Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201205470/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Park Lingezegen" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2013/106 met annotatie van H.E. Woldendorp
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1894
JBO 2013/115 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2013-0164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205470/1/R2.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Arnhem,

2. [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen, gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe, en anderen,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe, en anderen,

5. [appellant sub 5], wonend te Elst, gemeente Overbetuwe,

6. [appellant sub 6], wonend te Elst, gemeente Overbetuwe,

7. [appellant sub 7 A] en [appellante sub 7 B], beiden wonend te Elst, gemeente Overbetuwe (hierna in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellant sub 8 A] en [appellante sub 8 B], beiden wonend te Elst, gemeente Overbetuwe (hierna in enkelvoud: [appellant sub 8]),

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Park Lingezegen" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellant sub 2 C] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellante sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellante sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2012, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2012, en [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 7] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 5], bijgestaan door mr. J.E. van Gilst, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 2 C] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en eveneens bijgestaan door mr. J.E. van Gilst, [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en eveneens bijgestaan door mr. J.E. van Gilst, [appellante sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en eveneens bijgestaan door mr. J.E. van Gilst, [appellant sub 8], de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem, en ir. H.H.J. Bos, werkzaam bij de gemeente, en Projectbureau Park Lingezegen, vertegenwoordigd door J.B. Kamerman, directeur, en bijgestaan door J.A.J. Roesten en K. Koppenaal, zijn verschenen. Voorts heeft [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. C.W. Oudenaarden, advocaat te Utrecht, als derde belanghebbende het woord gevoerd.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Het beroep van [appellant sub 7] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

[appellant sub 7], die woont op het perceel aan de [locatie 1] te Elst, maakt bezwaar tegen de met het plan mogelijk gemaakte vestiging van een geitenfok- en melkbedrijf aan de [locatie 2] te Elst. Hij stelt dat hij niet in een eerder stadium als belanghebbende zienswijzen heeft kunnen indienen omdat hij op beide publicatiedata in het buitenland verbleef. Hij heeft bezwaar tegen amendement III, waardoor het ontwerpbestemmingsplan is gewijzigd.

1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Verblijf in het buitenland is niet een zodanige omstandigheid.

Bij de vaststelling van het plan zijn wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp, maar tegen de gewijzigde planvaststelling kan - zonder het tijdig indienen van zienswijzen - uitsluitend worden opgekomen voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen betrokkenen in een ongunstiger positie brengen. Dienaangaande overweegt de Afdeling het volgende.

1.2. Aan de gronden aan de [locatie 2] te Elst is de bestemming "Agrarisch - Landbouwland" met de aanduidingen "intensieve veehouderij" en de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a onder 2, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan, met uitzondering van de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", met dien verstande dat:

a. (…)

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij" uitsluitend een intensieve veehouderij ten behoeve van het houden van geiten is toegestaan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels voldoen bedrijfsgebouwen, teelt ondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak;

b. de gezamenlijke oppervlakte van:

1. kassen bedraagt maximaal de bestaande oppervlakte;

2. bedrijfsgebouwen ten behoeve van intensieve veehouderijen bedragen maximaal de in bijlage 2 kolom "Oppervlakte intensieve veehouderij" in m2 per bedrijf aangegeven oppervlakte, met dien verstande dat de oppervlakte van bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van geiten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij (sa-ge)’ maximaal 3.200 m2 mag bedragen.

1.3. In bijlage 2 "Oppervlakte intensieve veehouderij" behorende bij de planregels is voor het perceel aan de [locatie 2] te Elst aangegeven dat de oppervlakte 4300 m2 bedraagt.

In het ontwerpbestemmingsplan was op de betreffende locatie [locatie 2] eveneens de aanduiding "intensieve veehouderij (iv)" aangegeven. Naar aanleiding van amendement III is het volgende ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd:

- het gebied met de aanduiding "intensieve veehouderij" is van 8.000 m2 naar 10.000 m2 gewijzigd;

- de bebouwingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij zijn vergroot van 3.200 m2 naar 4.300 m2;

- de situering van het gebied met aanduiding "iv" is gewijzigd;

- naast de aanduiding "intensieve veehouderij" is voor dit deel ook de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij" opgenomen.

1.4. De Afdeling stelt vast dat door het opnemen van de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij" andere vormen van intensieve veehouderij worden uitgesloten. Hierdoor zijn andere - ook meer milieubelastende dieren - op deze locatie niet toegestaan. Het deel met de aanduiding "intensieve veehouderij" is in het vastgestelde plan op grotere afstand van het perceel van [appellant sub 7] komen te liggen. Hoewel in bijlage 2 behorende bij de planregels de bebouwingsmogelijkheden zijn vergroot met amendement III, zijn de planregels zodanig aangevuld dat de bebouwde oppervlakte ten behoeve van de huisvesting van de geiten binnen de aanduiding "intensieve veehouderij" maximaal 3200 m2 mag bedragen. De bebouwde oppervlakte voor huisvesting van geiten is derhalve niet vergroot. Nu het perceel uitsluitend ten behoeve van de geitenhouderij mag worden gebruikt kan de bebouwde oppervlakte niet tot 4300 m2 worden uitgebreid.

Nu de beroepsgronden uitsluitend zijn gericht tegen de met het plan mogelijk gemaakte vestiging van een geitenfok- en melkbedrijf op het desbetreffende perceel is [appellant sub 7] door het amendement III niet in een ongunstiger positie gebracht.

2. Het beroep van [appellant sub 7] is niet-ontvankelijk.

Het plan

3. Het plan maakt de realisatie mogelijk van landschapspark Lingezegen, voor zover dit is voorzien binnen de gemeente Overbetuwe. Het park voorziet in een groene en recreatieve inrichting van het gebied tussen Arnhem en Nijmegen en is ongeveer 1.500 ha groot. Het gebied is opgedeeld in vijf deelgebieden: De Park, Het Waterrijk, Het Landbouwland, De Buitens en De Woerdt. Het gehele landschapspark omvat gronden in de gemeenten Lingewaard en Overbetuwe. De deelgebieden De Park en Het Waterrijk zijn geheel gelegen in de gemeente Overbetuwe. Het Landbouwland en De Buitens zijn gedeeltelijk gelegen in de gemeente Overbetuwe en deelgebied De Woerdt ligt geheel in de gemeente Lingewaard. Het plan maakt de ontwikkeling als opgenomen in de Intergemeentelijke Structuurvisie Park Lingezegen van de gemeenten Overbetuwe en Lingewaard (hierna: de Intergemeentelijke Structuurvisie) mogelijk.

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Natuurbeschermingswet 1998

5. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat nu de voortoets die ingevolge de Nbw 1998 is uitgevoerd, uitwijst dat niet kan worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden op de Natura 2000-gebieden Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal, voor het vaststellen van het plan de benodigde aanvullende onderzoeken hadden dienen plaats te vinden. Deze zijn ten onrechte doorgeschoven naar de toekomst omdat niet duidelijk is wat voor soort recreatieve activiteiten zullen gaan plaatsvinden. Aan de hand van de planregels kan evenwel worden bepaald welke de planologische mogelijkheden voor recreatie zijn. Gelet op het voorgaande is gehandeld in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998. Gelet hierop vertoont het MER ook gebreken, aldus deze appellanten.

[appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en [appellant sub 8] betogen dat in de voortoets op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) en de toets die heeft plaatsgevonden in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) ten onrechte geen rekening is gehouden met het metaalbewerkingsbedrijf met helihaven van [belanghebbende]. Gelet op de potentiële negatieve gevolgen voor de nabij gelegen Natura 2000-gebieden en de verschillende diersoorten die op grond van de Ffw beschermd zijn had dit wel dienen te gebeuren. [appellant sub 8] betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van de helihaven voor de volksgezondheid en het dierenwelzijn. De helihaven verdraagt zich niet met de nabijheid van natuurgebieden. De beoogde effecten voor nieuw aan te leggen natuur in de omgeving worden door de helihaven met het hoge aantal vluchten teniet gedaan. Voorts vreest hij voor schade aan zijn bedrijfsvoering omdat de vliegbewegingen een schrikreactie kunnen opwekken bij de paarden en koeien die hij houdt. Hij stelt dat sprake is van gevaar voor piloot, passagiers, bewoners van het gebied en recreanten in en om de Rijkerswoerdse Plassen omdat in het gebied veel ganzen voorkomen en door het verbruik van kerosine in en boven het gebied. Hij betoogt dat de landingsbaan op de percelen P 598 en 599 ook wordt gebruikt voor lichte vliegtuigen en dat deze daardoor binnen de milieucirkel van zijn bedrijf komt te liggen. Indien [belanghebbende] te zijner tijd zijn onroerend goed en bijbehorende vergunningen verhuurt of verkoopt dan zijn uitbreiding en commerciële exploitatie van de helihaven eenvoudig te realiseren. Tevens is sprake van ongelijke behandeling met betrekking tot andere bedrijven die moeten wijken voor het natuurgebied, aldus [appellant sub 8]. Gelet op deze tekortkomingen kleven er ook gebreken aan het Milieueffectrapport Park Lingezegen (hierna: MER).

[appellant sub 8] vreest tevens voor verlies van woongenot als gevolg van geluidsoverlast en visuele overlast.

5.1. Park Lingezegen grenst aan het Natura 2000-gebied Gelderse Poort en ligt op een afstand van ongeveer 2 km van het Natura 2000 gebied Uiterwaarden Waal. In de plantoelichting staat dat de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het plan effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van soorten in deze twee Natura 2000-gebieden en dat daarom in het kader van de Nbw 1998 een voortoets is uitgevoerd die deel uitmaakt van het MER. Het gaat dan om toetsing van uitstralingseffecten vanuit het plangebied op Natura 2000-gebieden zelf (zogenaamde externe werking) en effecten op (vogel)soorten die afhankelijk zijn van rust- en foerageergebieden buiten de Natura 2000-gebieden.

5.2. Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan, waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

5.3. Ten aanzien van de voortoets op basis van de Nbw 1998 en het MER overweegt de Afdeling het volgende.

5.3.1. In 2009 is een zogenoemde voortoets in het kader van de Nbw 1998 opgesteld. Ten aanzien van habitatrichtlijnsoorten en zowel broed als niet broedvogels is vermeld dat niet kan worden uitgesloten dat er bij ontwikkeling van een recreatieve voorziening nabij Wijnfort Lent negatieve effecten zullen optreden. Als duidelijk is wat voor soort recreatieve voorziening zich vestigt, zal beoordeeld moeten worden of een passende beoordeling nodig is, aldus de voortoets.

5.3.2. De Afdeling stelt vast dat de recreatieve voorzieningen nabij Wijnfort Lent in deelgebied De Woerdt liggen en zijn opgenomen in het bestemmingsplan "Park Lingezegen" van de gemeente Lingewaard. De Afdeling heeft op de beroepen tegen dit plan bij uitspraak van 27 december 2012 beslist. In de plantoelichting is aangegeven dat de recreatieve voorzieningen langs de Rijkerswoerdse Plassen waar in de voortoets op wordt gedoeld, de zogenaamde recreatiestrip aan de noordrand van de Rijkerswoerdse Plassen, met dit plan niet mogelijk wordt gemaakt.

Gelet op het voorgaande falen de betogen van [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] die hier betrekking op hebben.

5.4. Ten aanzien van de in dit verband met betrekking tot het metaalbedrijf met helihaven naar voren gebrachte bezwaren overweegt de Afdeling het volgende.

5.4.1. Aan het perceel aan de [locatie 3] is in het plan de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid". Aan de aangrenzende gronden is de bestemming "Tuin" toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helihaven".

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een bedrijf als bedoeld in bijlage 1 kolom "aard bedrijvigheid" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid".

Ingevolge artikel 16, lid 16.1.1, zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen;

b. een landingsplaats voor helikopters ten behoeve van het bestaande metaalbewerkings- en ontwerpbedrijf aan de [locatie 3], ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helihaven";

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, één en ander met de bijbehorende voorzieningen.

In het voorgaande plan was aan de gronden waar het metaalbewerkingsbedrijf met helihaven is gesitueerd de bestemming "Recreatieve doeleinden (nader uit te werken)" toegekend. Deze bestemming is niet uitgewerkt. Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften van het voorgaande plan zijn deze gronden uitsluitend bestemd voor de passieve en actieve dagrecreatie en voor de bouw van daarbij passende gebouwen en andere bouwwerken, met inachtneming van een maximum-bouwhoogte van 3,5 meter, welke bij gebruik van een schuine dakconstructie wordt verhoogd tot 6,5 meter en een maximum-bebouwd oppervlak van 200 m2 in totaal.

5.5. De raad heeft niet onderzocht of als gevolg van de planregeling voor het metaalbedrijf met helihaven de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kan verslechteren of dat deze ontwikkeling een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat artikel 19j van de Nbw 1998 niet van toepassing wordt geacht omdat het metaalbedrijf met helihaven reeds op het perceel aanwezig is en het plan daarin geen verandering brengt. De Afdeling stelt vast dat het metaalbedrijf met helihaven in dit plan voor het eerst positief is bestemd. De beschikking van 28 mei 2004 waarbij de minister van Verkeer en Waterstaat aan [belanghebbende] toestemming heeft verleend om een helihaven aan te leggen en in te richten aan de [locatie 3] te Elst noch de vergunning die op 4 januari 1996 aan [belanghebbende] is verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten van een bedrijf voor metaalbewerking voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die bij de beoordeling op grond van artikel 19j van de Nwb 1998 moet worden betrokken. En dit geldt ook voor de provinciale ontwerpverordening Luchthavenregeling [belanghebbende] van 18 oktober 2010 waarop de raad heeft gewezen. Nu niet inzichtelijk is gemaakt waarom op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat het als zodanig bestemmen van het metaalbedrijf met helihaven significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden, zodat een passende beoordeling niet behoefde te worden gemaakt, heeft de raad in zoverre artikel 19j van de Nbw 1998 niet in acht genomen.

De Afdeling komt gelet hierop tot het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 3] en de aangrenzende gronden met de bestemming "Tuin" met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helihaven" is genomen in strijd met artikel 19j van de Nbw 1998. De beroepen van [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Vanwege de samenhang tussen strijd met artikel 19j van de Nbw 1998 en het MER, behoeven de bezwaren die zien op het MER thans geen bespreking. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens in dit verband naar voren is gebracht thans evenmin bespreking.

Het Waterrijk en De Park

Onteigening gronden

6. [appellante sub 3] en anderen hebben bezwaar tegen het toekennen van de bestemming "Natuur" en de bestemming "Wonen" aan de gronden ter plaatse van hun perceel aan de [locaties 4]. Zij betogen dat hun intensieve veehouderij die daar is gevestigd ten onrechte is wegbestemd voordat de onderhandelingen over een eventuele uitkoop zijn afgerond. Zij betogen dat een wijzigingsbevoegdheid voor deze bestemming had moeten worden opgenomen.

[appellante sub 4] en anderen, die in het plangebied een agrarisch bedrijf exploiteren, betogen dat op gronden die zij in eigendom hebben aan de [locatie 5] en aan de Kampsestraat en aan de Rijkerswoerdsestraat ten onrechte de agrarische bedrijfsmogelijkheden zijn wegbestemd voordat de onderhandelingen over een eventuele uitkoop zijn afgerond.

[appellant sub 2 C] en anderen betogen dat aan het perceel aan de Kampsestraat dat zij pachten ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend omdat er geen concreet zicht op verwerving is. De gemeente de verpachter hebben nog geen overeenstemming bereikt. De raad hanteert derhalve de verkeerde volgorde door nu al de bestemming te wijzigen, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid, aldus [appellant sub 2 C] en anderen.

6.1. De raad stelt dat de gemeente en de Parkorganisatie met de verpachter en verschillende eigenaren in overleg zijn over de aankoop van de desbetreffende gronden. Indien minnelijke verwerving niet tot de mogelijkheden blijkt te behoren, zal worden overgegaan tot onteigening van de betrokken percelen.

In de plantoelichting is ten aanzien van het perceel aan de [locaties 4] vermeld dat het volledige bedrijf en de daarbij behorende gronden minnelijk of op basis van onteigening worden verworven. Hiervoor zullen de eigenaren schadeloos worden gesteld. Tevens worden ruilopties aangeboden.

In de gevallen van [appellante sub 4] en anderen respectievelijk van [appellant sub 2 C] en anderen maken de gronden die voor realisatie verworven moeten worden deel uit van de bedrijfsvoering, welke bedrijfsvoering volgens de raad zonder deze gronden kan worden voortgezet. Aan [appellante sub 4] en anderen is ruilgrond aangeboden binnen het plangebied in de buurt van zijn bedrijf, aldus de raad.

6.2. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De voorgenomen ontwikkeling van Park Lingezegen gaat niet overal samen met het huidige gebruik. De realisatie van Park Lingezegen in bestaand (deels) agrarisch gebied brengt met zich dat gronden - gronden van [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 4] en anderen - geheel dan wel deels nodig zijn voor de realisatie van het plan. De raad is voornemens de desbetreffende gronden via minnelijke weg te verwerven, maar zal overgaan tot onteigening indien de onderhandelingen niet tot minnelijke verwerving leiden. Het vaststellen van het plan is een vereiste om het onteigeningsinstrument te kunnen instellen en dus is geen sprake van een onjuiste volgorde en heeft de raad de bestemming "Natuur" en de bestemming "Wonen" kunnen toekennen. De betogen falen.

Extensieve dagrecreatie/verbreding watergangen/ infrastructuur

7. [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 4] en anderen kunnen zich niet verenigen met de aan de gronden in de omgeving van hun percelen toegekende bestemming "Natuur" omdat daarmee extensieve dagrecreatie mogelijk wordt gemaakt op korte afstand van hun percelen. Zij vrezen dat de toename van recreanten in het gebied zal leiden tot een inbreuk op hun woongenot of tot het betreden van hun (agrarische) percelen door derden hetgeen kan leiden tot schade.

[appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de mogelijkheid in het plan om ten behoeve van extensieve dagrecreatie watergangen in de nabijheid van hun woning te gebruiken ten behoeve van kanovaart omdat dit een aantrekkende werking heeft op recreanten en daarmee leidt tot een inbreuk op hun woongenot.

[appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat de fiets-, wandel- en ruiterpaden die gelet op de mogelijkheden van extensieve dagrecreatie in het plangebied kunnen worden aangelegd, de landelijke uitstraling van het gebied aantasten. Zij vrezen een aantrekkende werking op recreanten dat leidt tot een inbreuk op hun woongenot.

7.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder h, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - De Park" aangewezen gronden bestemd voor onder meer extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1.1, aanhef en onder d en e, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor onder meer waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen en extensieve dagrecreatie met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, alsmede wegen en paden.

Ingevolge artikel 1 wordt onder extensieve dagrecreatie verstaan recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, kanoën, zwemmen en vissen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte.

7.2. In de plantoelichting is vermeld dat het hoofddoel van het realiseren van Park Lingezegen is het inrichten van een recreatief aantrekkelijk en goed ontsloten uitloop- en recreatiegebied voor de stadsregio Arnhem-Nijmegen. Ten behoeve van de recreatie wordt een recreatief aantrekkelijk en veilig routenetwerk met doorgaande verbindingen van noord naar zuid en van oost naar west gerealiseerd. Een groot deel van het routenetwerk valt samen met bestaande wegen en paden. Het ontwikkelen van extensieve vormen van dagrecreatie en kleinschalige verblijfsrecreatie, draagt, aldus de raad, bij aan de recreatieve doelstelling van het park. Voornamelijk nieuwe en onderscheidende vormen van dagrecreatie worden daarbij gestimuleerd mits, aan de randvoorwaarden kan worden voldaan.

7.3. Het uitgangspunt van de raad dat het ontwikkelen van extensieve vormen van dagrecreatie bijdraagt aan de recreatieve doelstelling van het park en van belang is voor de ontwikkeling van het park, acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze vorm van recreatie gelet op de extensieve vorm en de uitgestrektheid van het gebied waar deze vorm van recreatie plaats kan vinden, zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woongenot dan wel tot schade aan de percelen voor [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 2 C] en anderen en [appellant sub 8]. Ook voor het oordeel dat de aanleg van fiets-, wandel- en ruiterpaden leidt tot onevenredige aantasting van het gebied, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten. De betogen falen.

Vernatting natuur/insecten/ganzen

8. [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met bestemming "Natuur" binnen deelgebied Het Waterrijk omdat, nu de aanduiding "specifieke vorm van waarde - droge natuur" ontbreekt, ook natte natuur mogelijk is. Zij vrezen voor overlast van steekmuggen, knutten en ganzen op grond van mogelijk gemaakte natte natuur in de nabijheid van hun percelen. Tevens vrezen zij voor aantasting van het woongenot en bedrijfsvoering onder meer door ziekten die door knutten en muggen bij mens en dier worden overgebracht. Zij betogen dat de in artikel 11, lid 11.3 van de planregels opgenomen afstand van 100 meter van natte natuur in de vorm van rietmoeras of nat bos tot de bestemming "Wonen" daarom te klein is. In dat verband wordt aangevoerd dat in de "Adviezen stekende insecten Park Lingezegen" is vermeld dat afstanden van 80 en 100 meter aan te houden tussen woningen en natte natuur alleen gelden voor stekende insecten die slecht vliegen maar dat bij goed vliegende stekende insecten deze afstand te klein is. Uit die adviezen kan volgens hen worden afgeleid dat in dat geval afstanden van 140 tot 200 meter pas effectief zijn. [appellant sub 8] voert in dat verband aan dat in tegenspraak tot de eerdere adviezen van Alterra, uit krantenartikelen blijkt dat muggen en knutten volgens Alterra verder vliegen dan 100 meter, namelijk 160 meter en verder en het advies van Alterra is dat in een droog-nat situatie een barrière van 140-200 meter pas effectief is. Het voorgaande klemt te meer nu aan een groot deel van de gronden in deelgebied Het Waterrijk de ruime bestemming "Natuur" is toegekend die natte natuur en daarmee de overlast van de insecten waarvoor wordt gevreesd, mogelijk maakt. In de onderzoeken van Alterra is ten onrechte geen rekening gehouden met de maximale mogelijkheden van het plan, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 8].

8.1. In artikel 11, lid 11.1, van de planregels is bepaald dat de voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de aanleg, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - natte natuur" uitsluitend natte natuur is toegestaan;

2. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - droge natuur" uitsluitend droge natuur is toegestaan;

b. de aanleg, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van een pocketpark ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - pocketpark 1";

c. uitsluitend hoogstam fruitteelt ter plaatse van de aanduiding "fruitteelt";

d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

e. extensieve dagrecreatie;

f. educatieve voorzieningen;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, alsmede wegen en paden.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1.2, van de planregels is overschrijding van de aanduidingsgrenzen van aanduidingen zoals bedoeld in artikel 11.1.1 onder a sub 1 en 2 ten behoeve van een andere vorm van natuur dan ter plaatse is toegestaan, toegestaan voor zover de overschrijding niet meer bedraagt dan 50 m.

Ingevolge artikel 11, lid 11.3, van de planregels wordt onder een gebruik in strijd met de bestemming "Natuur" mede verstaan een gebruik van gronden binnen een afstand van 100 m tot de bestemming Wonen ten behoeve van natte natuur, met dien verstande dat onder natte natuur wordt verstaan natuur in de vorm van rietmoeras of nat bos.

8.2. De raad heeft zich wat betreft de mogelijke overlast door insecten in Park Lingezegen in deelgebied Waterrijk laten adviseren door adviesbureau, kennisinstituut voor de groene leefomgeving, Alterra, onderdeel van Wageningen UR. De raad heeft zich in navolging van de uitgebrachte adviezen van Alterra op het standpunt gesteld dat de in artikel 11, lid 11.3, van de planregels opgenomen afstand van 100 meter voldoende is om onevenredige overlast door insecten te voorkomen. Aan de hand van de resultaten van monitoring zal door Alterra bekeken worden of aanvullende inrichtings- en/of beheersmaatregelen nodig zijn. Indien blijkt dat de aanvullende inrichtings- en/of beheersmaatregelen noodzakelijk zijn dan zullen deze, aldus de raad, worden getroffen.

De raad neemt hierbij in aanmerking dat uit het advies van Alterra weliswaar blijkt dat slechte en soms matige vliegende insecten door barrières geremd worden, maar dat dat niet betekent dat 100 meter tussen natte natuur en de bestemming "Wonen" onvoldoende is. De ruimteljke positionering van zowel het broedgebied als de woningen bepaalt uiteindelijk het al dan niet optreden van overlast. Naast de afstand zijn er andere factoren die meewegen, aldus de raad. Het dynamisch rietmoeras in Waterrijk oost gaat de meeste steekmuggen opleveren. De afstand van dat deelgebied tot de woningen is echter veel groter dan 100 meter. In het nadere advies van Alterra wordt opgemerkt dat voor dieren tot op heden geen overlast van steekmuggen is gemeld.

Ten aanzien van de overlast door knutten heeft de raad in aanmerking genomen dat afstand bij knutten minder speelt omdat die verder kunnen vliegen. Uit de huidige kennis van zaken blijkt echter dat ziekte overdragende knuttensoorten niet uit oppervlaktewater komen, maar uit dierlijk mest en vergelijkbare milieus. Over het veroorzaken van ziekte door knutten bij dieren is volgens Alterra weinig bekend, aldus de raad. De conclusie is dan ook dat de inrichting van Waterrijk aan de ziekte overdragende soorten geen bijdrage levert.

Ten aanzien van de gestelde overlast door ganzen stelt de raad dat niet aannemelijk is dat ten gevolge van een vernatting van het gebied een grote toename van het aantal foeragerende ganzen in het plangebied, en meer specifiek in deelgebied Het Waterrijk oost, zal plaatsvinden. De nieuwe watergangen en wateroppervlakten hebben een relatief geringe oppervlakte en niet is aannemelijk dat deze daarmee geschikt zijn als verblijfplaats voor ganzen.

8.3. [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten van de raad, die steun vinden in deskundigenrapporten van Alterra, onjuist zijn. De Afdeling acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in artikel 11, lid 11.3, van de planregels opgenomen afstand van 100 meter voldoende is om onevenredige overlast door insecten te voorkomen en dat daar waar wel sprake zal zijn van overlast door insecten deze kan worden beperkt door het treffen van inrichtings- en beheersmaatregelen met betrekking tot waterpartijen, welke niet in een plan kunnen worden geregeld.

Nu de vrees van [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] voor de gestelde overlast ongegrond is, slaagt het betoog dat op dit punt de gevolgen van de maximale natte natuur niet in kaart zijn gebracht evenmin. De betogen falen.

De aanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting (sg-lbp)"

9. [appellant sub 2 C] en anderen betogen dat de raad ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting (sg-lbp)" heeft toegekend aan hun gronden aan de Breedlersestraat, omdat deze bestemming niet zal worden gerealiseerd binnen de planperiode. Zij zijn immers niet voornemens het perceel van laanbeplanting te voorzien of het perceel binnen de planperiode te verkopen. Zij verwijzen in dit verband naar jurisprudentie van de Afdeling. Zij vrezen ook dat de laanbeplanting in de omgeving van hun perceel zodanig gebrekkig zal worden onderhouden, dat hun bedrijfsvoering daarvan schade zal ondervinden. De laanbeplanting zal daarnaast wandelaars en andere mensen aantrekken.

9.1. Op de gronden aan de Breedlersestraat rust de bestemming "Agrarisch - De Buitens" met de aanduiding "sg-lbp". Aan omliggende gronden is ook de aanduiding "sg-lbp" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a t/m c, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - De Buitens" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan;

b. de bestaande bedrijfswoningen, waarbij inwoning is toegestaan in één van de bedrijfswoningen;

c. bomen in de vorm van laanbeplanting ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - laanbeplanting ";

d. de ontwikkeling en het behoud van kleinschalige landschapselementen, waaronder houtwallen, houtsingels, kleinschalige waterelementen en natuurvriendelijke oevers.

9.2. De raad acht laanbeplanting passend in de omgeving. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de laanbeplanting deel uitmaakt van de voorgenomen versterking van de herkenbaarheid en leefbaarheid van de landschappelijke structuur als opgenomen in de Intergemeentelijke Structuurvisie en een belangrijk onderdeel vormt van de maatregelen ter verbetering van het landschappelijk beeld in Park Lingezegen. Langs een deel van de wegen staat al laanbeplanting, aldus de raad. De keuze van de raad om aan de gronden ten aanzien waarvan overeenstemming met eigenaren is bereikt om laanbeplanting aan te brengen, de bestemming "Groen-Laanbeplanting" toe te kennen en aan de overige gronden waar laanbeplanting wenselijk is - maar waar geen overeenstemming is bereikt - de aanduiding "sg-lbp" toe te kennen, acht de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling merkt voorts op dat de toegekende aanduiding "sg-lbp" niet met zich brengt dat op de desbetreffende gronden uitsluitend laanbeplanting is toegestaan. De aanduiding "sg-lbp" vormt immers één van de doeleinden. Niet aannemelijk is gemaakt dat een van de overige in artikel 3, lid 3.1, van de planregels opgenomen doeleinden niet kunnen worden gerealiseerd.

9.3. Wat betreft de bestemming "Groen-Laanbeplanting" hebben [appellant sub 2 C] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het onderhoud van de verworven gronden te kort zal schieten. Ten aanzien van de aantrekkende werking van recreanten als gevolg van de laanbeplanting heeft de raad terecht het standpunt ingenomen dat het niet reëel is te veronderstellen dat er sprake zal zijn van een zodanige grote toename van recreanten dat uit dien hoofde de aanduiding in redelijkheid achterwege diende te blijven. Het betoog faalt.

Het perceel aan de [locatie 6] te Elst

10. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van zijn gronden aan de [locatie 6] te Elst. Hij betoogt dat met de bestemming "Wonen" zijn bestaande agrarische bedrijf ten onrechte niet positief is bestemd en onder het overgangsrecht is gebracht, terwijl er geen zicht is op beëindiging van de agrarische activiteiten.

[appellant sub 5] maakt verder bezwaar tegen de in de planregels opgenomen maximale oppervlakte van 350 m2 voor het loonwerkbedrijf omdat deze oppervlakte te klein is. Hij stelt dat zijn loonwerkbedrijf groter is.

[appellant sub 5] kan zich evenmin verenigen met de bijgebouwenregeling omdat deze een maximale oppervlakte aan bijgebouwen toelaat van 75 m2, terwijl op het perceel reeds bebouwing aanwezig is met een oppervlakte van 390 m2. Hij stelt dat hij een bouwaanvraag heeft ingediend op grond van het oude plan die past in het oude plan op grond waarvan hij na vergunningverlening een schuur kan realiseren die 157 m2 groter is dan de huidige schuur.

10.1. De raad stelt dat het agrarische gebruik zich niet laat verenigen met de nagestreefde kwaliteit van natuur en water ter plaatse van de percelen van [appellant sub 5]. Het loonwerkbedrijf van [appellant sub 5] paste niet in het voorheen geldende plan en kan slechts als nevenactiviteit worden toegestaan, aldus de raad. Op basis van provinciaal beleid is de omvang van het gebruik is gemaximaliseerd tot 350 m2. Ten aanzien van de maximale toegestane oppervlakte aan bebouwing verwijst de raad naar artikel 35.1 van de planregels.

10.2. In het plan is aan de gronden van [appellant sub 5] de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a en c, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor maximaal één woning per bestemmingsvlak en een loonwerkbedrijf met een vloeroppervlakte van maximaal 350 m2.

Op grond van artikel 22, lid 22.2, aanhef en onder a, van de planregels mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning niet meer dan 75 m2 bedragen.

In artikel 35, lid 35.1, van de planregels is bepaald, voor zover van belang, dat in die gevallen dat de bestaande oppervlakte van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels is toegestaan, die oppervlakte geldt als maximaal toegestaan.

De gronden van [appellant sub 5] hadden in het voorgaande plan "Buitengebied dorp Elst" de bestemming "Agrarische doeleinden" met de aanduiding "bouwperceel".

Ingevolge artikel 4, leden 1 en 2, van de planvoorschriften waren de gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf waarbij de bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning uitsluitend mochten worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven bouwperceel.

10.3. Vast staat dat de activiteiten in het kader van het loonwerkbedrijf niet waren toegestaan op grond van het voorheen geldende plan. In het deskundigenbericht is geconstateerd dat [appellant sub 5] één machine bezit ten behoeve van het loonwerkbedrijf, dat het plan geen beperking inhoudt van de huidige loonwerkactiviteiten en dat het uitoefenen van een loonwerkbedrijf op een oppervlakte van 350 m2 niet onmogelijk is. [appellant sub 5] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de maximale omvang van deze functie kunnen begrenzen tot 350 m2.

10.4. De bestemming "Wonen", toegekend aan het huisperceel van [appellant sub 5], staat het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet toe. Onbetwist is dat [appellant sub 5] vanuit dit perceel zijn agrarische bedrijf op andere gronden dan de door hem verkochte gronden in het deelgebied het Waterrrijk voortzet. Door het plan is dit gebruik van het huisperceel onder het overgangsrecht gebracht. Naar de raad ter zitting heeft erkend ten onrechte. Dit betoog slaagt derhalve.

10.5. De Afdeling komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat is toegekend aan de gronden ter plaatse van de [locatie 6] te Elst dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden dient in zoverre te worden vernietigd.

10.6. De beroepsgronden die zich richten tegen de bijgebouwenregeling en het positief bestemmen van een schuur waar onlangs vergunning voor is verleend op gronden die de bestemming "Wonen" hebben, laat de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen in overwegingen 10.4 en 10.5 onbesproken. De raad dient zich daarover tegen de achtergrond van de nieuwe bestemming op het perceel opnieuw te beraden.

Perceel [locatie 7]

11. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" en met de aanduiding "dierenartspraktijk" voor haar gronden aan de [locatie 7] te Elst. Zij voert daartoe aan dat in de planregels ten onrechte een maximale arbeidsomvang van 1 fte is opgenomen omdat dit ruimtelijk niet relevant is en tevens onduidelijk is of dit uitsluitend ziet op de dierenarts of ook de assistent. Voor zover een 1 fte wel kan worden opgenomen in het plan is een 1 fte van 40 uur onvoldoende omdat het ook mogelijk moet zijn om een assistent in dienst te nemen.

Voorts maakt zij bezwaar tegen de maximale vloeroppervlakte van 350 m2 die in de planregels is opgenomen, omdat deze te klein is voor de uitoefening van haar praktijk en kleiner is dan de oppervlakte van de bebouwing die thans aanwezig is en wordt gebruikt voor de praktijk en die zij ook in de toekomst wenst te gebruiken. Dit blijkt ook uit haar verzoek van mei 2010. [appellant sub 6] kan zich evenmin verenigen met de bijgebouwenregeling omdat deze een maximale oppervlakte aan bijgebouwen toelaat van 75 m2, terwijl op het perceel reeds bijgebouwen aanwezig zijn met een oppervlakte van 529 m2. Ten slotte betoogt [appellant sub 6] dat de herbouw van de paardenbak ten onrechte afhankelijk is gemaakt van een omgevingsvergunning.

11.1. Volgens de raad is met 1 fte beoogd de omvang van de dierenpraktijk te begrenzen tot een arbeidsomvang van één fulltime dierenarts om een groepspraktijk uit te sluiten.

De raad stelt dat de maximale toegestane oppervlakte van 350 m2 is afgestemd op provinciaal beleid en op het verzoek van [appellant sub 6] van mei 2010.

In het kader van de bijgebouwenregeling wijst de raad op artikel 35, lid 35.1.

11.2. De gronden hebben in het plan de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dierenartspraktijk".

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor maximaal één woning per bestemmingsvlak en een dierenartspraktijk met een vloeroppervlakte van maximaal 350 m2, met dien verstande dat de arbeidsomvang ten behoeve van de dierenartspraktijk niet meer mag bedragen dan 1fte.

Ingevolge onderdeel h zijn de gronden tevens bestemd voor bestaande paardenbakken.

Op grond van artikel 22, lid 22.2.2, aanhef en onder a, van de planregels mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning niet meer dan 75 m2 bedragen.

Ingevolge artikel 22, lid 22.4.3, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 22.1 onder g ten behoeve van de bouw van één paardenbak.

In artikel 35, lid 35.1, is bepaald, voor zover van belang, dat in die gevallen dat de bestaande oppervlakte van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels is toegestaan, die oppervlakte als maximaal toegestaan geldt.

11.3. De raad stelt dat met het opnemen van 1 fte is beoogd de omvang van de dierenartspraktijk te begrenzen tot een arbeidsomvang van één fulltime dierenarts om een groepspraktijk uit te sluiten en dat het niet de bedoeling is geweest om personeel niet toe te staan. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de bestreden zinsnede "met dien verstande dat de arbeidsomvang ten behoeve van de dierenartspraktijk niet meer mag bedragen dan 1 fte" niet dat dit uitsluitend betrekking heeft op de arbeidsomvang van één fulltime dierenarts en bestaat onzekerheid of het voorschrift nog ruimte laat voor het in dienst nemen van personeel. De raad heeft nader gesteld dat de zinsnede kan worden gemist omdat de omvang van de dierenartspraktijk afdoende is beperkt door het maximeren van de hiervoor te gebruiken oppervlakte tot 350 m2. De Afdeling komt gelet hierop tot het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van artikel 22, lid 22.1, onder d, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Het beroep van [appellant sub 6] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

11.4. Het voorgaande plan stond onbetwist een dierenartspraktijk niet toe. Op verzoek van [appellant sub 6] heeft de raad meegewerkt aan een functiewijziging op de bestaande locatie met bestaande gebouwen ten behoeve van het gebruik als dierenartspraktijk van maximaal 350 m2. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, gelet op de gewenste omvang van haar praktijk met één dierenarts, de maximale vloeroppervlakte van 350 m2, die is gesitueerd in de bestaande gebouwen, niet toereikend is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de oppervlakte van de paardenbak niet in aanmerking is genomen en dat de raad ter zitting heeft vermeld dat moet worden bezien of gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 22, lid 22.4.3, van de planregels. Dat de raad nieuwe paardenbakken eerst mogelijk wenst te maken met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid, ook om invloed uit te kunnen oefenen op de locatie, acht de Afdeling niet onredelijk. [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vóór het vaststellen van het plan heeft verzocht om een grotere oppervlakte voor haar activiteiten ten behoeve van haar dierenartspraktijk en evenmin dat vanwege de raad toezeggingen zijn gedaan of verwachtingen zijn gewekt dat aan het realiseren van een grotere oppervlakte zou worden meegewerkt. Het betoog faalt.

Veehouderijen

12. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen en [appellant sub 5] betogen dat intensieve veehouderijen binnen het plangebied niet de noodzakelijke uitbreiding kunnen doormaken en dat deze bedrijven als gevolg hiervan geen bestaansrecht meer hebben.

12.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a onder 2, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Landbouwland" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet zijn toegestaan, met uitzondering van de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels voldoen bedrijfsgebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en bedrijfswoningen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak;

b. de gezamenlijke oppervlakte van:

1. kassen bedraagt maximaal de bestaande oppervlakte;

2. bedrijfsgebouwen ten behoeve van intensieve veehouderijen bedraagt maximaal de in bijlage 2 kolom "Oppervlakte intensieve veehouderij" in m2 per bedrijf aangegeven oppervlakte, met dien verstande dat de oppervlakte van bedrijfsgebouwen voor huisvesting van geiten ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van Agrarisch - geitenhouderij’ maximaal 3.200 m2 mag bedragen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.3.1, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.1, onder b, sub 2 voor het vergroten van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen:

a. de vergroting bedraagt maximaal 10% van de bestaande toegestane bebouwde oppervlakte;

b. de vergroting dient noodzakelijk te zijn om te kunnen voldoen aan bij of krachtens wettelijk voorschrift bepaalde eisen ten aanzien van dierenwelzijn en/of veterinaire gezondheid zonder toename van het aantal dierenplaatsen.

12.2. In de plantoelichting is vermeld dat voor het gehele Park Lingezegen geldt dat er geen uitbreiding en nieuwvestiging mag plaatsvinden van intensieve veehouderij en glastuinbouw omdat dit niet bijdraagt aan de gewenste landschappelijke kwaliteit van het Park. De daarbij behorende bebouwing en erven passen niet in het recreatieve ‘Betuwse’ landschap en worden vanuit het milieuoogpunt als onwenselijk gezien.

12.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Het plan voorziet in een uitbreidingsmogelijkheid van de bedrijfsbebouwing van intensieve veehouderijen van maximaal 10%. Deze uitbreidingsmogelijkheid is in overeenstemming met de Intergemeentelijke Structuurvisie. In deze structuurvisie is verder vermeld dat intensieve veehouderijen niet passen binnen de nagestreefde omgevingskwaliteit in Park Lingezegen. Voor de drie in het plan aanwezige intensieve veehouderijen is gekeken wat realistische uitbreidingsmogelijkheden zijn en is maatwerk geleverd. De raad heeft onweersproken gesteld dat ten aanzien van het bedrijf van [appellante sub 3] en anderen een 25% ruimere bebouwingsoppervlakte is toegekend. [appellant sub 2 C] en anderen en [appellante sub 3] en anderen hebben niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat de bestaande bedrijven gegeven de geboden maatwerkoplossing en de mogelijkheid om met 10% uit te breiden geen bestaansrecht meer hebben. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verder uitbreiden van de desbetreffende bedrijven dan wel nieuwvestiging zich niet verdraagt met de nagestreefde omgevingskwaliteit in Park Lingezegen en die omgevingskwaliteit hebben kunnen laten prevaleren boven het belang van veehouderijen om nog verder uit te breiden. De betogen falen.

Drainage

13. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat nu landbouwbedrijven binnen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologische verwachting 1" "Waarde - Archeologische verwachting 2", "Waarde - Archeologische verwachting 3" en "Waarde Archeologische verwachting 4" een omgevingsvergunning nodig hebben voor het aanbrengen van drainage, deze bedrijven hierdoor onevenredig in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering worden belemmerd.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bedrijven door het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van drainage niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. In het archeologisch beleid "Archeologisch beleid van de gemeente Overbetuwe 2003", geactualiseerd in 2009, zijn de archeologische monumenten en verwachtingswaarden binnen de gemeente vastgelegd. Dit beleid is in acht genomen bij het onderhavig bestemmingsplan, aldus de raad. Drainage valt volgens de raad niet onder normaal onderhoud, gebruik en beheer. Ter bescherming van de archeologische waarden is op de gronden waarop de betrokken dubbelbestemmingen van toepassing zijn dan ook een omgevingsvergunning voor drainage vereist. Aan de hand van nader (archeologisch) onderzoek kan dan blijken dat de drainagewerkzaamheden eventuele archeologische waarden niet aantasten, zodat een omgevingsvergunning kan worden verleend, aldus de raad.

13.2. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben geen argumenten naar voren gebracht tegen het uitgangspunt dat drainage geen normaal onderhoud, gebruik en beheer betreft ingevolge waarvan op grond van de planregels geen omgevingsvergunning nodig is. Zij hebben ook overigens het standpunt van de raad niet gemotiveerd betwist. De betogen falen.

Financiële uitvoerbaarheid

14. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat het plan niet financieel uitvoerbaar is, omdat het Rijk geen geld meer beschikbaar stelt voor Park Lingezegen. In de plantoelichting is volgens hen slechts een voorstel aan Provinciale Staten om geld te reserveren vermeld, geen toezegging. Zij stellen voorts dat de planschaderisicoanalyse ten onrechte niet openbaar is gemaakt.

14.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening gaat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

14.2. In de plantoelichting staat dat de aanleg van de basisuitrusting van het landschapspark wordt ontwikkeld en gefinancierd door de gemeenschappelijke regeling Park Lingezegen. De deelnemende partijen aan de gemeenschappelijke regeling zijn: de provincie Gelderland, gemeenten Arnhem, Lingewaard en Overbetuwe en het Waterschap Rivierenland. Tevens ondersteunen de gemeente Nijmegen, de Stadsregio Arnhem Nijmegen en het Rijk het park financieel wat betreft de investeringen.

De basisuitrusting van ongeveer 400 ha dient volgens planning eind 2013 gereed te zijn. Voor de realisering van deze basisuitrusting hebben de samenwerkende partijen gezamenlijk € 68,5 miljoen ter beschikking gesteld. In de bestuursovereenkomst van Park Lingezegen is opgenomen dat het Rijk € 34,1 miljoen bijdraagt aan realisatie van het park. Het resterende deel wordt door overige partijen ingebracht.

Het Rijk heeft te kennen gegeven vergaand te willen bezuinigen op de Landelijk Gebied-gelden en ook op het onderdeel RODS (Recreatie om de Stad) waar Park Lingezegen onder valt. Het toegezegde bedrag van € 34,1 miljoen van het Rijk, waarvan overigens reeds circa € 25 miljoen is ontvangen, is daardoor onder druk komen te staan. Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 27 september 2011 besloten om Provinciale Staten voor te stellen extra budget aan het Park beschikbaar te stellen zodat de begroting voor het Park sluitend is. Hierdoor is de basisuitrusting financieel uitvoerbaar. De overige plandelen zijn vanwege het conserverende karakter van die delen van het plan ook financieel uitvoerbaar, aldus de plantoelichting.

In opdracht van projectbureau Park Lingezegen dat deel uitmaakt van de parkorganisatie is een planschaderisicoanalyse opgesteld die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Nu dit stuk niet ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit ligt de vraag naar het al dan niet terecht niet openbaar maken hier dan ook niet ter toets voor. De beroepsgrond die daar betrekking op heeft kan reeds daarom niet slagen. Overigens is dit stuk inmiddels door de parkorganisatie aan de vertegenwoordiger van appellanten toegestuurd.

Gelet op circa € 25 miljoen aan ILG-gelden die reeds van het Rijk zijn ontvangen en het besluit van Provinciale Staten om extra budget aan het Park beschikbaar te stellen zodat de begroting voor het Park sluitend is, zoals inmiddels is bekrachtigd bij besluit van 30 mei 2012, kan niet staande worden gehouden dat de financiële uitvoerbaarheid niet is verzekerd. De betogen falen.

Het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

15. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld. Zij betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat kostenverhaal anderszins is verzekerd. Zij voeren daartoe aan dat de raad heeft aangegeven dat hij voor kosten voor Park Lingezegen in anterieure overeenkomsten een bijdrage voor het park wenst te bedingen van partijen die woningbouw realiseren op locaties in de gemeente. Deze overeenkomsten zijn er nog niet. Zelfs als de kosten wel anderszins verzekerd mochten zijn, dan nog had een exploitatieplan dienen te worden opgesteld. De raad heeft namelijk niet beargumenteerd waarom een fasering als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onder b, van de Wro niet noodzakelijk is, aldus [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6].

15.1. De raad stelt dat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden in geval van Park Lingezegen anderszins zijn verzekerd door hetgeen is overeengekomen tussen de gemeenschappelijke regeling en het gemeentebestuur. In de Toekomstvisie van de gemeente en in de Intergemeentelijke Structuurvisie is weliswaar de basis gelegd voor het vragen van een bijdrage van toekomstige bewoners aan belangrijke, fysieke maatschappelijke functies als Park Lingezegen, maar dit heeft geen betrekking op kostenverhaal van de grondexploitatie over de in dit plan begrepen gronden, aldus de raad. Ten aanzien van de fasering heeft de raad gesteld dat hem bij de keuze om een fasering te bepalen of eisen en regels te stellen een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. Hij heeft in zijn afweging betrokken dat het plan betrekking heeft op de inrichting van een landschapspark en hoofdzakelijk voorziet in een groene en recreatieve inrichting van het gebied. Gelet hierop heeft de raad het niet noodzakelijk geacht om een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen op te nemen, en zo nodig een koppeling hiertussen te bepalen of eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen, en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied of regels omtrent deze werken en werkzaamheden te stellen.

16. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de raad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorzien.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan de raad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien:

a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en:

c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

16.1. [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben in hun beroepschriften noch - desgevraagd - ter zitting concrete feiten of omstandigheden vermeld die het standpunt van de raad dat de kosten van de grondexploitatie anderszins zijn verzekerd en het door de raad ingenomen standpunt over fasering, kunnen ontkrachten. In hetgeen [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben gesteld over het besluit tot het niet vaststellen van het exploitatieplan ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat dit besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De betogen falen.

Eindconclusie

17. Het beroep van [appellant sub 7] is niet-ontvankeljk. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] zijn gegrond voor zover deze betrekking hebben op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 3] en de aangrenzende gronden met de bestemming "Tuin" met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helihaven". Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat is toegekend aan de gronden ter plaatse van de [locatie 6] te Elst. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van artikel 22, lid 22.1, onder d, van de planregels. Voor het overige zijn hun beroepen ongegrond.

Proceskostenveroordeling

18. De raad van de gemeente Overbetuwe dient ten aanzien van [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 8] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 7] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7 A] en [appellant sub 7 B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 8 A] en [appellante sub 8 B] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 28 februari 2012 voor zover dat betrekking heeft op:

a. de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 3] en de aangrenzende gronden met de bestemming "Tuin" met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - helihaven",

b. de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat is toegekend aan de gronden ter plaatse van de [locatie 6] te Elst,

c. de vaststelling van artikel 22, lid 22.1, onder d, van de planregels;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 8 A] en [appellante sub 8 B] voor het overige ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VI. draagt de raad van de gemeente Overbetuwe op om na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot herziening van het plan te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VII. verklaart de beroepen van [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen, [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] gericht tegen het weigeren om een exploitatieplan vast te stellen ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe als volgt tot vergoeding van de bij navolgende appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten:

- aan [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), dat volledig is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellante sub 3] en anderen een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), dat volledig is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellante sub 4] en anderen een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), dat volledig is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellant sub 5] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), dat volledig is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 6] een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), dat volledig is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Overbetuwe aan de navolgende appellanten het door hen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B] en [appellant sub 2 C] en anderen € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellante sub 3] en anderen € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellante sub 4] en anderen € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

- aan [appellant sub 5] € 156,00 (zegge: honderdzenenvijftig euro);

- aan [appellant sub 6] € 156,00 (zegge: honderdzenenvijftig euro);

- aan [appellant sub 8 A] en [appellante sub 8 B] € 156,00 (zegge: honderdzenenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

224.