerd. Deze instructies zijn weliswaar uitgevoerd, maar niet naar aanleiding van deze e-mail. Astion stelt zich op het standpunt dat Outtrup de e-mail heeft verwijderd voordat zij deze heeft gelezen.

6.1. Niet in geschil is dat Weidner op 27 oktober 2009 een e-mail naar P&V heeft gestuurd, die drie instructies bevatte die door Outtrup moesten worden opgevolgd. Het betrof één instructie met betrekking tot het Amerikaanse octrooi, één met betrekking tot het Koreaanse octrooi en één met betrekking tot het Nederlandse octrooi. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat Astion haar standpunt dat Outtrup deze e-mail ongezien heeft verwijderd, niet aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe is redengevend dat Astion met dit standpunt zonder nadere motivering is teruggekomen van een eerder, met concrete gegevens onderbouwd, standpunt. In haar beroepschrift betoogde Astion immers nog dat Outtrup de e-mail van 27 oktober 2009 heeft gelezen en naar aanleiding daarvan uitvoering heeft gegeven aan de daarin vervatte instructies ten aanzien van het Amerikaanse en het Koreaanse octrooi. Astion heeft dit standpunt toen onderbouwd met een gedetailleerde beschrijving van de acties die Outtrup heeft ondernomen, als gesteld naar aanleiding van deze e-mail van Weidner van 27 oktober 2009, met vermelding van data.

In de zaak die aan de door Astion aangehaalde uitspraak uit 1985 ten grondslag lag, was het niet in acht nemen van een termijn voor betaling van de jaartaks te wijten aan het zoekraken van een binnengekomen poststuk. Het desbetreffende poststuk is daardoor destijds in het geheel niet gelezen door de verantwoordelijke personen. Op dit punt verschilt die zaak op een wezenlijk punt met de thans aan de orde zijnde zaak. Zoals hiervoor is overwogen, is immers niet aannemelijk dat de e-mail van 27 oktober 2009 ongelezen is gebleven. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Octrooiraad uit 1985 niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

589.