Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201204983/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2013/3128 met annotatie van R. Frusch
TBR 2013/114 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2013/419
OGR-Updates.nl 2013-0161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204983/1/R2.

Datum uitspraak:19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de Parochiële Caritas Instelling (hierna: PCI), gevestigd te Oudewater,

2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] (hierna: [appellanten sub 2]), allen wonend te Oudewater,

3. de stichting Stichting Vijf Provinciën, gevestigd te Putten, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oudewater,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg" vastgesteld.

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht ontheffing verleend op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), om de vaststelling van het plan mogelijk te maken.

Tegen deze besluiten hebben PCI, [appellanten sub 2], en Stichting Vijf Provinciën en anderen beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2013, waar PCI, vertegenwoordigd door haar bestuurder [bestuurder], bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. K. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door A.B. den Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door R. van Duinkerken MSc en J.G. Kentie MSc, beiden werkzaam bij de provincie, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Artica Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. P.A. Kok, advocaat te Woerden.

Overwegingen

Geconcentreerde rechtsbescherming plan en ontheffing

1. Het plan voorziet in de mogelijkheid om op de hoek van de Lijnbaan en de J.J. Vierbergenweg te Oudewater een supermarkt te vestigen en hiertoe bedrijfsgebouwen op te richten. Op de kaarten behorend bij de PRV is het plangebied aangeduid als "Landelijk gebied".

2. Ingevolge artikel 4.1, derde lid van de PRV bevat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied" geen bestemming en regels die verstedelijking toestaan.

Ingevolge het vijfde lid, kan het college van gedeputeerde staten in afwijking van het bepaalde in het derde lid een ontheffing verlenen voor een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied" ten behoeve van verstedelijking onder de volgende voorwaarden:

[…]

c. de beoogde verstedelijking naar aard en omvang niet door herstructurering of intensivering van bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd en alternatieven ontbreken;

d. indien de oppervlakte aan nieuwe verstedelijking wordt gecompenseerd door het schrappen van een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied, is de voorwaarde genoemd in het vijfde lid, onder sub c, niet van toepassing.

3. Om vaststelling van het plan mogelijk te maken, heeft het college van gedeputeerde staten, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Oudewater, bij besluit van 20 september 2011 ontheffing verleend van de PRV. In het ontheffingsbesluit is gebruik gemaakt van de voorwaarde als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder d, waarbij een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied is geschrapt. De door het college van burgemeester en wethouders hiertoe aangedragen locatie is in eigendom van PCI.

4. Tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing kunnen met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft. Voor zover de beroepschriften betrekking hebben op het besluit van 20 september 2011 tot verlening van de ontheffing, maken deze derhalve deel uit van dit geding. In dat kader kunnen de bezwaren tegen de verleende ontheffing ten volle aan de orde worden gesteld en zal worden beoordeeld of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing.

Dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het besluit tot verlening van de ontheffing voor de mogelijkheid van beroep als één besluit moeten worden aangemerkt. Het beroep tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing wordt aldus geïncorporeerd in de beroepsprocedure over het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de Afdeling dat dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming inmiddels is opgenomen in het per 1 oktober 2012 in werking getreden artikel 8.3, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening.

Anders dan de raad betoogt, staat artikel 6:13 van de Awb niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het beroep van PCI, nu zij niet wordt geraakt door het plan, maar door de ontheffing, en tijdig een zienswijze over de ontwerpontheffing heeft ingediend bij het college van gedeputeerde staten.

Inhoudelijk

5. PCI kan zich niet verenigen met de door het college van gedeputeerde staten ten behoeve van het plan verleende ontheffing van de PRV. Hiertoe voert zij aan dat het verzoek tot ontheffing niet voldoet aan artikel 4.1, vijfde lid, sub d, van de PRV, dat in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de belangen van PCI onvoldoende zijn meegewogen, en dat PCI in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geïnformeerd over de ontheffing.

[appellanten sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat een supermarkt in de nabijheid van hun woning ten koste gaat van hun woon- en leefklimaat. Verder zullen zij te lijden hebben van verkeershinder en geluidhinder en zal er sprake zijn van waardevermindering van hun woningen, zo stellen zij. Ook stellen [appellant sub 2] en anderen dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor deze locatie nu uit de rapporten opgesteld door MKB Adviseurs B.V. niet blijkt dat andere locaties binnen de bebouwingscontour van Oudewater ongeschikt zouden zijn voor een supermarkt. Voorts stellen zij dat door het college van gedeputeerde staten ten onrechte een ontheffing is verleend. Volgens hen had de provincie eerst naar alternatieven binnen het stedelijk gebied moeten zoeken, alvorens een besluit tot ontheffing te kunnen nemen ter aanpassing van het stedelijk gebied. Bovendien vindt volgens [appellanten sub 2] geen daadwerkelijke compensatie plaats, nu aan de compensatielocatie in het bestemmingsplan "Kern" de bestemming "Tuin" is toegekend. Derhalve had de raad volgens hen geen gebruik mogen maken van de ontheffing.

Stichting Vijf Provinciën en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan en voeren hiertoe ten eerste aan dat de procedure in strijd is met de rechtszekerheid, nu het besluit niet binnen twee weken na vaststelling is bekendgemaakt. Verder is volgens hen ten onrechte niet vastgelegd dat geen grootschalige detailhandel meer is toegestaan op de voormalige locatie van de supermarkt en ontbreekt ten onrechte de wijze waarop met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied rekening wordt gehouden.

6. Het ingevolge artikel 4.1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de PRV schrappen van een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied geschiedt door het op de kaarten behorend bij de PRV aanpassen van de lijn die het onderscheid aangeeft tussen stedelijk en landelijk gebied. Naar het oordeel van de Afdeling maakt dit schrappen ten onrechte deel uit van de door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing. Uit de PRV volgt niet dat het college van gedeputeerde staten bevoegd is tot het aanpassen van de kaarten. Anders dan het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft betoogd, kan deze bevoegdheid niet in de tekst van artikel 4.1, vijfde lid, onder d, van de PRV worden gelezen. Bij gebreke van een dergelijke bevoegdheidstoedeling moet er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat uitsluitend provinciale staten daartoe bevoegd zijn. Hieruit volgt dat het college van gedeputeerde staten niet mocht aannemen dat op rechtsgeldige wijze aan de voorwaarde dat een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied is geschrapt, was voldaan.

Conclusie

7. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten, nu niet op rechtsgeldige wijze aan de voorwaarde voor het verlenen van de ontheffing is voldaan, de ontheffing heeft verleend in strijd met artikel 4.1, vijfde lid, onder c, van de PRV. Daaruit volgt dat de raad bij de vaststelling van het plan geen gebruik had mogen maken van deze ontheffing, zodat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 4.1, derde lid, van de PRV. Het plan en de daaraan ten grondslag gelegde ontheffing dienen te worden vernietigd.

De beroepen zijn gegrond. Aan een behandeling van de overige beroepsgronden wordt niet meer toegekomen.

8. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

9. De raad dient ten aanzien van PCI, [appellanten sub 2], en Stichting Vijf Provinciën en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oudewater van 15 maart 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg", alsmede de daaraan ten grondslag gelegde, bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 20 september 2011 verleende ontheffing;

III. draagt de raad van de gemeente Oudewater op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Oudewater tot vergoeding van bij de Parochiële Caritas Instelling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Oudewater tot vergoeding van bij [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Oudewater tot vergoeding van bij de stichting Stichting Vijf Provinciën en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Oudewater aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de Parochiële Caritas Instelling, € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D], en € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Vijf Provinciën en anderen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

579-706.