Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201112237/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:6655, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2010 heeft het college aan [appellant] op de zondagsmarkt op de Binnenrotte de staanplaatsen met nummers […] en […] toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112237/1/A3.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2011 in zaak nr. 10/5258 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2010 heeft het college aan [appellant] op de zondagsmarkt op de Binnenrotte de staanplaatsen met nummers […] en […] toegewezen.

Bij besluit van 7 mei 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn artikelvoering op de zondagsmarkt op de Binnenrotte van "heren- en jongensconfectie" uit de breiden naar "heren- en kinderkleding" afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2010 heeft het college de door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen de handhaving van de toewijzing van de staanplaatsen met nummers […] en […] niet-ontvankelijk verklaard en voor zover dat is gericht tegen de handhaving van de afwijzing van het verzoek van [appellant] om uitbreiding van zijn artikelvoering ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. de Weger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente aan het gemeentebestuur overgelaten.

Ingevolge het tweede lid kunnen regeling en bestuur van het gemeentebestuur worden gevorderd bij of krachtens een andere dan deze wet ter verzekering van de uitvoering daarvan, met dien verstande dat het geven van aanwijzingen aan het gemeentebestuur en het aan het gemeentebestuur opleggen of in zijn plaats vaststellen van beslissingen, slechts kan geschieden indien de bevoegdheid daartoe bij de wet of krachtens de wet bij provinciale verordening is toegekend.

Ingevolge artikel 140, eerste lid, zijn de teksten van besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar door middel van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen algemeen toegankelijk elektronisch medium.

Ingevolge het tweede lid blijft een geconsolideerde tekst van een besluit die op grond van het eerste lid beschikbaar is gesteld, beschikbaar indien het besluit na de beschikbaarstelling is gewijzigd of ingetrokken.

Ingevolge het derde lid kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels stellen over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde teksten beschikbaar worden gesteld.

Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën van besluiten worden aangewezen, waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 147, eerste lid, worden gemeentelijke verordeningen door de raad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de burgemeester is toegekend.

Ingevolge het tweede lid berusten de overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, eerste lid, bij de raad.

Ingevolge het derde lid berusten de overige bevoegdheden, bedoeld in artikel 108, tweede lid, bij het college, voor zover deze niet bij of krachtens de wet aan de raad of de burgemeester zijn toegekend.

Ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, is het college in ieder geval bevoegd jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Marktverordening Rotterdam 2008 (hierna: de Marktverordening) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder staanplaats: het voor de duur van de markt door het college aan de vergunninghouder toegewezen deel van het marktterrein, bestemd voor het uitoefenen van de markthandel.

Ingevolge artikel 2 kan het college per markt vaststellen:

a. het aantal staanplaatsen;

b. de afmetingen van de staanplaatsen;

c. de opstelling en indeling van de markt;

d. welke staanplaatsen worden toegewezen als vaste staanplaats, of als standwerkersplaats;

e. een lijst met artikelengroepen of branches;

f. een maximum aantal staanplaatsen per artikelgroep of branche.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van het Marktreglement Rotterdam 2008 (hierna: het Marktreglement) wordt in dit besluit verstaan onder gesaneerde markt: de markten zoals vermeld in artikel 3 waarop een assortimentsregeling van toepassing is.

Ingevolge het tweede lid worden de seizoensmarkten gehouden in de periode van half april tot oktober op de zondagsmarkt op de Binnenrotte van 12.00 uur tot 17.00 uur.

Ingevolge artikel 3 is de zondagsmarkt op de Binnenrotte een gesaneerde markt.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is de branche-indeling alsmede het maximum aantal staanplaatsen per branche of artikel vastgesteld per markt, zoals aangegeven op de bij dit reglement behorende brancheringsregeling.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, worden per markt en zo nodig branchegewijs lijsten van ingeschrevenen gemaakt, aan de hand waarvan het college staanplaatsen toewijst.

Ingevolge het tweede lid wordt de volgorde op de in het eerste lid genoemde lijsten bepaald door de datum waarop voor het eerst een vaste plaats op de markt is ingenomen of waarop de naam van de ingeschrevene blijkens aanmelding op de wachtlijst is vermeld.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, geschiedt de toewijzing van vaste plaatsen op gesaneerde markten eenmaal per jaar aan de hand van de lijsten voor meelopers in de volgorde waarin elk van deze categorieën ingeschrevenen op de lijsten zijn ingeschreven met dien verstande dat:

a. de toewijzing geschiedt:

- eerst aan de ingeschrevenen die hetzelfde artikel voeren als waarvoor de staanplaats als vaste plaats is toegewezen;

- vervolgens aan ingeschrevenen die een artikel voeren dat op de markt nog niet aanwezig is en die ten minste drie maanden als meeloper op de lijst staan ingeschreven;

- dan aan ingeschrevenen die een artikel voeren waarvoor op de markt reeds een plaats beschikbaar is gesteld;

- vervolgens aan ingeschrevenen die een artikel voeren waarvoor op de markt twee plaatsen beschikbaar zijn gesteld, enzovoort.

b. de toewijzing van vaste plaatsen voor een bepaald artikel op een gesaneerde markt mag het bij de sanering van deze markt bepaalde aantal plaatsen in ditzelfde artikel niet groter maken dan tweemaal het oorspronkelijke aantal.

c. het college kan onder bijzondere omstandigheden van het gestelde onder b afwijken.

Volgens de Nota Beleidsregels Dienst Marktwezen Rotterdam (hierna: de Nota), die door het college op 1 september 1999 is vastgesteld, is de zondagsmarkt op de Binnenrotte gedurende de proefperiode een gesaneerde markt en bestaat die markt uit de volgende branches:

- consumptie;

- kramerij;

- eet- en drinkwaren (waaronder bakplaatsen);

- consumptie-ijs;

- overige artikelen.

Verder is volgens de Nota naast een onderverdeling in branches op de gesaneerde markten tevens een onderverdeling naar de artikelinschrijvingen van toepassing. Door het college is een lijst vastgesteld, welke artikelinschrijvingen op de gesaneerde markten kunnen worden verhandeld, die in bijlage 2 is opgenomen.

In bijlage 2 is onder meer het volgende opgenomen:

"KRAMERIJ

baby- en kleuterkleding

(…)

dames-, meisjesconfectie, truien, vesten

(…)

heren-, jongensconfectie, sport- en werkkleding

(…)."

2. Het college heeft in het besluit van 5 november 2010 wat de toewijzing van de staanplaatsen met de nummers [...] en [...] betreft, overwogen dat de oude staanplaatsen van [appellant] reeds waren toegewezen aan iemand met een hogere anciënniteit dan hij. Voorts kwam hij volgens het college niet in aanmerking voor de door hem gewenste hoekkraam en tweede kraam, omdat na de herindeling geen ruimte was voor het toewijzen van zowel een hoekkraam als een tweede kraam, nu een hoekkraam de ruimte innam van bijna twee kramen.

Wat betreft de afwijzing van het verzoek van [appellant] om uitbreiding van zijn artikelvoering, heeft het college overwogen dat per marktstandplaats maar één artikelgroep mag worden verkocht en dat per artikelgroep een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. [appellant] wenste meer artikelgroepen te verkopen, hetgeen niet is toegestaan. Hij kan wel verzoeken zijn artikelgroep te wijzigen van "heren- en jongensconfectie" in "baby- en kinderkleding", aldus het college.

3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant], voor zover dat is gericht tegen de handhaving van de toewijzing van de staanplaatsen met nummers [...] en [...], niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat is gebleken dat deze plaatsen op de zondagsmarkt op de Binnenrotte jaarlijks worden toegewezen aan de hand van lijsten van ingeschrevenen en dat de positie van [appellant] op de anciënniteitenlijst en wachtlijst jaarlijks kan veranderen wanneer de inschrijving van één of meer marktkooplieden met een hogere anciënniteit wordt doorgehaald op de anciënniteitenlijst. De omstandigheid dat het college het oordeel van de rechtbank over de toedeling van staanplaatsen voor het jaar 2010 kan betrekken bij toekomstige aanvragen voor staanplaatsen doet zich dan ook niet voor, aldus de rechtbank. Verder heeft [appellant] volgens de rechtbank niet gesteld schade te hebben geleden door de toewijzing van de staanplaatsen en is die schade ook niet anderszins gebleken, zodat hij in zoverre geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het in beroep bestreden besluit.

De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] volgens het koopmanoverzicht van 29 april 2010 sinds 1 januari 2000 als vaste plaatshouder op de zondagsmarkt op de Binnenrotte staat ingeschreven met het artikel "heren- jongensconfectie" binnen de branche kramerij. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] om op de zondagsmarkt op de Binnenrotte naast heren- en jongensconfectie kinderkleding te verkopen, op goede gronden heeft afgewezen.

Het hoger beroep voor zover dat ziet op de toewijzing van de staanplaatsen met nummers [...] en [...]

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen de handhaving van de toewijzing van de staanplaatsen met nummers [...] en [...], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft niet onderkend dat hij schade heeft ondervonden van het niet mogen innemen van een hoekkraam en een tweede kraam. Een hoekkraam staat volgens [appellant] beter in het zicht, neemt een strategische plek in op de markt en is ruimer. Met een hoekkraam had hij 30% meer omzet kunnen behalen. Hoekkramen zijn om die reden dan ook zeer geliefd onder kooplieden en ze worden bij de jaarindeling als eerste gekozen, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat de periode waarop de toewijzing van een staanplaats ziet, geheel in het verleden ligt. Voorts staat vast dat [appellant] in aanmerking wenste te komen voor een hoekkraam en daarnaast een tweede kraam. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] in dit verband toegelicht dat hij in het jaar 2009 beschikte over een hoekkraam en dat hij op grond van anciënniteit in 2010 wederom in aanmerking zou moeten komen voor een hoekkraam en daarnaast een tweede kraam. Het college gaf hem vervolgens te kennen dat hij de keuze had uit één hoekkraam of twee rijkramen, aldus [appellant]. Het college heeft in dit verband het standpunt ingenomen dat bij de herindeling van de zondagsmarkt de combinatie van een hoekkraam en een tweede kraam niet wenselijk werd geacht gelet op de beperkte ruimte op de markt na de herindeling. Verder is tussen partijen niet in geschil dat een hoekkraam ruimer is van indeling en nagenoeg vergelijkbaar is met de ruimte van twee rijkramen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank onder deze omstandigheden ten onrechte geoordeeld dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Anders dan de rechtbank heeft overwogen en zoals het college in zijn verweerschrift heeft gesteld, heeft [appellant] in beroep gesteld schade te hebben geleden als gevolg van de afwijzing van zijn verzoek. Met zijn betoog dat hij in aanmerking wenste te komen voor een hoekkraam en daarnaast een tweede kraam, dat verzoek is afgewezen en hij onder protest de keuze heeft gemaakt voor twee rijkramen, die tezamen een geringere verkoopruimte opleveren dan de combinatie van een hoekkraam en daarnaast een tweede kraam, heeft [appellant] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt schade te hebben geleden als gevolg van de afwijzing van zijn verzoek.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 5 november 2010 voor zover dat ziet op de handhaving van de toewijzing van de staanplaatsen met nummers [...] en [...], inhoudelijk beoordelen.

6. [appellant] heeft gewezen op het gemeentelijk beleid dat is verwoord in "De evaluatie inzake het houden van een zondagsmarkt op de Binnenrotte, alsmede het voorstel tot het instellen van een zondagsmarkt op de Binnenrotte tussen de Meent en de Hoogstraat, gedurende de periode april tot en met september in de jaren 1998 en 1999". Hij betoogt dat bij de toewijzing van de staanplaatsen naar aanleiding van de gewijzigde indeling dat beleid had moeten worden toegepast. Dat beleid, dat hij in beroep heeft overgelegd, voorziet er niet in dat bij een herindeling een belanghebbende, in dit geval [appellant], een reeds toegewezen hoekkraam zou dienen op te geven.

6.1. Uit het door [appellant] in beroep overgelegde stuk volgt dat van 18 mei 1997 tot en met 28 september 1997 bij wijze van proef een markt op zondag op de locatie Binnenrotte is gehouden en dat die proef is geëvalueerd. Die evaluatie is vervolgens ten grondslag gelegd aan het besluit tot instelling van een zondagsmarkt op de Binnenrotte voor een periode van twee jaren, te weten de jaren 1998 en 1999. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit de evaluatie niet dat daarin beleid is opgenomen dat het college in dit geval aan het besluit tot toewijzing van de staanplaatsen ten grondslag had dienen te leggen. De door [appellant] overgelegde evaluatie, die ten grondslag ligt aan het besluit tot instelling van een zondagsmarkt gedurende de jaren 1998 en 1999, ziet immers op een afgesloten periode in het verleden.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt vervolgens dat het college bij de plaatsing op de anciënniteitenlijst ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat hij eerst vanaf 1 januari 2000 een vaste staanplaats inneemt op de zondagsmarkt. Het college is om die reden van een te lage anciënniteit uitgegaan bij de toewijzing van staanplaatsen. Hij is verder door de nieuwe marktindeling in 2010 benadeeld, omdat hij in 2009 op de zondagsmarkt op de Binnenrotte over een hoekkraam beschikte met de nummers 71 en 73, hij in 2010 die hoekkraam heeft moeten opgeven en onder protest de keuze heeft gemaakt voor twee rijkramen.

7.1. Vast staat dat de opstelling van de zondagsmarkt op de Binnenrotte in het jaar 2010 is gewijzigd, waarbij het aantal kramen is aangepast. Als gevolg van die wijziging diende te worden overgegaan tot het opnieuw kiezen van staanplaatsen voor de gehele zondagsmarkt.

Het college heeft zich wat de plaatsing op de anciënniteitenlijst betreft, op het standpunt gesteld dat [appellant] als vaste plaatshouder anciënniteit heeft gekregen per 1 januari 2000. Daarvoor beschikte [appellant] over een tijdelijke toewijzing van een staanplaats. De volgorde waarin [appellant] en twee andere kooplieden een keuze voor een staanplaats mochten maken, is volgens het college bepaald door de wijze waarop [appellant] en de twee andere kooplieden ingeschreven hebben gestaan op de wachtlijst en een vaste plaats hebben mogen kiezen bij de jaarindeling voor het jaar 2000. Nu [appellant] tegen de vaststelling van de anciënniteitenlijst, die het uitgangspunt vormt voor de verdeling van de vaste staanplaatsen bij de herindeling van de markt, geen rechtsmiddelen heeft aangewend, mocht het college die lijst bij de toewijzing van staanplaatsen aan [appellant] als uitgangspunt hanteren.

Verder is in een brief van 11 februari 2010 aan staanplaatshouders te kennen gegeven dat de vaste plaatshouders die in 2009 twee kramen hadden, in 2010 opnieuw twee kramen kunnen kiezen, zij het dat alleen twee kramen naast elkaar kunnen worden gekozen, wanneer geen van de kramen een hoekkraam is. Ook is in die brief vermeld dat alleen voor een hoekkraam kan worden gekozen in het geval wordt afgezien van het recht op een tweede kraam.

Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich, onder verwijzing naar genoemde brief van 11 februari 2010, gelet op de nieuwe marktindeling en de beperkte ruimte op de markt, op het standpunt stellen dat [appellant] niet in aanmerking kwam voor toewijzing van een hoekkraam en een kraam ernaast. Dat [appellant] door de nieuwe marktindeling in 2010 is benadeeld ten opzichte van het jaar 2009, is geen bijzondere omstandigheid en leidt dan ook niet tot het oordeel dat het besluit van 5 november 2010, voor zover dat ziet op de toewijzing van staanplaatsen reeds om die reden dient te worden vernietigd.

Het betoog faalt.

8. Het beroep tegen het besluit van 5 november 2010 voor zover dat ziet op de handhaving van de toewijzing van de staanplaatsen met nummers [...] en [...] is ongegrond.

Het hoger beroep voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek om uitbreiding van de artikelvoering

9. [appellant] betoogt dat artikel 2 van de Marktverordening, de artikelen 9 tot en met 11 en 13 van het Marktreglement en de Nota, voor zover die zien op branchering, onverbindend zijn wegens strijd met artikel 140 en artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Noch de raad, noch het college mogen op grond van die bepalingen economische beperkingen stellen, aldus [appellant].

9.1. [appellant] heeft deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten of omstandigheden voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Derhalve was er geen feitelijke grondslag voor de rechtbank om op basis daarvan met aanvulling van de rechtsgronden in haar beoordeling van het geschil te betrekken de vraag of artikel 2 van de Marktverordening, de artikelen 9 tot en met 11 en 13 van het Marktreglement en de Nota, voor zover die zien op branchering, strijden met de Gemeentewet. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dat betoog van [appellant] niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en hij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

10. Voorts zijn volgens [appellant] artikel 2 van de Marktverordening, de artikelen 9 tot en met 11 en 13 van het Marktreglement en de Nota, voor zover die zien op branchering, in strijd met Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006 L 376; hierna: de Dienstenrichtlijn) en de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens hem is het stelsel, waarbij op de zondagsmarkt op de Binnenrotte slechts producten mogen worden verkocht waarvoor vergunning is verleend, in strijd met het recht op het vrije verkeer van diensten.

10.1. In het beroep bij de rechtbank heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waarmede hij het recht van vrij verkeer van diensten heeft ingeroepen. Derhalve was er geen feitelijke grondslag voor de rechtbank om op basis daarvan met aanvulling van de rechtsgronden het Unierecht in haar beoordeling van het geschil te betrekken. De rechtbank was ook niet gehouden het Unierecht ambtshalve bij de beoordeling van het geschil te betrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201100079/1/V3) volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2007, gevoegde zaken C-222/05 tot en met C 225/05, Van der Weerd e.a. (www.curia.europa.eu), dat het Unierecht de nationale rechter niet verplicht om in een procedure in rechte betreffende de rechtmatigheid van een bestuurshandeling ambtshalve te toetsen aan gronden ontleend aan bepalingen van Unierecht, aangezien noch het gelijkwaardigheidsbeginsel noch het doeltreffendheidsbeginsel dit vereist.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom op het vrij verkeer van diensten niet reeds bij de rechtbank een beroep had kunnen worden gedaan en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen, gelet op de functie van het hoger beroep, had behoren te doen, dient het betoog over het Unierecht in hoger beroep buiten beschouwing te blijven.

11. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij al jaren heren- en kinderkleding, waaronder meisjeskleding, verkoopt en dat als gevolg van een fout in het computersysteem is geregistreerd dat hij heren- en jongenskleding verkoopt.

11.1. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college het standpunt mocht innemen dat de omstandigheid dat [appellant] jarenlang kinderkleding op de zondagsmarkt heeft verkocht, niet met zich brengt dat het college gehouden was het verzoek van [appellant] om uitbreiding van zijn artikelvoering, in afwijking van de Nota, in te willigen. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellant] door het personeel van de marktdienst regelmatig is aangesproken op het feit dat zijn artikelvoering afwijkt van hetgeen is vergund.

Het betoog faalt.

12. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond is verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

14. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State het door [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2011 in zaak nr. 10/5258, voor zover daarbij het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart dat beroep in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

581.