Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201206431/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing verleend op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), om de realisatie van een C1000 supermarkt op de hoek van de Lijnbaan en de J.J. Vierbergenweg te Oudewater mogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206431/1/R2.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Parochiële Caritas Instelling (hierna: PCI), gevestigd te Oudewater,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2012 in zaken

nrs. 11/3596 en 11/3540 in het geding tussen:

PCI

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing verleend op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV), om de realisatie van een C1000 supermarkt op de hoek van de Lijnbaan en de J.J. Vierbergenweg te Oudewater mogelijk te maken.

Bij uitspraak van 25 mei 2012 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het daartegen door PCI ingestelde beroep kennis te nemen en heeft het beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft PCI hoger beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders van Oudewater hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2013, waar PCI, vertegenwoordigd door haar bestuurder [bestuurder], bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door R. van Duinkerken MSc en J.G. Kentie MSc, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Tevens is ter zitting het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door A.B. den Boer, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Om de realisatie van een supermarkt op de hoek van de Lijnbaan en de J.J. Vierbergenweg te Oudewater mogelijk te maken, heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing verleend op grond van artikel 4.1, vijfde lid, van de PRV.

In het ontheffingsbesluit is gebruik gemaakt van de voorwaarde als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, onder d, van de PRV, waarbij een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied is geschrapt. De door het college van burgemeester en wethouders hiertoe aangedragen locatie is in eigendom van PCI. PCI kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en betoogt dat zij er, gezien de onder de ontheffing vermelde rechtsmiddelenclausule, op mocht vertrouwen dat de rechtbank bevoegd zou zijn. Daarnaast betoogt PCI dat er geen sprake is van verwevenheid met de bestemmingsplanprocedure, nu haar bezwaren niet in dat kader kunnen worden behandeld, omdat zij geen belanghebbende bij het bestemmingsplan is. De rechtbank heeft zich volgens PCI ten onrechte onbevoegd verklaard. De overige door PCI aangevoerde beroepsgronden hebben geen betrekking op de vraag of de rechtbank zich op goede gronden onbevoegd heeft verklaard en kunnen derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.

2. Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de PRV, bevat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied" geen bestemming en regels die verstedelijking toestaan.

Ingevolge het vijfde lid, kan het college van gedeputeerde staten in afwijking van het bepaalde van het derde lid een ontheffing verlenen voor een gebied dat is aangeduid als "Landelijk gebied" ten behoeve van verstedelijking onder de volgende voorwaarden:

[…]

c. de beoogde verstedelijking naar aard en omvang niet door herstructurering of intensivering van bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd en alternatieven ontbreken;

d. indien de oppervlakte aan nieuwe verstedelijking wordt gecompenseerd door het schrappen van een voor een bebouwing geschikte locatie elders binnen en aan de rand van het stedelijk gebied, is de voorwaarde genoemd in het vijfde lid, onder sub c, niet van toepassing.

3. De door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.1, lid 5, van de PRV, is uitsluitend met het oog op de vaststelling van het bestemmingsplan "Supermarktlocatie hoek Lijnbaan-J.J. Vierbergenweg" verleend. Nu het schrappen van de gronden van PCI als "stedelijk gebied" een voorwaarde was voor het verlenen van de ontheffing, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank in dit geval terecht heeft overwogen dat sprake is van verwevenheid tussen de zogenoemde compensatielocatie en de locatie waar de ontheffing en het bestemmingsplan op zien.

4. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, brengt deze verwevenheid met zich dat tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft. De bezwaren tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten tot verlening van de ontheffing kunnen in de bestemmingsplanprocedure ten volle aan de orde worden gesteld en in die procedure kan geoordeeld worden of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing.

Dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het besluit tot verlening van de ontheffing voor de mogelijkheid van beroep als één besluit moeten worden aangemerkt. Het beroep tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing wordt aldus geïncorporeerd in de beroepsprocedure over het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de Afdeling dat dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming inmiddels is opgenomen in het per 1 oktober 2012 in werking getreden artikel 8.3, vierde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening.

5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank zich derhalve op goede gronden onbevoegd verklaard. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

579-706.