Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201209068/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:3058, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de opslag van auto's als handelsvoorraad op het voorterrein van het perceel [locatie] te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209068/1/A1.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 augustus 2012 in zaak nrs. 12/1922 en 12/1835 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2011 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de opslag van auto's als handelsvoorraad op het voorterrein van het perceel [locatie] te beëindigen.

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Zandstraat" is het perceel bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden -B2-".

Ingevolge artikel 1, onder 20, wordt onder buitenopslag/open opslag verstaan het opslaan of opgeslagen houden, storten of lozen van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur, en dergelijke.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als "Bedrijfsdoeleinden -B2-" bestemd voor industriële en ambachtelijke bedrijven en bedrijfsactiviteiten die genoemd staan in milieucategorie 2 en 3.1 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan wordt tot een strijdig gebruik van gronden, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, in elk geval gerekend buitenopslag/open opslag van goederen, voorwerpen of materialen op de bedrijfspercelen, met uitzondering van het bepaalde in lid 4, sub d.

Ingevolge artikel 8, zesde lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 4, zevende lid, onder b, voor buitenopslag mits:

1. het een beperkt deel van de kavel betreft;

2. dit nodig is voor een goede bedrijfsuitoefening;

3. de opslag aan het zicht wordt onttrokken door een esthetisch verantwoorde afscherming;

4. de opslag niet hoger is dan 4 m;

5. de opslag niet zichtbaar is vanaf de Zandstraat en Oude Bakelsedijk.

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van de vrijstelling voorwaarden stellen ten aanzien van de situering, hoogte en afscherming van de opslag, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing ten opzichte van de omgeving te waarborgen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, is het verboden de in de artikelen 4 tot en met 6 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken, te doen en/of te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming zoals die nader is aangeduid in de doeleinden.

2. Aan de voorzijde van het perceel van [appellant] worden auto's te koop aangeboden. Deze opslag van auto's is door het college bij besluit van 10 juni 2006 voor een periode van vijf jaar gedoogd. Na afloop van deze termijn heeft het college bij besluit van 7 september 2011 [appellant] gelast de opslag van de auto's als handelsvoorraad op het voorterrein van het perceel te beëindigen. Het opslaan van deze auto's is in strijd met artikel 11, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 4, zevende lid, van de planvoorschriften en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo omdat het uitstallen van handelswaar op het voorterrein niet is toegestaan.

3. Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2 is het college bevoegd handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen doet daar de door [appellant] ter zitting gestelde omstandigheid dat [belanghebbende] volgens hem niet als belanghebbende kan worden aangemerkt niet aan af.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisatie bestaat, nu volgens [appellant] kan worden voldaan aan de in artikel 8, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarden voor verlening van een vrijstelling.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200702722/1) volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat in beginsel het enkele feit dat het desbetreffende college van burgemeester en wethouders niet bereid is vrijstelling te verlenen.

5.2. Het college heeft zich in het bij besluit op bezwaar van 22 mei 2012 gehandhaafde besluit van 7 september 2011 op het standpunt gesteld dat eventuele medewerking om toestemming te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan niet wenselijk is gelet op het straat- en bebouwingsbeeld en het ter plaatse vastgestelde beeldkwaliteitsplan en dat daarnaast is gebleken dat de parkeer- en manoeuvreerruimte op het perceel ontoereikend is wanneer medewerking wordt verleend aan een opslagplaats voor auto's. Daargelaten of ten tijde van het besluit van 22 mei 2012 kon worden voldaan aan de vereisten van artikel 8, zesde lid, van de planvoorschriften, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen aanleiding om te oordelen dat op voorhand moet worden aangenomen dat het door het college aldus ingenomen standpunt in rechte onhoudbaar is en de vereiste medewerking, indien gevraagd, niet zal mogen worden geweigerd. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 22 mei 2012 geen concreet zicht op legalisatie bestond.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Volgens [appellant] is handhavend optreden onevenredig. Hij voert hiertoe aan dat de overtreding van geringe aard en ernst is, omdat het hebben van een autobedrijf niet in strijd is met het bestemmingsplan, het voor de bedrijfsvoering cruciaal is dat aan de voorzijde van zijn bedrijf auto's worden aangeboden en dat geen onderscheid valt te maken tussen auto's die voor de verkoop aanwezig zijn en geparkeerde auto's van personeel of klanten. Voorts voert hij aan dat het college zich onvoldoende heeft ingespannen om te voldoen aan de in de gedoogbeschikking opgenomen inspanningsverplichting om een alternatieve locatie voor het bedrijf te zoeken.

6.1. Mede gelet op de omvang van het in gebruik genomen stuk grond heeft de voorzieningenrechter, anders dan [appellant] betoogt, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het gebruiken van gronden voor de opslag van auto's in strijd met het bestemmingsplan een overtreding van geringe aard en ernst is. Voorts maakt het enkele feit dat het bestemmingsplan een autobedrijf toestaat op het perceel niet dat de overtreding van geringe aard en ernst is, nu datzelfde bestemmingsplan het stallen van auto's op het voorterrein niet toestaat. Dat het volgens [appellant] niet mogelijk is een onderscheid te maken tussen een geparkeerde auto en een uitgestalde dan wel opgeslagen auto betekent evenmin dat de overtreding van geringe aard en ernst is, nu, zoals het college terecht stelt, parkeren in de regel een ander en minder structureel karakter heeft dan de opslag van meerdere auto's ten behoeve van verkoop. Verder heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gezien voor het oordeel dat gelet op de door [appellant] gestelde belangen het college niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden tegen de opslag van auto's op het perceel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201101446/1/H1), de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd op zich geen grond biedt voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoorde af te zien.

Dat het college niet heeft voldaan aan de in de gedoogbeschikking opgenomen inspanningsverplichting om een geschikte alternatieve locatie voor de opslag te vinden, wat daar van zij, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden, nu niet aannemelijk is gemaakt dat het college op enig moment te kennen heeft gegeven dat het, na het verloop van de gedoogtermijn, niet handhavend zou optreden tegen het gebruik van het perceel voor de opslag van auto's.

Het betoog faalt.

7. Verder betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de plaatsing van auto's op een groenstrook op het industrieterrein Molenrand niet te vergelijken is met het onderhavige geval en gelet hierop het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat op het nabijgelegen industrieterrein de Molenrand auto's worden geplaatst op percelen waar dat ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college treedt daartegen niet handhavend op, maar sluit een gebruiksovereenkomst met de daargelegen bedrijven af waardoor deze bedrijven auto's op gemeentegrond kunnen opslaan, aldus [appellant].

7.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de hiervoor door [appellant] bedoelde situatie niet zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding had moeten zien om af te zien van handhavend optreden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat de door [appellant] bedoelde gronden zijn gelegen in een ander bestemmingsplan dan het plan waarin het perceel van [appellant] is gelegen. Hierbij is voorts van belang dat het perceel op het industrieterrein Molenrand is gelegen langs de N272 en het perceel van [appellant] is gelegen op een ander industrieterrein in de nabijheid van verschillende woningen en dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opslaan van auto's op het perceel van [appellant] vanuit een stedenbouwkundig oogpunt bezien onwenselijk is. Bovendien heeft het college te kennen gegeven dat het voornemens is de gebruiksovereenkomst met de bedrijven gelegen op het industrieterrein Molenrand op te zeggen en tegen het opslaan van auto's op de door [appellant] genoemde percelen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellant] in beroep aangevoerde gronden herhaalt en inlast, wordt overwogen dat de voorzieningenrechter hierop is ingegaan. In hoger beroep heeft [appellant] niet uiteengezet, dat en waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig is. Het aangevoerde geeft daarom ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

374-700.